Het olympisch kwalificatietoernooi in Thialf begon vrijdagmiddag meteen met drama: favoriet Jutta Leerdam ging onderuit op de 1.000 meter en is nu afhankelijk van de selectiecommissie.
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
De stem van Jutta Leerdam trilt niet vaak, maar vrijdagmiddag in Thialf, kort na de opening van een van de belangrijkste twee schaatstoernooien van dit seizoen, is het onvermijdelijk. Dit is de afstand waar ik het beste in ben, waar ik heel goed op ga, zegt ze met korte ademteugen, terwijl ze ongemerkt met haar onrustige vingers haar schaatsbeschermer uit elkaar friemelt.
Er is een grote reden waarom Leerdam (26) schaatst: olympisch succes op de 1.000 meter. Het is de afstand waarop ze haar grootste successen behaalde, waarop ze vier jaar geleden olympisch zilver bemachtigde. Misschien is dit wel het laatste seizoen dat Leerdam nog schaatst, zo hintte haar bekende Amerikaanse verloofde Jake Paul al eens in zijn documentaireserie op Netflix.
De 1.000 meter is ook de afstand waar ze voorafgaand aan het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) zin in had, zo vertelt Leerdam met bedrukt gezicht. In tegenstelling tot het gros van haar Nederlandse concurrenten die deze selectiewedstrijd, verspreid over vijf dagen, vrezen. Er is zo veel te verliezen, er zijn zo weinig olympische startbewijzen.
Kort daarvoor was het in rit acht misgegaan. Leerdam startte in de binnenbaan, opende snel: 17,6 over 200 meter is een van haar beste openingen. Maar kort daarna dacht ze ineens: ‘Wat gebeurt hier?’, terwijl ze vlak na het ingaan van de binnenbocht onderuit gleed, de boarding in. ‘Het leek wel of ik ergens op stond, alsof er iets op het ijs lag, of dat ik een botte plek heb op mijn schaats. Ik gleed gewoon weg.’
De consequenties zijn groot: geen eindtijd, geen winst, geen simpele kwalificatie voor de Olympische Spelen, maar een rol in de wachtkamer. Haar lot is in handen van de driekoppige selectiecommissie van schaatsbond KNSB, die pas na het toernooi uitspraak doet. En dat maakt Leerdam zo emotioneel: ‘Ik vind het zo lastig om de controle uit handen te geven’, zegt ze als ze kort daarna eenzaam op een trap wacht tot haar familie bij haar is. Het risico van een valpartij kwam vooraf nooit bij haar op. ‘Als ik normaal had gedaan, had ik hier gewonnen. Dit is het allervervelendste moment, dat dit gebeurt.’
Er zijn drie aanwijsplekken beschikbaar voor calamiteiten. Nederland kan in totaal negen schaatsers bij de vrouwen en negen bij de mannen afvaardigen naar Milaan. ‘Ik hoop wel dat ze me aanwijzen. Ik hoor echt op de Spelen. Ik wil heel graag die medaille binnenhalen voor Nederland.’
Ze haalt haar resultaten van eerder dit seizoen aan: twee wereldbekerzeges. Maar zo dominant als ze in 2021 en 2022 op de 1.000 meter was, toen ze nagenoeg alles won, is ze niet meer. ‘Het is de afstand waarop ik steeds beter rijd. Ik voelde me zo goed, ik rijd zo goed, en ik val bijna nooit in een wedstrijd. Dit wil je niet.’
De winnende tijd van Femke Kok van 1.14,08 is langzamer dan de tijd die Leerdam verwachtte te rijden. ‘Ik heb hier een keer of 25 in de 1.13 gereden en voel me beter dan de afgelopen twee jaar.’
De opgeluchte winnares van de 1.000 meter – ‘dit gaf zo veel stress’ – verwacht dat Leerdam wordt aangewezen. Waar bij Leerdam de onzekerheid over die aanwijsplek doorklinkt, is Kok zeker: ‘Dit gun je niemand. Maar zij heeft twee world cups gewonnen en de afgelopen jaren bewezen dat ze tot de top behoort. Zij verdient dat respect.’ In haar kielzog plaatste ook Suzanne Schulting zich – waarschijnlijk – voor de olympische 1.000 meter, in 1.14,71.
Voor Leerdam resten ondertussen nog twee kansen om zich te laten zien, al is het op afstanden die voor haar minder prioriteit hebben: de 500 en de 1.500 meter. ‘Ik weet niet hoe mijn lichaam eraan toe is’, zegt ze over haar klap in de boarding. ‘Maar ik ga er opnieuw voor op de 500 meter en ga alles geven.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant