In moderne ogen is Cicero onuitstaanbaarder dan al zijn tijdgenoten. Dat komt ook doordat we van niemand anders zo véél kunnen teruglezen. En nu nóg meer: zeven vertalers hebben (bijna) al Cicero’s brieven in het Nederlands vertaald. Godvergeten mooi.
is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant.
Stel, Pieter Omtzigt zou vandaag achter zijn laptop gaan zitten en vooraanstaand regisseur Joram Lürsen mailen:
‘Geachte heer Lürsen, met veel genoegen heb ik vorig jaar uw dramaserie De toeslagenaffaire gezien, waarin ikzelf figureer op archiefbeeld (zij het slechts in enkele fragmenten). Na lang aarzelen deel ik met u een gedachte die mij sindsdien niet meer loslaat.
Zou het geen goed idee zijn als u ook uw volgende project aan deze netelige kwestie zou wijden, maar dan met de nadruk op míjn rol in het geheel? Die rol zou u ook best wat dikker mogen aanzetten, zodat u mij, zogezegd, als redder des vaderlands ten tonele voert, en het aandeel van mijn medestanders waar nodig uitvlakt. De vrijheid van de kunstenaar, nietwaar? Ik hoor graag of dit in uw plannen past.
Met vriendelijke groet, Pieter Omtzigt.’
Ondenkbaar, natuurlijk, en nogal out of character voor Omtzigt.
Maar ruim tweeduizend jaar geleden had Marcus Tullius Cicero – Romeins staatsman, schrijver, filosoof – weinig last van zulke bescheidenheid. Hij schrééf zo’n brief, aan een vooraanstaand historicus, veel wijdlopiger dan bovenstaande pastiche, en nog minder beschroomd.
In het epistel uit 56 v.Chr., Cicero was in zijn nadagen, vroeg hij deze Lucius Lucceius om zijn naam niet alleen ‘luister en roem’ te brengen in zijn algemene geschiedwerk, zoals de schrijver toch al van plan was; daarnaar had Cicero namelijk al meermaals bij hem geïnformeerd.
Kon de beste man niet ook een apart werkje wijden aan Cicero’s politieke verdiensten, en dan ‘nog enthousiaster zijn in je loftuitingen dan je je misschien in werkelijkheid voelt’?
De politicus zou uiteraard ook zijn eigen lof kunnen zingen, maar zo’n autobiografie is toch minder gezaghebbend. En dit is toch een prachtidee?
Zeven jaar eerder had Cicero als consul de staatsgreep van ene Catilina verijdeld. Daarmee had hij hoogstpersoonlijk de Romeinse republiek van de ondergang gered, meende Cicero zelf. En dat bleef hij herhalen zo vaak hij kon.
In 49 v.Chr. – Julius Caesar was net de Rubicon overgestoken – schrijft Cicero aan een collega over zijn actie: ‘Iedereen heeft zijn vrijheid aan mij te danken.’
Nog vijf jaar later verwijst hij, in een brief aan zijn goede vriend Atticus, naar Catilina’s verijdelde staatsgreep als ‘mijn gloriedag’. In de tussentijd was Caesar al dictator geweest én vermoord.
Geen wonder dat de reputatie van Cicero een knauw kreeg toen zijn persoonlijke brieven na eeuwen weer opdoken uit bijna vergeten archieven. Na een spectaculaire vondst in Verona raakte de 14de-eeuwse humanist Francesco Petrarca diep teleurgesteld: was dit nu zijn literaire idool, zo zwak van karakter, zo menselijk?
Hij bleef maar jammeren over zijn geliefde republiek toen die allang in gruzelementen lag. Kon maar niet kiezen tussen Caesar en zijn aartsvijand Pompeius. Kwam na maanden wikken en wegen tóch in het kamp van de verliezer terecht. En hield dus maar niet op over zijn eigen heldendaad.
Waar was de gewiekste, geestige, vileine Cicero gebleven uit de vermaarde politieke speeches, de juridische pleidooien?
Op Cicero’s brieven aan vrienden, collega’s en verwanten – honderden in totaal, waarin we zijn leven soms van dag tot dag kunnen volgen – werd hij ook in latere eeuwen steeds weer afgerekend.
Berucht is het oordeel van de 19de-eeuwse Duitse historicus Theodor Mommsen, die hem afdeed als een politicus ‘ohne Einsicht, Ansicht und Absicht’.
Nu heeft uitgeverij Van Oorschot maar liefst zeven vertalers bereid gevonden om al Cicero’s brieven in het Nederlands te vertalen – voor het eerst, een project van jaren. Ik en Rome is een luxe-editie geworden, ruim twaalfhonderd pagina’s dik en voorzien van een chique cassette. Kosten noch moeite lijken gespaard.
Niet gek, voor de Romein everyone loved to hate.
Sinds de 19de eeuw is Cicero’s reputatie er dan ook flink op vooruitgegaan. Hij heeft zelfs een eigen bestsellertrilogie (2006-2015), waarvoor thrillerschrijver Robert Harris uitvoerig putte uit de brieven. Idolen hoeven allang niet meer onfeilbaar te zijn, tekenen van menselijkheid zijn een pre geworden, en waar vind je die? Juist in egodocumenten.
Nergens komt Cicero ons zo nabij als na de dood van zijn enige dochter Tullia. In volledige afzondering (op een van zijn vele landgoederen) geeft hij zich over aan een allesverzengende rouw, tot onbegrip van sommige heren in Rome. ‘Ik heb geen idee wat men afkeurt of van mij verlangt’, schrijft hij verontwaardigd. ‘Dat ik niet bedroefd ben? Hoe zou dat kunnen?’
Maandenlang begraaft hij zich in lees- en schrijfwerk, ‘niet om er ook maar iets beter van te worden, maar ik word dan afgeleid – niet genoeg natuurlijk; de pijn is overweldigend – maar toch word ik wat rustiger. Ik doe wat ik kan, niet eens om mijn vroegere gemoedstoestand te herstellen, maar om zo mogelijk alleen al mijn gelaatsuitdrukking te hervinden.’
Nog steeds is Cicero bij vlagen onuitstaanbaar in moderne ogen, onuitstaanbaarder dan al zijn tijdgenoten. Maar dat komt ook doordat we van geen enkele andere Romein – of Griek, of wie dan ook uit de oudheid – zo véél kunnen teruglezen.
Bovendien leefde Cicero in een tijd van grote onrust, van burgeroorlogen en staatsgrepen. Wat ons voorkomt als geslijm of ijdeltuiterij, was simpelweg zijn manier om zich staande te houden in een samenleving waarin je netwerk, loyaliteit en goede relaties alles bepaalden. En al helemaal voor Cicero, een homo novus of selfmade man, die dat netwerk helemaal op eigen kracht had moeten opbouwen.
Cicero: hoe zat het ook alweer precies?
Marcus Tullius Cicero had zich als gewone jongen uit een welgestelde maar politiek onbeduidende familie helemaal opgewerkt tot consul – het hoogste ambt in de Romeinse republiek – en in dat gloriejaar, 63 v.Chr., had hij volgens zichzelf dus ook nog eens de republiek van de ondergang gered.
Daarop volgden onstuimige jaren. Cicero moest zelfs een tijd in ballingschap om uit handen te blijven van een populistische rivaal die het op hem had voorzien. Op den duur kon hij veilig terug naar Rome, maar in 51 v.Chr. moest hij de stad tot zijn spijt opnieuw verlaten voor een gouverneurschap in het huidige zuidoosten van Turkije. Tegen de tijd dat zijn ambtsjaar om was, stond Caesar op het punt een burgeroorlog te ontketenen.
Juist de brieven uit die periode zijn verrukkelijk; vooral als Cicero niet in Rome is, krijgen we alle politieke ins en outs te lezen. Wanneer hij thuis is, bespreekt hij die immers bij wijze van spreken gewoon aan de keukentafel.
De opkomst van Caesar maakt hem somber en angstig, al laat hij daar in kruiperige briefjes aan de grote veldheer niets van blijken. Je struikelt over frasen als ‘gezien je bewonderenswaardige en uitzonderlijke wijsheid’ en ‘ziehier hoezeer ik ervan overtuigd ben dat jij mijn alter ego bent’. En ook tegen Caesars vijand Pompeius is hij een en al hoffelijkheid, zoals de conventie voorschreef.
In brieven aan zijn vriend Atticus is Cicero, zoals altijd, minder voorzichtig. Als het erop aankomt, blijkt Pompeius een besluiteloze nietsnut, en Caesar een gevaarlijke gek. Iedereen zucht unaniem over de situatie, maar niemand doet er iets aan.
‘We hebben er niets meer op tegen dat we onze vrijheid verliezen. Nee, we zijn bang voor de dood of voor verbanning alsof die erger zijn, terwijl ze juist veel minder erg zijn.’
En het allerergste is: het was allemaal te voorkomen geweest. ‘We hadden ons tegen hem moeten verzetten toen hij nog zwak was, en dat had best gekund.’ Nu heeft Caesar een enorm leger en overal aanhangers, en rest slechts de keuze tussen twee kwaden: ‘‘Beter oorlog dan slavernij’, zeg jij. Oorlog waartoe? Om vogelvrij verklaard te worden als je verliest, en als je wint evengoed slaaf?’
Het was overigens helemaal niet Cicero’s bedoeling om zijn brieven aan de wereld prijs te geven. Niet in deze vorm, althans. Tegen het eind van zijn leven schrijft hij aan Atticus wel iets over mogelijke publicatie, maar pas na grondige selectie en redactie, en daar is het niet meer van gekomen. De brieven zijn na Cicero’s dood door anderen gerangschikt en verspreid.
Hoe de gekuiste versie eruit had kunnen zien, lezen we bij Plinius de Jongere, tevens groot Cicero-fan, die een ruime eeuw later leefde. Ook zijn correspondentie is dit jaar vertaald, onder de titel Voor altijd. De zogenaamd lukraak bij elkaar geveegde brieven blijken nauwkeurig geordend en puntgaaf, prettig variërend in lengte en onderwerpkeuze.
Plinius’ beroemdste brief begint met een opmerking in de trant van: goh, Tacitus, in je laatste brief vraag je me naar de laatste uren van mijn oom voordat de Vesuvius uitbarstte en hij tragisch aan zijn eind kwam. Daar zal ik je eens over vertellen.’ Tijdens het lezen snap je al snel: dit zijn geen authentieke brieven, dit is een literaire compositie waarmee de auteur zich wil verzekeren van eeuwige roem.
In vergelijking daarmee heeft Ik en Rome een aangenaam oprecht, soms bijna rommelig karakter. Er zijn overduidelijke lacunes; er moeten nog honderden, duizenden brieven en briefjes verloren zijn gegaan. Cicero herhaalt zichzelf, verwijst voortdurend naar zaken, kwesties, personen die voor moderne lezers onmogelijk te achterhalen zijn, al zijn de aantekeningen bij elke brief zeer behulpzaam.
Wat ook helpt, is dat alle brieven op chronologische volgorde staan – die aan Atticus, maar ook die aan Caesar, Cicero’s vrouw Terentia en allerlei andere geadresseerden. (In de meeste edities zijn die gescheiden.) Zo is dat uitzonderlijke leven in die krankzinnig turbulente tijd heel nauwkeurig te volgen.
En zo stevenen we vanzelf af op die beruchte 15 maart 44 v.Chr. De idus van maart. Julius Caesar is dan al vier jaar alleenheerser. Die dag loopt hij de senaat binnen, onbekommerd, en wordt daar door een groep senatoren met 23 messteken vermoord.
Cicero was geen deel van het complot, maar verheugt zich in zijn brieven over de uitkomst. Zou nu dan eindelijk zijn geliefde republiek terugkeren? IJdele hoop. Caesars dood is slechts de opmaat tot nieuwe spanningen, andere coalities, nog meer oorlog. En uiteindelijk: de geboorte van een imperialistisch keizerrijk dat vijftien eeuwen stand zou houden.
De tiran is dood, leve de tirannie. Of, zoals Cicero een paar maanden na de moord aan Atticus schrijft: ‘De boom is omgehakt, maar niet uit de grond getrokken. Je ziet nu hoe hij weer uitloopt.’
Cicero wilde de republiek verdedigen met de wapens die hij kende: argumentatie, welsprekendheid, diplomatie. Alleen bleken de regels van het spel veranderd; met geweld en harde propaganda legde een nieuw slag politici zijn wil op.
Het is verleidelijk om Cicero naar het heden te trekken. We staan misschien niet aan de vooravond van een burgeroorlog, maar helemaal gerust zijn we toch ook niet meer op de staat van onze democratie. Ook hier kan het vroeg of laat écht misgaan.
Wie zou dan de Cicero van Nederland zijn? Pieter Omtzigt dus toch maar niet. Ronald Plasterk misschien, als roepende vanaf de zijlijn? Of eerder iemand als Johan Remkes, die mag komen opdraven als het openbaar bestuur weer eens vastloopt? En, al net zo’n verleidelijke vraag: valt er van die ouwe Romein nog iets te leren?
Het probleem met zulke vergelijkingen is natuurlijk dat ze altijd mank gaan. Cicero’s wereld verschilde te veel van de onze (slavernij was, om maar iets te noemen, voor hem volslagen vanzelfsprekend, en vrouwen zaten meestal thuis). In Cicero’s opmerkingen over de gevaren van tirannie lezen we hooguit echo’s van wat we zelf waarschijnlijk ook al eens hadden bedacht.
Wel biedt het troost dat iemand die ruim tweeduizend jaar geleden leefde, net zo kon tobben over zichzelf en de wereld, net zo kon blunderen en schipperen als wij doen in het hier en nu. En dat die daar zo godvergeten mooi over kon schrijven.
Cicero: Ik en Rome. Uit het Latijn vertaald door Jan Bloemendal, Daan den Hengst, Vincent Hunink, Jip Lemmens, John Nagelkerken, Ramon Selles en Rogier van der Wal. Onder redactie van Piet Gerbrandy en Daan den Hengst. Van Oorschot; 1.216 pagina’s; € 99.
Plinius de Jongere: Voor altijd − Een zelfportret in brieven. Uit het Latijn vertaald door Vincent Hunink. Athenaeum; 448 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant