Vele duizenden artikelen en andere publicaties produceren Nederlandse wetenschappers ieder jaar. Nu het jaarlijstjestijd is, ging de Volkskrant op zoek naar de onderzoeken die in 2025 het meest aansloegen: van overgewicht tot de stoïcijnen.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
U doet het elke dag, vrijwel voortdurend, misschien zelfs terwijl u dit leest. U verneemt iets wat u verbaast – en hup, omhoog gaan uw wenkbrauwen. Of misschien juist omlaag.
Uit de pakweg honderd Nederlandse best scorende onderzoeken van dit jaar – verderop leest u hoe we te werk gingen – kozen we er 25. Daarna deden we een kleine enquête op de redactie: welk onderzoek lijkt ons het interessantst? Om meer over te lezen, of over te schrijven?
Zo kwamen we uit in Nijmegen, bij Judith Holler en collega’s van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek. In maart publiceerden die een opvallende ontdekking: mensen seinen naar elkaar met hun wenkbrauwen als ze iets niet snappen.
Mevrouw Holler, dat wisten we toch zeker allang?
‘Bekend is al heel lang dat we onze wenkbrauwen gebruiken om emoties uit te drukken, zoals agressie of angst. Maar in een gewone conversatie is dat anders. Ik vind het fascinerend dat de betekenis van wenkbrauwbewegingen dan kan veranderen. Als iemand op straat met gefronste wenkbrauwen op mij afkomt, word ik bang, want het straalt boosheid uit. Maar in een normaal gesprek fronsen mensen voortdurend. Als signaal, dat iets niet duidelijk is.’
Fronsen betekent in een gesprek iets anders dan de wenkbrauwen optrekken, ontdekte u.
‘Met fronsen geef je vooral aan dat je alles wat er gezegd wordt begrijpt, behalve iets specifieks. Wie bedoel je? Waar, zei je? De wenkbrauwen optrekken geeft aan dat je iets helemaal niet snapt: wat zeg je? Of dat je bevestiging zoekt: je bedoelt John?
‘Die bewegingen vormen een subtiele code, waarvan we ons niet bewust zijn. Ze zetten kleine reparaties van het gesprek in gang, omdat je ermee aangeeft wat je niet begrijpt.’
Uw onderzoek valt ook bij vakgenoten in de smaak. Uw paper, in vakblad Royal Society Open Science, zit in de hoogste tiende procent van uw vakgebied. Waarom, denkt u?
‘Waarschijnlijk omdat veel mensen dit intuïtief herkennen. Maar ik denk dat ook onze onderzoeksmethode de aandacht trekt. We combineren een studie waarbij we natuurlijke conversaties filmden, met een onderzoek waarbij we vrijwilligers lieten praten met een avatar, een animatie van een gezicht.’
Hoe doet u dat eigenlijk, een natuurlijk gesprek filmen?
‘We nodigen vrienden twee aan twee uit in ons lab, en zeggen: praat maar waarover je wilt. Dat is even ongemakkelijk, maar daarna krijg je een normaal, natuurlijk gesprek. Over van alles en nog wat. Soms hebben ze het zelfs over ons.
‘Fascinerend, wat er dan allemaal gebeurt. Veel onderzoekers bestuderen wát we tegen elkaar zeggen tijdens een gesprek. Maar het lichaam, de gebaren die we maken, ons gezicht: ook dat is een belangrijk onderdeel van de conversatie.’
In de media bleef Hollers onderzoek overigens onopgemerkt. Dat is ergens begrijpelijk: volgens onderzoeksdatabank Web of Science verschenen er dit jaar alleen al liefst 58.306 academische onderzoeken met een Nederlandse deelname. Meer dan honderdvijftig per dag!
Als eerbetoon aan al die onopgemerkte, anonieme onderzoeken van eigen bodem besloten we in de databanken te speuren: is er iets te zeggen over welk Nederlands onderzoek van afgelopen jaar nu het béste was? Welke publicaties werden onder vakgenoten het hoogst gewaardeerd?
Een absoluut antwoord levert dat niet op, dat zeggen we er direct bij. Er zijn meerdere manieren om wetenschappelijk succes te toetsen en elke meetlat heeft voor- en nadelen. Bovendien is de ene tak van wetenschap de andere niet. Hoe vergelijk je, zeg, een geschiedkundig boek met een veelgeciteerde medische ontdekking in een vakblad?
Maar met wat kunst- en vliegwerk enkele van de opvallendste uitschieters benoemen, dat lukt best aardig. Meestal tot verrassing van de auteurs zelf, overigens. ‘Met deze e-mail ben ik al vereerd’, reageert een van hen, Marijn Janssen van de TU Delft. ‘Ik was verbijsterd’, zegt een ander, filosoof Aistė Čelkytė.
Enfin: we worden dus écht steeds dikker. In 2021 telde de planeet naar schatting 1 miljard mannen en 1,1 miljard vrouwen met overgewicht en obesitas. De meesten van hen wonen in China (402 miljoen), India (180 miljoen) en de VS (172 miljoen). Maar let wel: het hoogste percentage te zware mensen vind je in Oceanië, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar heeft tot wel meer dan 80 procent overgewicht.
Ziedaar het meestgeciteerde onderzoek van Nederlandse bodem dat dit jaar verscheen. Hoewel het artikel pas in maart in artsenblad The Lancet stond, hebben vakgenoten er nu al zo’n driehonderd keer naar verwezen in hun eigen onderzoeken. Ongekend veel, als je bedenkt dat het in de wetenschap doorgaans al snel járen duurt voordat een onderzoek eindelijk uitmondt in een officiële publicatie.
Maar om het obesitasonderzoek nu te verwelkomen als het meest geslaagde Nederlandse onderzoek van dit jaar, daarop valt wat af te dingen. Het onderzoek is een typisch voorbeeld van onderzoek anno 2025: uitgevoerd door een enorm internationaal consortium, van in totaal liefst 1.084 onderzoekers, uit tweehonderd landen. Je moet hard zoeken om daartussen de vier deelnemende Nederlanders – uit Maastricht, Utrecht en Rotterdam – te vinden.
Dat maakt de Nederlandse bijdrage natuurlijk niet minder belangrijk, mailt een van hen, de Utrechtse radioloog Netanja Harlianto desgevraagd. ‘Omdat voor deze schattingen data van verschillende bronnen worden gebruikt en uit verschillende landen, is er een grote verantwoordelijkheid dit zo accuraat mogelijk te hebben.’ Al sinds 2019 is Harlianto betrokken bij het bredere, internationale project, het vanuit de VS geleide megaproject Global Burden of Disease.
Boeiende en verontrustende kennis levert het wel op. Als er niks verandert aan onze leefgewoonten, constateert het onderzoek, zal de wereld in 2050 ongeveer 3,8 miljard volwassenen met overgewicht of obesitas tellen. Dat is tegen die tijd meer dan de helft van de wereldbevolking. Vooral in Afrika zal het aandeel te zware mensen exploderen.
Verstandiger dus om iets dieper te zoeken: welke publicatie werd enthousiast ontvangen én heeft als correspondentieadres een Nederlandse universiteit, een teken dat het echt om een product van Hollandse makelij gaat? Zo komen we uit bij moleculair bioloog Madelon Maurice van het UMC Utrecht en onderzoeksinstituut Oncode. En bij het het stand-van-zakenartikel dat ze in januari samen met een Canadese collega publiceerde in Nature Reviews Molecular Cell Biology.
Pas op! Dit is hogere levenswetenschap. Een wereld die zich afspeelt diep binnen in onze cellen en waarvan gewone stervelingen nauwelijks benul hebben. Een wereld waar de hoofdrolspelers namen hebben als ‘caseïne-kinase 1-alfa’ en ‘ER-resident O-acyltransferase’. Lees even een zin mee, liefst hardop: ‘De bijbehorende kinases fosforyleren de cytosolaire staart van LRP5/6, waardoor er extra bindingslocaties voor AXIN1 ontstaan en GSK3α/β wordt geremd.’
Tovertaal. Maar ingewijden zijn verrukt: al dertienduizend keer werd haar artikel gedownload, 61 keer werd het geciteerd. Het gaat dan ook wel ergens over. Het ‘Wnt–β-catenine signaalpad’ is een cruciaal systeem waarmee cellen weefsels onderhouden en repareren. Én gauw weer uitzetten, want bij storingen kan kanker ontstaan. In haar artikel zetten Maurice en haar collega in vogelvlucht op een rij wat er bekend is over de Wnt-route.
‘Het onderzoek gaat snel, dus beschrijven we de highlights van de nieuwste mechanismen’, vertelt Maurice. ‘Zo zijn we beter gaan snappen hoe Wnt-eiwitten gemaakt worden. Dit zijn grote eiwitten, ze moeten gevouwen worden, er moet een vetstaart aan, ze moeten door de celwand de cel uit zien te komen.’
Kanker is uiteindelijk de ziekte waar het allemaal om draait, vertelt Maurice. In zo’n 60 procent van de tumoren is de rem van de Wnt-route af, wat eraan bijdraagt dat een cel onbeheerst kan gaan delen. ‘Het is echt de grote uitdaging om Wnt aan te pakken’, vertelt ze. Waarbij het probleem is dat een mensenlichaam niet zonder Wnt kan: medicijnen die Wnt wegvangen, zijn onbruikbaar vanwege de verwoestende bijwerkingen.
Hoe gaat dat nu eigenlijk op verjaardagen, als men haar vraagt naar haar werk en ze begint over hoe Wnt aan zijn cytosolaire vetstaart komt? Gelach aan de andere kant van de lijn. ‘Als mensen weg beginnen te kijken, of beginnen over voetbal, weet ik dat ik even moet ophouden’, zegt ze.
Goed, maar hoe zit het met andere vakgebieden? Overzie de Nederlandse wetenschap en al snel gaat het over medisch onderzoek, hét onderwerp waar het land massaal op inzet en waar dan ook ruwweg een op de drie publicaties over gaat. Geen wonder dat daar ook de meeste citaties vallen.
Om ook andere vakgebieden eerlijk mee te tellen, moet je een graadmeter gebruiken die daarmee rekening houdt, door minder drukbezochte vakgebieden wat zwaarder mee te wegen. En jawel: volgens die Field Weighted Citation Impact komt de meest succesvolle Nederlandse publicatie van 2025 niet uit een universitair ziekenhuis, maar uit Wageningen.
Daar beschreef hoogleraar levensmiddelentechnologie Maarten Schutyser samen met een aantal promovendi wat er speelt op het gebied van het winnen van eiwitmeel uit peulvruchten, zoals erwt en sojaboon. ‘We zoeken naar duurzame manieren om plantaardige ingrediënten te verkrijgen. Bijvoorbeeld voor in vleesvervangers’, vertelt Schutyser.
Eiwitten worden nu vaak uit peulvruchten gewonnen door ze eruit te ‘extraheren’, met veel water. Water dat vervolgens weer moet worden verdampt, om droog eiwitpoeder over te houden. Duurzaam is anders. ‘Eiwitisolaten zijn doorgaans net zo weinig duurzaam als kip’, zegt Schutyser. ‘Vandaar dat ik zoek naar processen waarbij we zo min mogelijk water gebruiken.’
Daaraan zitten wel haken en ogen, zet Schutyser uiteen, in vakblad Food Engineering Reviews. Zoals de smaak. ‘Je krijgt vaak een boonachtige smaak. Daarom onderzoeken we of bijvoorbeeld fermentatie vooraf de smaak kan verbeteren.’ Het is in elk geval geen toeval dat in de titel boven zijn artikel het woord ‘palatable’ (smakelijk) staat, vertelt hij. ‘Als het niet lekker is, wil niemand het.’
Schutyser is ermee in zijn nopjes dat zijn review door 5.100 geïnteresseerden werd aangeklikt en zestien keer werd geciteerd. ‘We hopen met dit artikel verandering teweeg te brengen, door mensen bekend te maken met dit soort ontwikkelingen. We willen een stap verder zetten in de transitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten.’
Wel zo eerlijk om ook iets verder achterom te kijken, naar publicaties uit 2024, en hoe vaak die zijn geciteerd. De volgens de ‘veldgewogen citatie-index’ best scorende publicatie van dat jaar komt uit nogal verrassende hoek: die van de Griekse filosofie. Want hoe oordeelden de stoïcijnen, de volgelingen van de filosofie die rond ongeveer 300 v. Chr. ontstond rond Zeno van Citium, over het nut van muzikē, verzamelwoord voor de kunst van de muzen: muziek, dans en poëzie?
De 39-jarige Litouwse filosoof Aistė Čelkytė onderzocht die vraag, toen ze werkte aan de Universiteit Leiden. Eind november 2024 publiceerde ze haar bevindingen in een soepel geschreven artikel in vakblad Bulletin of the Institute of Classical Studies. Ze staat ons te woord vanuit Vilnius.
Mevrouw Čelkytė, gefeliciteerd. Waarom denkt u dat er zo’n belangstelling is voor uw paper?
‘Er is momenteel bredere interesse in het stoïcisme, in een poging om dit een praktische, geleefde filosofie te maken. Dat kan meespelen. En er is een golf aan belangstelling in esthetiek en kunst.’
De kwestie waarover uw onderzoek gaat, is wat muziek, dans en poëzie doen met het afstellen van iemands morele kompas. Waarom was dat destijds zo belangrijk?
‘In de Griekse oudheid praatte men veel over schoonheid. Muzikē was deel van het onderwijs. Als je je kinderen wilde opleiden, stuurde je ze naar mensen die ze leerden poëzie te reciteren, vooral van Homerus. En er was de empirische waarneming dat muziek je diepgaand kan beïnvloeden. Er is muziek die je kalmeert, en bepaalde muziek die bij soldaten juist moed kan opwekken.’
Velen dachten: muzikē bepaalt de moraal. Maar de epicurische stroming bracht daar tegenin: als dat zo is, hebben filosofen helemaal geen nut meer.
‘Ik vind dat erg goede kritiek. Toen ik dat vond, besefte ik: dit is materiaal voor onderzoek. Want het is niet duidelijk hoe iemand die vraag kan beantwoorden. Maar als je vervolgens dieper kijkt naar het bewijs dat we hebben, was het voor de stoïcijnen niet echt een probleem. Ze zeiden: kunst is een werktuig. Gereedschap. Je kunt haar ten goede gebruiken, áls je je ervoor openstelt.’
Kunnen we van dat duizenden jaren oude debat vandaag nog iets leren?
‘Veel van de grote hedendaagse debatten over esthetiek liggen niet ver van dit oudheidkundige materiaal. Denk aan de vraag of kunst ons tot slecht gedrag kan drijven. Maken videogames jongeren bijvoorbeeld gewelddadiger? De platonische positie zou zijn: ja, beslist.’
Wat zouden de stoïcijnen zeggen?
‘Ik denk dat de stoïcijnen geen problemen met videogames zouden hebben. Ze zouden het wellicht zien als instrument om te leren, om doorzettingsvermogen te trainen. Ze geloofden niet dat kunst ons tot slechte mensen kan maken. Dat hebben we volledig zelf in de hand, volgens hen.’
‘Bij bedrijven en organisaties denkt men nogal eens: AI gaan gebruiken, dat is software kopen, en klaar’, zegt hoogleraar ICT en bestuur Marijn Janssen (TU Delft). ‘Maar zo zit het niet. Denk aan hoe het is als je een nieuwe onderneming start: je moet alles vanaf het begin opzetten. Zo is het met AI ook. Je moet mensen bijscholen, systemen op elkaar afstemmen, de organisatie deels opnieuw inrichten, je bedrijfsprocessen veranderen.’
Vandaar het academische artikel dat hij schreef voor een wetenschappelijk tijdschrift, ‘Verantwoord AI-bestuur in complexe adaptieve systemen’. Een best abstracte mondvol, erkent Janssen. Maar, legt hij uit: ‘Denk aan de complexiteitstheorie: de vlinder die met een vleugelslag zorgt voor een orkaan aan het andere eind van de wereld. Zo is het met AI ook. Als je AI gaat gebruiken, veranderen ook de routines, de werkprocessen. En dat beïnvloedt weer de AI-systemen.’
Hij somt op waarop organisaties die van plan zijn met AI te gaan werken zoal moeten letten. ‘Analyseer: voor welk probleem wil je AI gebruiken? Bedenk: waar gaat de inzet van AI allemaal invloed op hebben? Breng de risico’s in kaart. Kunnen foute uitkomsten van je AI tot verkeerde beslissingen leiden? Riskeer je misverstanden met klanten, als je bijvoorbeeld een chatbot gebruikt die onhandige of verkeerde antwoorden geeft? En als er iets fout gaat, wie kun je dan aanspreken? Vaak hoor je: we hebben een systeem gekocht, de beheerder lost eventuele problemen wel op. Maar je hebt als bestuurder zelf kennis van zaken nodig.’
Kennelijk slaat Janssens oproep aan: in de eerste helft van dit jaar had Janssens paper de hoogste gewogen citatiescore van het land. ‘Gelukkig zie je iets van een kentering’, signaleert hij. ‘Men gaat langzaam herkennen dat het belangrijk is om het zo te doen. Een gezonde ontwikkeling, vind ik.’
Meteen op het puntje van de stoel zit je bij het experiment dat Amsterdamse en Utrechtse onderzoekers uitvoerden om erachter te komen wat toch de raadselachtige uitputtingsziekte postcovidsyndroom veroorzaakt (long covid, in het Engels). Om te achterhalen of postcovid niet gewoon een soort auto-immuunziekte is, namen ze bloed af van postcovidpatiënten, haalden de ‘antistoffen’ eruit en dienden die toe aan muizen.
Gevolg: de muizen werden in tests waarbij ze hun pootjes wegtrokken bij lichte aanraking of warmte veel gevoeliger voor pijn. Een teken dat de muizen postcovidachtige symptomen hadden gekregen, aldus de groep in het voorlopig onderzoeksverslag. Hoewel dat vorig jaar al verscheen, was het met 2.519 downloads ook in 2025 het best gelezen Nederlandse artikel op preprintserver BioRXiv.
Postcovid is toch veel meer dan overgevoeligheid voor pijn?
Onderzoeksleider Niels Eijkelkamp (UMC Utrecht): ‘Ja, postcovidsymptomen omvatten een verscheidenheid aan neurologische klachten en pijn is inderdaad niet het eerste wat je hoort bij patiënten. Tot je beter kijkt. Tot 70 procent van de patiënten meldt pijn. Ik was verbaasd hoe hoog de pijnscores kunnen zijn die patiënten aangeven.’
Je zou verwachten dat die muizen heel moe en uitgeput werden.
‘In dit onderzoek hadden we nog geen manier om dat te meten. Wel zagen we dat muizen nadat ze antistoffen van patiënten hadden gekregen, iets minder rondliepen. In vervolgonderzoek willen we kijken naar hersenmist en concentratieproblemen. Door muizen steeds moeilijkere puzzeltjes te geven, en te zien wanneer ze afhaken. Dat is nog gaande.’
Waarom eigenlijk dit experiment?
‘Een van de hypothesen is dat postcovid een soort auto-immuunziekte is, waarbij antistoffen bepaalde weefsels van het eigen lichaam aanvallen. IgG-antistoffen zijn dan wel het eerste waarnaar je kijkt.’
En toen bleken die antistoffen symptomen over te dragen op muizen. Heeft u niet gewoon dé oorzaak van postcovidsyndroom ontdekt?
‘Zover zijn we nog niet. Het feit dat muizen anders reageren, suggereert dat het een autoimmuunaandoening kán zijn. Dat zeg ik voorzichtig, want de echte test is: worden menselijke patiënten er ook beter van, als je bij hen de ‘slechte’ IgG’s wegzuivert? Dat zijn we nu aan het testen in Amsterdam.’
Wat verwacht u?
‘Postcovid is een heterogene, veelzijdige aandoening. Ik denk dat er een subgroep van patiënten is bij wie dit een belangrijke rol speelt. Maar bij andere niet. Dat zal allemaal moeten blijken.’
Om de publicatie van het jaar te vinden, zochten we in de databanken OpenAlex en Web of Science alle wetenschappelijke publicaties op uit het jaar 2025 uit Nederland (in Web of Science: haast 60 duizend).
In OpenAlex selecteerden we vervolgens de publicaties met een Nederlands correspondentieadres, door te zoeken op 125 universiteiten, ziekenhuizen en andere kennisinstellingen (zoals het KNMI en het RIVM). In totaal kwamen we zodoende uit op 8.791 academische publicaties. Die sorteerden we onder meer op hun Field Weighted Citation Impact (FWCI): het aantal keer dat een artikel is geciteerd, rekening houdend met het vakgebied in kwestie.
Een publicatie die in januari verscheen, heeft uiteraard meer tijd gehad om citaties te verwerven dan een publicatie die later in het jaar verscheen. Om daarvoor te compenseren, sorteerden we de publicaties op verschijningsdatum, en verdeelden we het jaar in kwartalen. Het laatste kwartaal lieten we buiten beschouwing. Ook breidden we de dataset uit: in 2024 verschenen 23.950 publicaties met een Nederlands instituut als correspondentieadres. Dat leverde, via de FWCI, de ‘winnaar’ van 2024 op.
Voor de meestgeciteerde preprint gebruikten we de zoekfunctie van OpenAlex, in combinatie met de bronnen BioRxiv, MedRxiv, ArXiv en Preprints.org. Voor de ‘keuze van de Volkskrant’ maakten we eerst een lijst van Nederlandse papers die in hun vakgebied de top 0,5 procent van meestgeciteerde studies haalden. Daaruit selecteerden we handmatig 25 van de opvallendste papers.
Die legden we geanonimiseerd (titel en abstract) voor aan een panel van vijftien collega’s: de wetenschapsredactieleden, plus enkele freelancemedewerkers die geregeld voor de krant schrijven. Met het verzoek: kies uit deze lijst drie publicaties die je het interessantst zou vinden voor een artikel in de Volkskrant.
Met dank aan Ludo Waltman en collega’s van het Centre for Science and Technology Studies (CWTS) in Leiden, dat ons van advies voorzag. De gemaakte zoekkeuzes zijn overigens geheel onze eigen verantwoordelijkheid.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant