Vanuit het buitenland klinkt lof, maar in Spanje staat premier Pedro Sánchez gammeler dan ooit. De sociaaldemocraat gaat het jaar uit met een gammele coalitie, corruptiezaken en een gevoelige verkiezingsnederlaag. Met gemor in eigen gelederen tot gevolg.
is correspondent Spanje, Portugal en Marokko van de Volkskrant. Hij woont in Madrid.
Zal Pedro Sánchez aan de kerstdis werkelijk hebben kunnen genieten van zijn gebraden speenvarken en zoete turrón-noga? Al sinds 2018 is de Spaanse premier aan de macht, een periode waarin hij uitgroeide tot de voornaamste sociaaldemocraat in de Europese Unie. Op de drempel van 2026 oogt die status echter wankeler dan ooit tevoren.
De nieuwste dreun kwam vorige week zondag. In Extremadura, een relatief arme regio in het oosten die decennialang bekendstond als een bastion van de sociaaldemocratie, leed de PSOE van Sánchez een veelbetekenend verlies. In een vervroegde verkiezingsronde kwam de partij niet verder dan 26 procent van de stemmen.
Dat is een levensgroot verschil met tweeënhalf jaar geleden. Destijds behaalde de PSOE in Extremadura 40 procent van de stemmen – en dat was al het slechtste resultaat voor de partij sinds de invoering van de democratie. Winnaar was beide keren de Partido Popular, de belangrijkste uitdager op rechts.
Hoewel de kring rond Sánchez naar buiten toe luchtig doet over het regionale verlies – ‘de premier stond zelf niet kandidaat’, aldus een bron tegen nieuwswebsite Eldiario.es – is het moeilijk om het debacle niet óók te lezen als een afrekening met zijn regering. Die rijgt zoveel crises aaneen dat zelfs de eigen PSOE-kiezers afhaken: de lagere opkomst dan normaal in Extremadura duidt erop dat velen zijn thuisgebleven.
Dat komt niet overeen met de reputatie die de premier in het buitenland lijkt te genieten. In de internationale pers wordt de 53-jarige Sánchez vaak juist neergezet als linkse hoop in bange dagen.
Als enige sociaaldemocraat aan het roer van een groot EU-land valt Sánchez op met zijn afwijkende koers. Lof krijgt hij voor zijn ambitieuze klimaatplannen en ferme stellingname tegen Israël. ‘Spanje is een voorbeeld voor de wereld’, kopte een groot opiniestuk in The New York Times in augustus over het ruimhartige beleid voor arbeidsmigranten. ‘Wat Spanje de rest van Europa kan leren’, prees The Economist eind vorig jaar de snelle groei van de economie.
Hoe anders is de toon in eigen land. Daar overheerst het chagrijn over de huidige staat van de regering. Zeker het laatste jaar heeft die meer gedoe dan beleid geproduceerd.
In de eerste plaats komt dat door de samenstelling van de regering die sinds november 2023 aan de knoppen zit, de derde onder leiding van Sánchez. Daarin is zijn PSOE verreweg de grootste partij, maar heeft die de (gedoog)steun nodig van een rariteitenkabinet aan andere partijen. De Catalaanse nationalisten, Baskische nationalisten en radicaal-linkse bewegingen in deze coalitie hebben slechts één ding gemeen: hun afkeer van het idee van een rechts en Spaans-nationalistisch landsbestuur.
Die afkeer is een slecht bindmiddel voor een coalitie gebleken. De voortdurende soap rond de staatsbegroting illustreert dit het best. Al drie jaar op rij slaagt de regering er niet in een nieuwe begroting door het parlement te loodsen. Het gevolg is dat de ministers nog steeds moeten werken met de begroting voor 2023. Ingrijpende beleidswijzigingen zijn praktisch onmogelijk.
Afgelopen oktober werd de Jenga-toren die Sánchez in 2023 bouwde nog gammeler. Een deel van de Catalaanse nationalisten, onder leiding van de naar België gevluchte Carles Puigdemont, besloot toen zijn steun aan de regering in te trekken. Met hun vertrek is Sánchez feitelijk zijn meerderheid kwijt. Formeel is de regering nog niet gevallen: de Catalanen zijn beducht om Spaans-rechts aan een meerderheid te helpen voor een motie van wantrouwen. Maar vleugellam is de overgebleven coalitie wel.
Daar komt bij dat de PSOE wordt geplaagd door een inmiddels imposante stapel van al dan niet steekhoudende corruptiezaken. Op kerstavond kon Sánchez een venijnige opsomming lezen bij nieuwswebsite El Español: ‘Zijn vrouw wordt onderzocht, zijn broer vervolgd, zijn hoogste aanklager is veroordeeld, zijn voormalig minister van Transport bevindt zich in een cel, en de man die tot juni de partijsecretaris van de PSOE was zit al een half jaar in de gevangenis voor het leiden van een corrupte samenzwering.’
De vervolging van zijn broer, David Sánchez, had directe invloed op de verkiezingen in Extremadura. Volgens de verdenking zou er in 2017 speciaal voor hem een positie zijn gecreëerd bij een overheidsinstantie in de regio. De rechter-commissaris stelt dat dit mogelijk gebeurde na bemiddeling van zijn broer, die toen al partijleider van de PSOE was.
Zeker wat betreft de verdenkingen tegen zijn naasten spreekt de huidige premier van een heksenjacht, georkestreerd door rechts om hem maximaal te beschadigen. Schade is er hoe dan ook. De corruptiezaken ontmoedigen kiezers om op de PSOE te stemmen en brengen de regering verder aan het wankelen. Zijn (gedoog)partners, bang om te worden besmet, nemen steeds meer afstand van Sánchez.
Onvermijdelijk begint het nu ook binnen zijn eigen partij te borrelen. Jordi Sevilla, PSOE-minister tussen 2004 en 2007, kondigde dinsdag aan dat hij met een ‘manifest’ komt dat de aanzet moet zijn voor een koerswijziging. Volgens Sevilla is de partij te veel naar links opgeschoven. Die kritiek wordt al langer, en bij elke gelegenheid, gespuid door Emiliano García Page, de invloedrijke president van de regio Castilië-La Mancha.
Zo strompelt de Spaanse regering, zo geroemd over de grens, naar het einde van 2025. En zal Sánchez hopen dat hij de paasbrunch haalt.
Luister hieronder naar onze nieuwspodcast ‘de Volkskrant Elke Dag’. Al onze podcasts vind je op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant