Home

Links zijn was niet alleen mode, het was een moreel gebod voor de generatie van Frank Westerman

In zijn nieuwe boek legt Frank Westerman niet alleen zijn eigen, linkse engagement op de snijtafel, maar portretteert hij ook zijn generatie, die mooie idealen over ontwikkelingshulp tot voorbij hun houdbaarheid is blijven koesteren.

schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.

‘Wie door een links prisma keek, zag de wereld jaloersmakend helder.’
Schrijver Frank Westerman (1964) spreekt uit ervaring. Hij studeerde tropische cultuurtechniek in Wageningen, en in Wageningen was elke student bijna per definitie links. Elke misstand in elk land waar Europeanen ooit de baas waren geweest, was het gevolg van het kolonialisme, ook als de nieuwe machthebbers ervoor hadden getekend. ‘Kolonialisme was de stam waarop de actualiteit was geënt.’

De vroegere koloniale machten – thans donorlanden – hadden het recht verspeeld om eisen te stellen aan de ontvanger, of om zelfs maar kritiek op hem te hebben. Negen mislukte irrigatieprojecten waren geen beletsel voor het tiende. Latijns-Amerikaanse guerrillastrijders genoten het voordeel van de twijfel, zelfs als terreur hun voornaamste strijdmiddel was.

Moreel gebod

Als Wagenings student en kortstondig ontwikkelingswerker behoorde Westerman naar eigen zeggen tot de naïevelingen die meenden dat links in bijna elke verschijningsvorm een weldaad voor de mensheid was. Waaraan hij toevoegt dat hij naïef was in commissie. Want links was niet alleen mode, het was een moreel gebod.

Over zijn ontworsteling aan dat gegeven heeft Westerman een boek geschreven, feitelijk een bundel van nieuwe en eerder verschenen artikelen: Hotel De Wereld. De titel verwijst naar het gelijknamige hotel in Wageningen – bekend van de capitulatie van de Duitse Wehrmacht in 1945 – waar Westerman voorafgaand aan zijn eerste reis naar de tropen tegen gele koorts was gevaccineerd.

De titel verwijst ook naar een hotel De Wereld in het Surinaamse polderdorp Wageningen waar de landbouwuniversiteit (destijds nog een hogeschool) in de jaren vijftig van de vorige eeuw een agrarische proeftuin vestigde, waar tweemaal per jaar grote hoeveelheden rijst – met namen als Paradijs en Ceysvoni – werden geoogst.

De bloei van het Surinaamse Wageningen kwam niet alleen tot uiting in de overvloedige rijstoogsten, maar ook in de voorzieningen voor de – overwegend Surinaamse – bewoners; door de firma Bruynzeel geconstrueerde woningen, twee fraaie kerken, een carillon, een ziekenboeg, een sporthal, een bioscoop en twee zwembaden.

Ofwel: ‘Een prachtig Nederlands dorp, met aangeharkte tuinen’ – in de omschrijving van een vroegere bewoner. ‘Als ik terugdenk, word ik emotioneel’, zegt een ander. ‘Alles is verloederd. Het is om te huilen.’

‘Koloniale nostalgie’

Tijdens een recent bezoek aan Suriname stelde Westerman vast dat ’s lands onafhankelijkheid de nederzetting inderdaad geen goed heeft gedaan. ‘Ik zie een loods met ingezakte dakspanten waar geboomte boven uitsteekt, met luchtwortels als dreadlocks. Al meer dan een kwarteeuw is de centrale werkplaats een kerkhof van rijstcombines, tractoren en speedboten.’ Het bassin van buitenbad Mamio staat droog – ‘op wat bruine drab na’. ‘Uit verschillende monden’ tekende Westerman de roep om terugkeer van de Hollanders op. ‘Liever vandaag dan morgen.’

Aan de landbouwuniversiteit is deze ‘koloniale nostalgie’ niet besteed. Als zij zich ooit weer over haar ‘zieltogende tropenkind’ mocht ontfermen, zal dat met een vertoon van boetvaardigheid gepaard gaan, want het ‘Wageningen-project (was) bij uitstek koloniaal van aard’, aldus de huishistoricus van de universiteit.

Sterker: het was ‘een manifestatie van koloniaal geweld’ – hoe zoet de herinneringen van Surinamers aan deze episode ook zijn. ‘Kennelijk roept de nostalgie naar de koloniale tijd zoveel ongemak op bij onderzoekers en politici dat zij het liever niet onder ogen willen zien’, schrijft Westerman. Daarmee lijken ze vooral hun eigen deugdzaamheid te willen etaleren. De belangen van de voormalige kolonie zijn er in elk geval niet mee gediend.

Westerman trekt die conclusie na een leven werkzaam in de journalistiek waarin hij zijn eigen engagement op de snijtafel heeft gelegd. Zijn keuze voor een ander vak dan dat waarvoor hij was opgeleid, was het bijna onontkoombare gevolg van de ontgoocheling waaraan hij als ontwikkelingswerker ten prooi viel. ‘Waarom was ik hier?’, vroeg hij zich na een vruchteloos verblijf op Jamaica af.

Heldenstatus voor Daniel Ortega

Knapte Peru nu echt zo op van de 88 ngo’s die alleen al in de stad Puno waren gevestigd? Getuigden al die projecten met ‘een lage beklijving’ niet van de overbodigheid van de tachtigduizend westerse weldoeners die in de jaren tachtig werkzaam waren op het Afrikaanse continent? En genoten Zuid-Amerikaanse ‘anti-imperialisten’ onder progressieve westerlingen niet meer achting dan hun toekwam?

Westerman zelf worstelt met het feit dat hij Daniel Ortega nog een heldenstatus toedichtte toen die zich reeds als dictator van Nicaragua had ontpopt. Daarin onderscheidde Westerman zich weliswaar niet van Emile Fallaux, die Nicaragua in zijn ‘videobrieven’ voor de VPRO verheerlijkte, of van Salman Rushdie, die ‘de wilskracht en integriteit’ van het regime roemde, maar toch: ‘Hoe kon ik – hoe kon een solidaire, bij de derde wereld betrokken generatie – een potentaat hebben aangezien voor een verzetsheld?’

Westerman kan gerust zijn: in vergelijking met veel generatiegenoten trad bij hem de ontnuchtering nog betrekkelijk snel in. En hij wist al vroeg dat de rekruten van de Peruaanse bevrijdingsbeweging Lichtend Pad geen weldoeners waren, maar terroristen. Hotel de Wereld leest dan ook niet als schuldbekentenis, maar als het portret van een generatie die mooie idealen ook na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum is blijven koesteren. Simpelweg omdat ze zo mooi leken.

Frank Westerman: Hotel De Wereld – ‘Wageningen, Suriname’ en andere postkoloniale tragedies. Querido Fosfor; 283 pagina’s; € 22,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next