Leonard Nolens (1947-2025), dichter Met de muzikaliteit van zijn gedichten werd Leonard Nolens een van de belangrijkste dichters van België. Hij was een klassieke romanticus, die ruim twintig dichtbundels publiceerde en alle grote prijzen kreeg.
Leonard Nolens in Amsterdam, 2008.
Leonard Nolens, die op Tweede Kerstdag op 78-jarige leeftijd overleed, was een dichter die „het Nederlands opnieuw heeft doen zingen”. Aldus de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren, toen de Antwerpenaar in 2012 tot laureaat werd uitgeroepen. Als Leonard Nolens begint te schrijven, „vangt een fluisterend zingen aan”, schreef NRC enkele jaren eerder. „Met schrijnende refreinen, welluidende zinnen en een vreugdevolle melodie.”
Met die muzikaliteit, die zijn autobiografie in poëzie uittilde boven het particuliere, werd Nolens een van de meest vooraanstaande dichters van België, wellicht de belangrijkste van zijn generatie. Hij publiceerde in vijf decennia meer dan twintig dichtbundels, samen goed voor een verzameld werk van bijna 1.200 bladzijden – en daarbovenop nog ruim duizend pagina’s aan gepubliceerde dagboeken, waarin hij reflecteerde op zijn aan de dichtkunst gewijde leven. Hij kreeg alle belangrijke prijzen, zoals de Jan Campert-prijs voor Liefdes verklaringen (1990), de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel Bres (1997) en voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.
Hij had als dichter een romantische inborst, op een klassieke, onmodieuze manier. Hij geloofde in de waarheid die de poëzie aan het licht kon brengen, doordat de dichter afdaalde in de eigen ziel, tot in de kern, waar de essentie verborgen lag. Hij schreef over zichzelf, over ‘ik’, in een tijd dat autobiografie in de kunst niet bon ton was; en hij zocht in de taal naar waarheid en eerlijkheid, waar de postmoderne mode juist relativistisch was. Eerlijkheid in de literatuur was voor Nolens „een poging om de mens in heel zijn complexiteit te blijven zien en daaraan uitdrukking te geven”.
Nolens (1947) groeide op in de welgestelde burgerij van Bree in Belgisch Limburg, ging rechten studeren, maar stopte toen zijn vader plotseling overleed. Een carrière in vaders voetsporen was niet voor hem weggelegd, besefte hij, en hij bekwaamde zich als vertaler, uit het Italiaans en Duits. Evenzeer bepalend waren de studentenprotesten van 1968, die Nolens aanschouwde en waar hij zich mee verbonden voelde, maar waartoe hij ook afstand voelde. Hij was te eigenzinnig, voelde te veel vrijheidsdrang om erbij te willen of kunnen horen.
Voor Nolens was de poëzie het leven, ontdekte hij in de jaren zeventig. Of: zijn manier om deel te nemen aan de wereld. Hij portretteerde in zijn dankwoord bij de Prijs der Nederlandse Letteren de kunstenaar die zich van de mensen afzondert „om iets te maken en zodoende zijn plaats te vinden onder diezelfde mensen. Hij geeft de woorden, de muziek en de beelden die hij van u heeft gekregen, op zijn manier aan u terug. Hij maakt van u zichzelf en geeft zich terug aan u.”
Hij moest dan wel de deelname aan het bruisende leven opgeven, zoals hij schreef in ‘Zonder mij’ uit de bundel Liefdes verklaringen: „Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden./ Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven/ Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is”. Zijn gezin, met twee zoons, verliet hij, al vond hij later wel weer de liefde – maar wanhoop en drankzucht tekenden ook zijn persoonlijk leven. Als dichter had hij succes. Zijn gedichten, vooral zijn liefdesgedichten, werden geliefd, en bleven dat. Wat Leonard Nolens schreef, bood precies wat velen in poëzie zoeken: in de intimiteit van die kleine tekst is het rumoer van de wereld verstomd en ontstaat er ruimte om teruggeworpen te worden in de kern van het menszijn. Liefde, het leven, de dood – de poëzie van Nolens begon bij het persoonlijke, maar had de ambitie om te eindigen bij het universele.
Leonard Nolens.
„Alsof ik het niet over de buitenwereld heb als ik het over mezelf heb!” riep Nolens eens uit, in een interview met NRC. Waar in zijn vroegere werk de maatschappij en al haar gebeurtenissen op afstand stond, kwam daarin een voorzichtige kentering in de bekroonde bundel Bres (1997). De ‘ik’ werd in die bundel een ‘wij’, die de dichter én de lezer omvat. Nolens dichtte over de naoorlogse generatie die zich engageerde in protest, en ijkte daarbij nogmaals zijn afgezonderde positie. Zijn opvatting was: ware revolutie vindt pas plaats op persoonlijk niveau, in de mens, dus verkoos hij de poëzie, die van mens tot mens spreekt, boven de barricaden. Uitgesproken kritisch was hij in zijn bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011), die ontvangen werd als een „biecht” en „schuldbekentenis”, waarin hij zijn babyboomgeneratie moreel failliet verklaarde. Die raakte een gevoelige snaar bij veel lezers; uit de bundel kwam ook een toneelproductie voort.
Nolens’ poëzie wist buiten de kleine kring van gepokte en gemazelde poëzielezers te geraken: doordringend tot de essentie wist hij een groot publiek te beroeren, als een Vlaamse Szymborska of Herzberg. De „doorgeefbaarheid”, van zijn gevoel en zijn ervaring, schreef hij eens, bepaalde de waarde van zijn poëzie. Die beklijft als het gaat over de tederheid, de rust die te vinden is in verstilling – en in een gedicht als ‘Vermoeidheid’, dat zo eindigt: „Als wij, de grote mensen, moe zijn/ Van het praten,/ Van het praten,/ Van het praten met elkaar,/ Gaan wij de tuin in en verzwijgen ons/ In de kat, in het gras, in het kind.”
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC