Home

Opinie: Hoe één woord onze blik op religieuze groepen vertroebelt

Zodra het label ‘sekte’ een verhaal bepaalt, verdwijnt de nuance. Hierdoor blijven cruciale vragen onbeantwoord en blijft effectief, preventief beleid buiten bereik.

In discussies over minderheidsreligies, zoals recent Pater Pio, De Deur, of Sun Kyeong, verhardt het gesprek zodra het woord ‘sekte’ valt. Dat label lijkt in eerste instantie misschien duidelijkheid te bieden, maar fungeert vooral als morele kwalificatie: toetreding is naïef, in de groep blijven is problematisch en vertrekken is een vorm van ontsnapping. Deze vaak negatieve benaderingswijze heeft een belangrijke consequentie. De betekenissen die betrokkenen zelf aan participatie toekennen, blijven grotendeels buiten beschouwing.

Ik heb echter ondervonden dat lidmaatschapservaringen erg divers zijn – veel diverser dan het klassieke beeld van manipulatie en dwingend leiderschap suggereert. Mijn lopende onderzoek naar toe- en uittreding uit nieuwe religies, laat een genuanceerder beeld zien. Op basis van interviews constateer ik dat toetreding zelden het gevolg is van directe dwang of misleiding. In de meeste gevallen sluiten mensen zich aan omdat een gemeenschap aansluit bij herkenbare behoeften en existentiële vragen.

Hoe geef ik richting aan mijn leven? Waar word ik gezien? Met wie deel ik waarden? Zeker in periodes van onzekerheid lijkt een hechte gemeenschap die structuur en zingeving biedt, een veilige haven te bieden. Deze constatering relativeert niet de mogelijkheid van latere schade, maar maakt inzichtelijk dat deelname doorgaans begint vanuit een actieve behoefte aan betekenisgeving, niet alleen vanuit passieve misleiding.

Over de auteur

Joëlle Fennebeumer is onderzoeker en PhD-kandidaat bij de faculteit Religie, Cultuur en Maatschappij aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Steun en schade

Vanuit mijn positie als onderzoeker observeer ik bovendien dat ervaringen na toetreding sterk uiteenlopen. In mijn interviews beschrijven sommige respondenten hoe hun betrokkenheid langdurig steun, stabiliteit en richting bood. Anderen geven aan dat spanningen, loyaliteitsdruk en emotionele overbelasting zich gaandeweg opstapelden. Wat daarbij empirisch opvalt, is dat steun en schade zich niet sequentieel, maar vaak gelijktijdig manifesteren. Veel (ex-)leden beschrijven aan mij dat hun vertrek ambivalent is: bevrijdend vanwege herwonnen autonomie, maar tegelijkertijd pijnlijk door het verlies van zingeving en relaties. Tegelijkertijd zie ik dat binnen dezelfde religieuze beweging andere leden juist wel duurzame inspiratie en houvast blijven ervaren. Betrokkenheid blijkt daarmee relationeel en contextafhankelijk, niet uniform.

Deze ambivalenties zijn overigens niet uniek voor minderheidsreligies. In mijn analyse bestaan duidelijke parallellen met politieke bewegingen, activistische netwerken en zelfs studentenorganisatie, waar toetreding vaak plaatsvindt vanuit idealen, binding ontstaat door gedeelde waarden en vertrek volgt wanneer de balans tussen betrokkenheid en belasting uit balans raakt. Ik geloof dat het uitzonderen van minderheidsreligies deze bredere sociale dynamieken verhult, en een beleidsmatige benadering bemoeilijkt.

Incidenten en mediagenieke excessen

Zolang het publieke debat over nieuwe religies wordt gedomineerd door incidenten en mediagenieke excessen, blijft beleid overwegend reactief. Ingrijpen volgt vaak pas nadat schade zichtbaar wordt, terwijl preventief inzicht ontbreekt. Mijn onderzoek laat zien dat juist andere vragen richtinggevend zouden moeten zijn: wat trok mensen aanvankelijk aan? Welke behoeften werden vervuld? En waar ontstond frictie of twijfel?

Normerende terminologie – in het bijzonder het gebruik van het label ‘sekte’ – werkt daarbij contraproductief. Het begrip is historisch beladen en roept defensieve reacties op, waardoor ervaringen vooraf in een beperkt interpretatiekader worden geplaatst dat weinig ruimte meer laat voor nuance, zoals ook te zien in recentere berichtgeving.

In mijn opinie maakt een meer onderzoekende benadering het mogelijk om steun en schade gelijktijdig te analyseren, zonder betrokkenen bij voorbaat als slachtoffer of dader te positioneren. Dat betekent geenszins een bagatellisering van risico’s. Integendeel: mijn empirisch materiaal laat juist ook zien dat factoren als sociale druk, beperkte alternatieven en hoge uittredingskosten in specifieke contexten een substantiële en problematische rol kunnen spelen. Dergelijke risico’s zijn volgens mij echter alleen zorgvuldig te beoordelen wanneer inzicht bestaat in de motieven, verwachtingen en participatiedynamieken binnen een groep.

Zowel bevrijdend als pijnlijk

In Nederland ontbreekt nog steeds structurele kennis over de diversiteit van nieuwe religies, over condities die risico’s vergroten of juist beperken en over de ondersteuning die (ex-)leden nodig hebben. Mijn onderzoek brengt deze gelaagdheid expliciet in kaart en laat zien dat ook trajecten die uiteindelijk problematisch blijken, vaak beginnen met een oprechte zoektocht naar betekenis, erkenning en gemeenschap. En dat vertrek zelden eenduidig is, maar zowel bevrijdend als pijnlijk kan zijn.

Een debat dat ruimte laat voor die complexiteit, is naar mijn mening niet milder, maar analytisch scherper. Het stelt ons in staat onderscheid te maken tussen contexten waarin deelname en vertrek daadwerkelijk vrijwillig zijn en situaties waarin structurele beperkingen dat lijken te bemoeilijken. Zolang één label echter het hele verhaal blijft domineren, blijven cruciale vragen onbeantwoord en blijft effectief, preventief beleid nog buiten bereik.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next