‘Onthoud deze dag’, zei Donald Trump na de Capitoolbestorming in 2021. Bijna vijf jaar later ziet oud-correspondent Michael Persson dat de herinneringen aan die 6 januari juist zijn uitgewist.
was van 2015 tot 2021 Volkskrant-correspondent in de Verenigde Staten.
De strop bungelde aan een galg op het grasveld voor het Capitool toen ineens een man erop afrende, het schavot beklom en met een mes het touw doorsneed. Hij liep weg en toen hij mij passeerde, gooide hij de strop voor mijn voeten als een klodder spuug. Ik raapte hem op en stopte hem in mijn rugzak. Zo kwam de strop in mijn bezit.
Het liep tegen het eind van de middag op 6 januari 2021. Het vaalgroene hart van de Amerikaanse hoofdstad was al grotendeels verlaten. De tienduizenden demonstranten die hier een paar uur eerder nog hadden staan schreeuwen, hadden het Capitool bestormd of waren iets gaan eten in een restaurantje in de buurt.
In en rond het gebouw was het nog steeds chaos. Op de trappen heroverden de politieagenten langzaam terrein. Binnen hadden ze een van de honderden indringers doodgeschoten. Van de meer dan honderd gewonde agenten zou er één de dag erna sterven en zouden vier anderen later suïcide plegen.
Donald Trump, de president die niet tegen zijn verlies kon, had aan het begin van de middag tegen zijn aanhangers gezegd dat ze ‘keihard moesten vechten’ omdat ze anders ‘geen land meer zouden hebben’. Hij had ze naar het Capitool gedirigeerd, waar goed voorbereide extremisten als de Proud Boys en Oath Keepers de aanval inzetten, en waar hij begripvol reageerde op gejoel om zijn vicepresident Mike Pence op te hangen. Nu stuurde Trump via Twitter een soort afscheidsboodschap aan de bestormers.
‘Deze dingen gebeuren wanneer een heilige overduidelijke verkiezingswinst zo meedogenloos wordt afgepakt van de geweldige patriotten die zo lang zo slecht en oneerlijk zijn behandeld. Ga in liefde en vrede naar huis. Onthoud deze dag voor altijd!’
Dat onthouden, daar gaat dit verhaal over. En over het vergeten dat daarvoor in de plaats is gekomen.
Degene die me de strop voor de voeten had geworpen, was een zwarte man van in de twintig. Dat vergde moed; het grasveld voor het Capitool was die dag geen plek voor zwarte mannen. Hij was verdwenen voor ik er erg in had, helaas; ik had hem graag willen spreken. Want er was dus een Amerikaan die die dag een galg had opgesteld, maar hier was een Amerikaan die haar onklaar had gemaakt. De opstand en het verzet daartegen: de twee gezichten van Amerika kwamen samen in de strop. Dat verhaal wilde ik vertellen.
Ook de Amerikanen zagen meer dan een stuk touw. Nadat ik de strop een paar dagen op de achterbank van mijn auto had laten slingeren, hoorde ik dat het National Museum of American History ‘artefacten’ zocht van 6 januari. Dat is Amerika: bij gebrek aan een lange geschiedenis altijd klaar om de historische betekenis van een nieuwe dag te zien, en direct de spullen te verzamelen die daarbij horen, van de hoed die president Abraham Lincoln droeg toen hij werd doodgeschoten tot de allereerste post-its van 3M. De zolder van Amerika, wordt het museum ook wel genoemd. Ik liet weten wat ik had en de curator politieke geschiedenis belde me op. Ze wilde de strop dolgraag hebben.
Ik overlegde met mijn dochter, altijd goed in ethische kwesties. Weggeven? Zelf houden? Of misschien verkopen? In een land waar verzamelaars 3 of 4 miljoen neertellen voor een historische honkbal moeten er, dacht ik, ook fanaten zijn die best wat overhebben voor een souvenir van een bijna gelukte staatsgreep. Maar ik kon geen enkele mogelijke koper bedenken van wie ik geen spijt zou krijgen.
Bovendien, dacht ik: ik heb veel verhalen van dit land gekregen, nu kan ik een verhaal teruggeven. Mijn dochter zag het eervolle naambordje naast de vitrine al voor zich. Dat gaf de doorslag.
Ik beschreef het ding in een Zoom-bijeenkomst aan de curator en de registrar, die verantwoordelijk is voor de acquisitie van objecten. Oranje touw, kunststof, ongeveer een halve meter lang, een lus waar het hoofd van Pence prima in had gepast. Maar de knoop was geen bruikbare beulsknoop. Er was een soort washandje tussen de windingen en het touw gestopt om hem wat dikker te maken. De knoop gleed niet – hier had iemand alleen symbolisch mee opgehangen kunnen worden.
Toch, een symbolisch schavot kan bedreigend genoeg zijn. De museummensen vonden dat de FBI moest worden ingelicht.
Journalisten werken niet samen met opsporingsdiensten. Bronnen geef je nooit prijs. Dit daarentegen was mogelijk bewijsmateriaal, en dan ook nog van een aanval op de democratie. Dus stuurde ik een mailtje op maandag 18 januari. ‘Ik denk dat de FBI wel belangrijkere zaken aan zijn hoofd heeft’, schreef ik. ‘Maar als jullie dit nodig hebben, laat maar weten.’
Ik kreeg meteen een reactie van Samantha Shero, perswoordvoerder bij het Washington Field Office van de FBI. ‘Dank, de FBI is daarin zeer geïnteresseerd’, schreef ze. ‘Iemand zal contact met je opnemen.’
De volgende dag kreeg ik bericht van Garrett Churchill, special agent van de afdeling CR-10 van het Washington Field Office. ‘Gooi de strop a.u.b. niet weg’, mailde hij. Hij belde me op en vertelde dat de galg nog steeds als dreigement of zelfs een haatmisdrijf kon worden opgevat. Galgen en stroppen hebben een racistisch en extremistisch verleden, en suggereren nog steeds een lynchpartij of de executie van verraders. ‘Dit is een belangrijk ding’, zei Churchill. ‘Ik zou graag willen uitzoeken wie hem heeft opgehangen.’ Er zitten vingerafdrukken van mijn dochter op, zei ik nog.
Een paar dagen later reed ik terug naar Washington. Ik parkeerde op een hoek en er kwam een man met een zonnebril op me af, Chris Keefe, een andere special agent. Ik pakte de strop van de achterbank en hij nam die aan, met handschoenen, om hem in een plastic zakje te stoppen met een etiket erop. Wanneer krijg ik hem terug, vroeg ik, hij moet nog wel naar het museum. ‘Als we er klaar mee zijn’, zei Keefe.
Churchill stuurde een bevestiging. ‘We hebben begrepen dat je wilt dat het object naar het Smithsonian Museum of American History gaat, als de FBI in de toekomst besluit dat het niet langer nodig is om het object te bewaren’, schreef hij. ‘Ik kan niet met zekerheid zeggen wanneer dat is. Nogmaals dank voor je hulp.’
Zo raakte ik de strop kwijt. Het is voor het goede doel, dacht ik.
Bijna vijf jaar later arriveer ik, allang geen correspondent meer, weer in Washington. Trumps invloed is merkbaar. In de wijde omtrek rond het Witte Huis zijn de dreunen te horen van de heipalen die Trumps gigantische balzaal moeten gaan ondersteunen. Bij de zijingang staat een rij met opgeschoren mannen in lange jassen en vrouwen in jurken te wachten voor ze naar binnen kunnen – christelijke leiders die hun opwachting maken.
Even verderop is het juist stil bij Harry’s Bar, vijf jaar geleden de uitvalsbasis van de Proud Boys die zich daar moed indronken voor hun vecht- en steekpartijen na de verkiezingen (ik leerde ze kennen toen ik een van hen hielp die in de verkiezingsnacht in zijn nek was gestoken), en die op 6 januari de aanval op het Capitool inzetten. De hamburgertent is dicht, de Proud Boys zijn verdwenen.
De huidige Trump-aanhangers zijn nu, veel chiquer, te vinden in Butterworth’s, waar de avonden beginnen met duur vlees en eindigen met de luidruchtige dronkenschappen van een studentensociëteit, waar ze vinden dat 6 januari geen big deal was. ‘Democratie is altijd een beetje rommelig geweest.’
Bagatelliseren gebeurt tot op het hoogste niveau. Deze maand verschenen drie door Trump voorgedragen rechters in de Senaat, die hen moet goedkeuren. Op de vraag of het Capitool op 6 januari 2021 is aangevallen, was het meest gewaagde antwoord: ‘Er zijn een paar individuen naar binnen gegaan.’
Ik ben hier om te kijken wat er in dit nieuwe Amerika met mijn strop is gebeurd.
Sinds ik die aan Keefe overhandigde, heb ik niets meer van de FBI gehoord. De laatste keer dat ik contact zocht met Churchill was begin januari, een paar weken voor de inauguratie van Trump. Dan kon alles anders worden, vertelde ik hem. Maar er kwam geen reactie.
Is er in die jaren überhaupt onderzoek gedaan naar de maker(s) van de galg? Volgens Scott MacFarlane, een journalist van het Amerikaanse tv-netwerk CBS die veel verslag heeft gedaan van 6 januari, is de strop nog steeds een ‘zorgwekkend mysterie’ van de Capitoolbestorming. Er zijn 1.500 verdachten veroordeeld voor hun daden op die dag, maar niemand lijkt iets te maken te hebben met de galg, heeft hij uitgezocht.
Terwijl er wel degelijk aanwijzingen zijn.
Zo zijn op beelden van bewakingscamera’s vijf mannen te zien die op 6 januari in alle vroegte komen aanzetten met een steekwagentje met een lading hout, dat ze het grasveld bij het Capitool oprijden. De leider draagt een lange trenchcoat, een witte sjaal die tot de grond komt en een grote hoed. Hij loopt met een wandelstok. Ze halen even koffie, bouwen in drie kwartier het schavot op en verdwijnen dan uit beeld. ’s Middags komen ze terug om de dwarsbalk te bevestigen en de strop op te hangen. Desondanks concludeerde een rapport van een commissie van het Huis van Afgevaardigden vorig jaar dat ‘de individuen die de galg hebben gebouwd nooit zijn geïdentificeerd’.
Het ding kwam niet uit de lucht vallen, ontdekte The New York Times. ‘We gaan een galg bouwen direct voor het Capitool, zodat de verraders weten wat er op het spel staat’, schreef een anonieme gebruiker in een online-chatkanaal, een paar dagen nadat Trump in een tweet had gezegd dat er op 6 januari een groot protest zou zijn. ‘Wees erbij, het wordt wild!’
Een andere gebruiker schreef dat zo’n galg ‘heel snel kon worden gebouwd met het juiste plan en de juiste mensen die voorgezaagd materiaal meebrengen’. En: ‘Heeft iemand een bouwtekening voor een staande galg? Wie doet er mee?’ Een paar dagen later plaatst iemand een schema met de benodigde onderdelen. Iemand anders plaatst een instructie voor de beulsknoop.
Het enthousiasme lijkt mede geïnspireerd door The Turner Diaries, een roman uit 1978 die populair is bij rechtsextremisten en neonazi’s. Daarin komt een bestorming van het Capitool voor, en worden op de ‘Dag van het Touw’ massaal ‘verraders’ opgehangen. Na 6 januari maken extremisten ook zelf die vergelijking en wordt het boek in groten getale aangeschaft, tot Amazon stopt met de verkoop.
Dus daar kwam de strop vandaan.
Het Washington Field Office is de plek waar Shero, Churchill en Keefe werkten. Geen van drieën heeft ooit geantwoord op mijn vragen. Ik heb alleen een ‘geen commentaar’ gekregen van de algemene FBI-woordvoering, waar Shero nu werkt, als reactie op de vraag of er, nadat er in december iemand was gearresteerd voor het leggen van pijpbommen op 6 januari, misschien iets te zeggen was over de status van de strop.
Het is zo’n wit Washingtons kantoor, met een Amerikaanse vlag en een vlag van het ministerie van Justitie wapperend langs de muur. Voor de ingang staan twee politiewagens, met veel antennes op het dak. Als ik aanbel, komt FBI-agent Nelson Everett naar buiten en vraagt wat ik kom doen. ‘Ik kom mijn eigendom ophalen’, zeg ik, en leg de situatie uit. ‘Hebben jullie dat ding nog nodig?’
‘Ik weet vrijwel zeker dat al het onderzoek naar 6 januari is gestopt’, zegt hij. ‘We zijn er sinds de pardons niet meer in geïnteresseerd.’
Geen verrassing natuurlijk. Het eerste wat Trump deed, op de dag van zijn inauguratie, is een brede gratie verlenen aan alle veroordeelden van die dag, inclusief de Proud Boys, die tot 22 jaar cel hadden gekregen. Dan is het logisch dat ook het onderzoek wordt gestaakt. ‘Het heeft sommige agenten nogal gefrustreerd’, zegt hij. ‘Ik was hier op 6 januari, om de gebouwen te bewaken. Het was een crazy day. En nu is het alsof er niets is gebeurd.’
‘Maar dan kan ik de strop dus terugkrijgen?’, zeg ik.
‘Ik weet eerlijk gezegd echt niet waar dat ding kan zijn’, zegt hij, nogal een tegenvaller voor een organisatie die bekendstaat om haar bureaucratie. ‘Dan moet je contact opnemen met de agenten met wie je contact hebt gehad.’
Die antwoorden nergens op, zeg ik. Dat is de enige manier, zegt hij.
Dus de volgende dag zorg ik dat ik er om 8 uur ben, als de werkdag begint, en spreek ik iedereen aan die naar binnen gaat – special agent Churchill? Special agent Keefe? Met een veilige boog lopen ze om me heen. Na een kwartier komt er weer een agent naar buiten, en ik zeg wie ik zoek.
Over specifieke namen kan hij niets zeggen – hij geeft ook zijn eigen naam niet. Maar in het algemeen kan hij wel wat zeggen. ‘Ik wil niet te politiek klinken, maar sinds Trump president is geworden, zijn veel van de agenten vertrokken die waren betrokken bij het onderzoek naar 6 januari en de pogingen van Trump om de verkiezingen naar zijn hand te zetten. Niet eens overgeplaatst: ontslagen. En een kwart van alle mensen die hier nog werken, moet (migratiepolitiedienst, red.) ICE helpen met het zoeken naar illegalen.’
Sinds Trump in februari Kash Patel benoemde tot baas van de FBI is er een grote schoonmaak aan de gang. Patel, een liefhebber van complottheorieën, schreef in zijn boek Government Gangsters uit 2023 dat de FBI deel is van de ‘tirannie’ van de deep state. In zijn podcast beweerde hij drie jaar geleden dat de FBI-onderzoeken naar opstandelingen van 6 januari ‘politieke vervolgingen’ waren.
Een van de afdelingen die is opgedoekt is CR-15, het team dat de kern was van operatie Arctic Frost, dat de rol van Trump tijdens 6 januari onderzocht. Hoofdonderzoeker Jack Smith, die tien dagen voor de inauguratie van Trump opstapte, herhaalde deze maand tegenover het Congres zijn conclusie dat Trump strafbaar was.
En de strop? ‘Die kan overal zijn. Het is ook goed mogelijk dat we die altijd houden. Je weet nooit of het onderzoek wordt heropend.’
Wat er met de strop is gebeurd en of Churchill en Keefe werkelijk zijn weggestuurd, kan alleen Samantha Shero vertellen. Zij is de enige van mijn contactpersonen die zeker nog bij de FBI werkt. Als woordvoerder is zij zelfs gepromoveerd van het Washingtonse Field Office naar het hoofdkantoor een paar blokken verderop, een ongenaakbare brutalistische bunker met een soort betonnen slotgracht eromheen. Agenten laten hun honden aan geparkeerde vrachtauto’s snuffelen op explosieven.
Shero heeft, na dat eerste mailtje waarin ze de strop gretig accepteerde, nooit meer gereageerd. Aankloppen helpt niet: er komt een bewaker naar buiten die argwanend drie meter afstand houdt en een visitekaartje uit haar borstzakje vist, met daarop een contactadres waar niemand ooit antwoordt.
Ik rijd naar het adres dat ik van Churchill heb, even buiten Washington. Hij blijkt verhuisd. Telefoontjes beantwoordt hij niet. De strop is kwijt, en iedereen die ermee te maken had.
Als je nu naar het Capitool gaat, is er niets dat aan 6 januari herinnert. Toeristen maken hun kiekjes van het smetteloze gebouw alsof er niets is gebeurd, alsof hier niet een horde van tienduizenden mensen, aangespoord door de president zelf, een poging tot een soort machtsgreep heeft gedaan.
Mis je hier niets, vraag ik Josh McPherson, die met zijn vrouw poseert voor de kerstboom, op de plek waar vijf jaar geleden de massa in de aanval ging. Een gedenkteken, een herinnering?
‘Zeker niet! Het idee dat er een opstand was, is buiten alle proporties’, zegt hij. ‘Er is niets dat herinnerd hoeft te worden.’ En de doden en gewonden? De galg? ‘Wat Trump ook zei, die dag was vreedzaam’, zegt McPherson, een pastoor uit de staat Washington, nu in de hoofdstad omdat hij een van de ‘geloofsleiders’ is met wie Trump zich graag omringt. ‘Wat echt onder vuur ligt, is ons geloof. Dát moeten we verdedigen!’
Ik vraag het aan agent Morey van de Capitoolpolitie, die de kerstboom staat te bewaken. Is hier geen herdenkingsplaat voor hem en zijn collega’s? ‘Ja en nee’, zegt Morey. ‘Ja, er is een plaat, maar nee, die hangt er nog niet. ‘Trump en de Republikeinen houden het tegen.’
Het Congres stelde in 2022 een speciale wet op om een bronzen plakkaat te maken om de verdedigers van het Capitool te eren. Dat ding werd gemaakt, moest binnen een jaar worden opgehangen, maar ligt nu al drie jaar in de kelder van het gebouw, omdat de politieke wind al snel draaide. De Republikeinen heroverden de meerderheid en hielden het ophangen tegen, hoewel ook zij waren gered door de politie. Twee agenten spanden deze zomer een rechtszaak aan om het plakkaat opgehangen te krijgen.
Ze proberen de gebeurtenissen te vergeten’, zegt politieman Daniel Hodges, die in 2021 zwaargewond raakte bij de verdediging van het Capitool – hij werd met zijn hoofd klemgezet tussen de deuren. Hij werkt nog steeds bij de politie van Washington, komt net uit zijn nachtdienst, maar spreekt namens hemzelf. ‘Kijk, in het begin was dit plakkaat simpelweg bedoeld om mijn collega’s te eren die vochten, bloedden en stierven om het Capitool en iedereen daarbinnen te verdedigen. Nu gaat het om meer. Dit gaat om de waarheid. Het gaat om wat er die dag is gebeurd.’
Het witwassen en omdraaien van de geschiedenis heeft hem niet verbaasd – het was de kern van de Trump-campagne. Schuld werd onschuld, met de gratie aan de mannen die Hodges hadden aangevallen en 7 jaar cel hadden gekregen. ‘Thanks America’, twitterde Hodges op de dag dat dat gebeurde. ‘Dat was verschrikkelijk, maar niet verrassend’, zegt hij. ‘Ik vat het niet persoonlijk op. Het is politiek.’
Hodges voert de juridische strijd om het plakkaat samen met Harry Dunn van de Capitoolpolitie, maar het is een eenzame strijd. ‘Er zijn niet veel collega’s die erover praten. Voor de meesten was het gewoon hun werk, zij willen niet graag stilstaan bij de politieke gevolgen. En ik wil niet die persoon zijn die het er de hele tijd over heeft.’
‘De waarheid telt’, zei een paar dagen eerder ook Charles Lavine (78) tegen me, een Democratische volksvertegenwoordiger voor de staat New York, in het plaatsje Glen Cove op Long Island. ‘Het herschrijven van de geschiedenis schaadt altijd mensen.’
Hij heeft een wet ingediend die voorschrijft dat 6 januari in de geschiedenislessen van de scholen in zijn staat moet worden opgenomen. ‘Het was in eerste instantie symbolisch bedoeld’, zegt hij. ‘Om de gedachtevorming te stimuleren, dat de geschiedenis beschermd en gewaardeerd moet worden. Maar Trump en zijn handlangers zijn nu zo ernstig bezig dat die wet noodzakelijk is geworden.’
Hij geeft als voorbeeld de foto van de getekende rug van een uit slavernij ontsnapte zwarte man, die is verwijderd uit sommige nationale parken. ‘Dat is angstwekkend en walgelijk. Dit uitwissen van de geschiedenis komt rechtstreeks uit het handboek voor tirannen.’
Het National Museum of American History ligt net als de andere Smithsonian-musea op de Mall, het grote grasveld in Washington waar ook de opstandelingen zich verzamelden, niet ver van het Capitool, niet ver van het FBI-hoofdkantoor. Een betonnen pakhuis vol vooruitgangsgeloof uit het verleden. Buiten stromen de gele bussen leeg, het plein vult zich met de uitgelaten opwinding van een schoolreisje. Dit moeten alle kinderen van Amerika weten.
Het is een geweldig museum, in al zijn desoriënterende veelheid. Dertigduizend objecten zijn er te zien, in de magazijnen liggen er nog zo’n twee miljoen. Van de star-spangled banner uit 1812, een enorm doek dat een oorlog doorstond en de inspiratie was van het volkslied (een tikkie racistisch, zegt de gids), tot aan de zweep van Indiana Jones – hier ligt alles wat Amerikanen tot Amerika hebben gemaakt, de afgelopen 250 jaar.
Met politieke geschiedenis als kern.
Hier komen de buttons, petjes en vlaggetjes terecht die de medewerkers elke vier jaar verzamelen op de nationale partijconventies. Hier komen de protestborden van demonstraties terecht, die eeuwig om gerechtigheid vragen. Op 7 januari 2021 liep een medewerker in alle vroegte urenlang over het slagveld voor het Capitool om daar honderden overblijfselen op te pikken van de opstand, van Bijbelse vlaggen tot een kevlarvest.
Alleen zijn die nog nergens te zien. Als de strop hier al is gearriveerd, dan is die nog niet opgehangen.
Zelfs het papierwerk dat nodig is om het eigendom vast te leggen – zodat niemand ‘zijn’ rommel achteraf kan claimen – is nooit begonnen, zegt een voormalige medewerker. Volgens hem was het de bedoeling om enkele tientallen van de gevonden voorwerpen snel op te nemen in de permanente tentoonstelling, maar sloeg de vrees voor een ‘verkeerde’ interpretatie al snel toe. Zelfs online zijn de opstandsparafernalia niet vindbaar.
‘Amerikaanse Democratie: een grote sprong in het diepe’, staat er met gepaste trots bij de toegang tot dit deel van het museum, waar onder meer ‘burgerparticipatie en debat’ worden verkend, ‘van de vorming van de natie tot vandaag’. Maar van vandaag is niets te zien. De sprong op 6 januari was iets te diep.
In de vitrine met campagnegoodies hangen nog wel een klassiek Maga-petje en een ‘Joe’-button van de verkiezingen van 2020, maar daarna houdt de politieke geschiedenis op. Bij de protestborden door de decennia heen is geen ‘Stop the Steal’ of ‘Hang Mike Pence’ te zien – in die vitrine eindigt de tijd met Black Lives Matter. Het verleden stopt in het najaar van 2020.
Er is nog steeds discussie over die geschiedenis, zeggen ze bij het museum (zowel de curator als de registrar aan wie ik de strop had beloofd wil niet meer on the record praten). Welke taal moeten we gebruiken om te vertellen wat er is gebeurd? Hoe moet 6 januari om te beginnen worden genoemd? Een demonstratie? Rellen? Een opstand? Een aanval? Maar die keuze willen ze niet maken. We willen de mensen niet vertellen wat die van de geschiedenis moeten vinden, krijg ik van medewerkers te horen. ‘Zodra wij zeggen wat het is, wordt het een feit. En wij willen de mensen niet vertellen wat ze moeten denken van de geschiedenis.’
In zekere zin is het een compliment. De Amerikanen verwachten van hun nationale museum dat het woorden geeft aan de gebeurtenissen – als de semantische scherprechter. Maar het museum schrikt terug voor die rol. Het is niet aan ons om het verhaal te schrijven, zegt een anonieme medewerker. En al helemaal niet als het museum daardoor zelf onderdeel van het verhaal wordt.
Precies dat is gebeurd.
In maart verklaarde Trump via het presidentiële decreet ‘Herstel van Waarde en Gezond Verstand in de Amerikaanse Geschiedenis’ dat ‘we het Smithsonian weer op zijn juiste plek zullen zetten als symbool van inspiratie en Amerikaanse grootsheid (...) om trots te brengen in de harten van alle Amerikanen’. Ook moesten ‘ideologische indoctrinatie of polariserende verhaallijnen’ worden uitgebannen.
Het Witte Huis dreigt dat financiering alleen beschikbaar komt ‘voor gebruik op een wijze die in overeenstemming is’ met het decreet.
Dat heeft effect, en dat raakt meteen 6 januari. Want het enige dat in het museum te vinden is over die dag is te vinden onder het kopje ‘impeachment’ in de presidentiële galerie. Daar staan de twee afzettingsprocedures tegen Trump vermeld. De tweede impeachment was vanwege zijn verwoede pogingen illegaal president te blijven.
En juist daar zijn de woorden veranderd. In juli werd het bordje verwijderd, een maand later werd een nieuw bordje neergezet.
Daarop stond niet meer vermeld dat Trump ‘herhaaldelijk valse uitspraken’ had gedaan over de verkiezingsuitslag. Ook was uitgewist dat hij op 6 januari een toespraak had gehouden, hier een paar honderd meter vandaan, die ‘had aangemoedigd tot – en heel voorspelbaar had geresulteerd in – de onmiddellijke wetteloze actie bij het Capitool’.
Trump, die vijf jaar geleden nog riep dat zijn aanhangers moesten vechten en dat we de dag voor altijd moesten onthouden, wil nu dat we er niet meer aan worden herinnerd.
De mensen aan wie ik de strop had beloofd, durven er niet over te praten. De officiële reactie van het museum luidt dat het zich ‘inzet voor de nauwkeurige, feitelijke presentatie van de geschiedenis’. In de hoedanigheid van het ‘museum van de natie’ wil het met veel zorg ‘verzekeren dat wat we presenteren zowel intellectuele integriteit als doordacht ontwerp weerspiegelt’.
En dus is er niets te zien. Er is een open ruimte waar de strop prima in zou passen. Ooit kan het vacuüm worden gevuld.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant