Home

Jeroen is afgestaan en mocht in zijn jeugd nergens over praten: ‘De schaamte werkt door tot de dag van vandaag’

Schade door schande heet het rapport over binnenlandse adoptie dat dit jaar verscheen: niet alleen afstandsmoeders, maar ook hun kinderen hielden hun verleden vaak angstvallig geheim. De geadopteerde Jeroen ter Brugge doorbreekt op zijn 58ste het taboe.

‘Je zult wel nooit meer naar mijn graf komen als ik eenmaal onder de grond lig.’ Of het precies die woorden waren die zijn adoptievader op zijn sterfbed gebruikte, of net andere, weet Jeroen ter Brugge niet meer. Maar één ding was duidelijk: zelfs op dat finale moment, nu ruim twee jaar geleden, kon niet worden gesproken over datgene wat al vijftig jaar tussen hen in stond.

Het was de laatste kans, denkt Jeroen als hij er in augustus dit jaar weer aan terugdenkt. Hij staat op de lommerrijke begraafplaats in Vlaardingen en voelt boosheid opkomen. Want hij komt er wél. Bij het graf van de man die hij uit loyaliteit jarenlang bijna dagelijks thuis bezocht, maar die hem op zijn beurt altijd bleef wantrouwen. De man die hem er lange tijd van weerhield op zoek te gaan naar zijn voorgeschiedenis, en aan wiens strenge regels hij zich nu pas – op 58-jarige leeftijd – heeft ontworsteld.

Jeroen haalt wat dorre plantjes weg, maakt de grafsteen schoon. Nieuwe planten heeft hij dit keer niet meegenomen. Heel bewust, want dat zou hypocriet zijn. ‘Het klinkt misschien wreed, maar ik mis hem niet’, zegt hij over zijn adoptievader. ‘Ik weet niet eens of ik van hem hou.’

Onder zware druk

Zo’n twee maanden eerder, op 20 juni 2025, mailde Jeroen ter Brugge de brievenredactie van de Volkskrant. Om 7.42 uur in de ochtend om precies te zijn. Hij had even daarvoor de krant gelezen en was kritisch over hoe er verslag was gedaan van een nieuw rapport over de geschiedenis van afstandsmoeders en -kinderen. ‘Wat me in hoge mate stoort is dat het onderwerp slechts één perspectief lijkt te hebben. Namelijk dat van de moeder. Wat nauwelijks aan bod komt, is het kind.’

Een dag eerder verscheen het langverwachte rapport van de commissie-De Winter, waarin wordt beschreven wat er tussen 1956 en 1984 gebeurde met naar schatting 13 tot 14 duizend – vaak minderjarige – meisjes die hun kind ter adoptie afstonden. Al is ‘afstaan’ eigenlijk niet het juiste woord. Veel vrouwen hadden hun kind willen houden, maar voelden zware druk vanuit hun familie, de kerk of hulpverleners.

De commissie concludeerde dat de gevolgen daarvan onvoorstelbaar groot zijn, en tot op de dag van vandaag doorwerken. ‘De moeders is de regie over hun leven ontnomen, en veel kinderen voelen zich afgedankt en gedumpt’, aldus De Winter in het artikel.

Geblinddoekt bevallen

Het Volkskrant-verhaal deed hem verdriet, schreef Jeroen aan de redactie. ‘Want de worsteling waarmee de geadopteerde kinderen te maken hebben over waar ze vandaan komen, waar hun loyaliteit ligt, komt in de berichtgeving nauwelijks aan de orde.’

En inderdaad: niet alleen in die Volkskrant-publicatie, maar ook in veel andere stukken die zijn verschenen over binnenlandse adoptie staan niet de verhalen van de kinderen, maar die van de afstandsmoeders centraal. Het gaat om heftige verhalen, waarvan je je bijna niet kunt voorstellen dat ze slechts vijftig, zestig jaar oud zijn.

In die tijd mochten jonge, ongehuwde vrouwen vaak niet hun eigen kind opvoeden. Onder invloed van de strenge naoorlogse, christelijke moraal, werden zij wilsonbekwaam geacht, door hulpverleners en psychiaters soms zelfs als ‘debiel’ weggezet. Eenmaal bevallen werd de baby vaak meteen van hen afgenomen, soms werden de moeders bij de bevalling zelfs geblinddoekt.

Maar de ervaringen van de kinderen? Die zijn onderbelicht gebleven in de media, vindt Jeroen, die in zijn mail vermeldde dat zijn collega’s en vrienden niet weten dat ook hij zo’n afstandskind is. Want de schaamte, schrijft hij, ‘werkt door tot op de dag van vandaag’.

Daarop benadert de krant Jeroen voor een gesprek. Het begint aarzelend en afstandelijk, maar zal het eerste van een reeks worden. Want zijn verhaal fascineert: hoe kan het dat schaamte zo lang doorwerkt terwijl de tijden zijn veranderd? Wat doet het met een kind als het niet naar zijn afkomst mag vragen? En wat gebeurt er áls je besluit dit geheim op je 58ste wél te onthullen?

Altijd op zijn hoede

Jeroen is een kalme verschijning. Hij heeft grijs kort haar en altijd dezelfde soort kleren aan: een wit overhemd en beige broek. De historicus, die als conservator bij het Rijksmuseum werkt, is een binnenvetter. Snel persoonlijk wordt hij niet.

Zelfs vrienden en collega’s die hem al jaren kennen, omschrijven hem als iemand die ‘altijd op zijn hoede is’, zichzelf ‘op charmante wijze op afstand houdt’ en ‘iets ondefinieerbaars heeft’.

Zo zegt er eentje dat ze ‘al die jaren niet de hele Jeroen heeft gezien, maar 80 procent van hem’. Misschien, suggereert een ander, ‘kon de echte Jeroen zich niet laten zien, omdat hij simpelweg niet wist wie hij was’.

Toch wil Jeroen ter Brugge nu, publiekelijk, een poging doen. In de hoop dat zijn verhaal lotgenoten kan helpen. Hij wil uitleggen waarom hij zich als afstandskind een tweederangsburger voelde, maar ook vertellen hoe het hem lukte om te achterhalen wie zijn biologische ouders zijn. Al was die zoektocht moeilijk en emotioneel zwaar.

Excuses van het kabinet

De afspraak is alleen Jeroens naam te gebruiken, en die van zijn vrouw, maar die van andere familieleden zo veel mogelijk te vermijden. Daarnaast geeft Jeroen de Volkskrant volledige inzage in het omvangrijke dossier, vol documenten, foto’s en brieven, dat hij afgelopen jaren verzamelde.

Hij hoopt dat de Haagse politiek nu eindelijk eens haast gaat maken om deze zoektocht voor afstandskinderen te vereenvoudigen. ‘Het is dat ik historicus ben en weet hoe je archieven moet doorzoeken. Anders is het nu bijna niet te doen.’

Het onderwerp is politiek weer in beweging. Sinds het rapport van de commissie-De Winter klinkt de vraag weer luider of het kabinet eindelijk excuses moet maken voor het aangedane leed, zoals dat in 2021 ook gebeurde voor de misstanden bij buitenlandse adoptie.

Naar verwachting komt het demissionaire kabinet in de eerste maanden van 2026 met een vorm van ‘erkenning’.

‘Ik ben nu je moeder’

Het moet 1972 zijn geweest. Jeroen ligt in zijn bed, in een Vlaardingse nieuwbouwwijk. Hij is vijf jaar oud en heeft zojuist zijn vaste gebed gezongen. Ik ga slapen, ik ben moe, ik sluit mijn beide oogjes toe, Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht. Op het plankje naast zijn bed staan wat boekjes. Pinkeltje, Gouden Boekjes, een prentenboek. En in zijn bed ligt Nijnie, het konijn waarmee hij slaapt zolang hij zich kan heugen.

Normaal vertrekt zijn moeder, maar dit keer blijft ze zitten. Ook nu, vijftig jaar later, ziet Jeroen dit moment nog levendig voor zich. Want door wat ze deze avond zegt, zal hij zich decennialang ontheemd voelen.

Zijn moeder vertelt dat ze niet zijn echte moeder is. Dat Jeroen geadopteerd is. ‘Maar dat maakt verder niets uit, denk er maar niet te veel over na’, zegt ze. Ruimte voor uitleg of vragen is er niet.

Zo verzwijgt ze dat Jeroen bij zijn geboorte eigenlijk Peter heette. Ze zegt niets over de eerste elf maanden van zijn leven in een Utrechts kindertehuis, waar hij waarschijnlijk het grootste deel van de dag in een bedje lag. In een kamer met zo’n vijftien andere afstandskinderen, slechts een handvol personeel, maar al wél met zijn knuffel Nijnie.

‘Het is altijd moeilijk als het om het geheugen gaat’, zegt Jeroen, ‘en hoe je achteraf in je hoofd er een verhaal van maakt. Maar ik herinner me dat ik de dag, of in de dagen erna, nog wel heb gevraagd: wie is mijn echte moeder dan?’

Zijn adoptiemoeder kapt het resoluut af. Dat hoef je niet te weten, zegt ze. ‘Ik ben nu je moeder.’

Zijn ouders willen er niet over praten. ‘Vragen stellen had geen enkele zin. ’

Vaagheid en geheimhouding

Hoewel elk adoptieverhaal anders is, blijkt uit het onderzoek van de commissie-De Winter dat de ervaringen van Jeroen niet op zichzelf staan. Veel afstandskinderen stellen dat het verhaal over hun voorgeschiedenis ‘omhuld was met vaagheid, onwaarheden en geheimhouding’.

Aan afstandsmoeders adviseerden maatschappelijk werkers vaak om te zwijgen over hun zwangerschap. Het was iets om je voor te schamen.

Tegen adoptieouders daarentegen werd gezegd dat ze het wél aan het kind moesten vertellen. Maar toezicht daarop ontbrak geregeld. Net als adequate hulp om hun kind daarna goed te begeleiden.

En dan was er nog een taboe. Oók over het niet kunnen krijgen van kinderen, kon niet worden gesproken. Kinderloosheid was destijds meer dan alleen een persoonlijk verdriet, schrijven de onderzoekers, het was tevens een maatschappelijke tekortkoming.

Een gesprek hierover tussen adoptieouders en afstandskinderen was dan ook verre vanzelfsprekend. En zo’n stilte over de oorsprong van je bestaan? Dat, stellen de onderzoekers, versterkt juist het gevoel van eenzaamheid. ‘Want een levensgeschiedenis waarover niet gesproken kan worden, wordt alléén gedragen.’

Zwijgplicht

Ogenschijnlijk vanuit het niets drukt zijn adoptiebroer de 10-jarige Jeroen hard tegen de muur. Waar het precies gebeurde? Dat weet hij niet meer precies. Op school misschien, in de buurt, of bij hen thuis. Wat hij zich wel herinnert, is de paniek. Hij voelt het nog steeds zodra hij eraan denkt.

Zijn broer is vier jaar ouder, veel sterker. Al vaker is hij Jeroen fysiek de baas geweest. Soms, als hun adoptieouders weg waren, sloot hij hem op in zijn kamer. En ook nu, op dit moment, met zijn rug tegen de muur, kan Jeroen geen kant op.

‘Dit ga je nooit meer zeggen’, sist zijn broer.

Kort daarvoor was er een kringgesprek op Jeroens school. Er was een spreker in de klas, vermoedelijk iemand van de sociale academie, die vertelde over afgestane kinderen en adoptie. Jeroen voelde herkenning en opluchting – hij is dus niet de enige.

Toen de spreker vroeg of er in deze klas ook geadopteerde kinderen waren, stak hij zijn vinger op. ‘Hoewel ik me erg in overtreding voelde’, zegt hij daar achteraf over.

Zijn broer blijkt erover te hebben gehoord. ‘Hier praat je nooit meer over’, zegt deze hem, terwijl hij Jeroen klemzet.

De vondst van een mapje

Ook zijn broer is geadopteerd. De twee lijken in niets op elkaar. Jeroen leest veel, houdt van natuur en geschiedenis. Zijn broer juist van auto’s en snelheid. Op vakantie in Oostenrijk rijdt hij het liefst op de tractor, eenmaal een tiener sleutelt hij urenlang aan zijn brommer.

Dankbaar moet je zijn voor je adoptie, vindt zijn broer. Net als zoveel adoptiekinderen heeft hij dat geleerd. Niet dat hun adoptieouders dat uitdragen. Maar hun grootmoeder, een stevige vrouw, vaak gekleed in een vormeloze bloemenjurk, wel.

Keer op keer benadrukt zij dat er geen ‘bloedband’ is en dat Jeroen en zijn broer zich als geadopteerde kinderen ‘netjes hebben te gedragen’. Zelfs tijdens hun verjaardagen laat ze het verschil blijken: een neef en nicht, die niet zijn geadopteerd, krijgen 100 gulden. Jeroen en zijn broer moeten het doen met een tientje.

Maar in tegenstelling tot Jeroen lijkt dit zijn adoptiebroer niet al te veel te deren. Terwijl het aan Jeroen blijft knagen. Zo erg zelfs, dat als niemand thuis is, hij als 10-jarige stiekem de kasten doorzoekt. De lades opentrekt. Op zoek naar antwoorden. ‘Want door het zwijgen voelde ik me een verschoppeling.’

Tijdens zo’n zoektocht, in een kast, onder een stapel spullen, vindt hij een mapje. Met daarin onder meer een vel papier van kindertehuis Ons Tehuis Utrecht, Biltstraat. Gedetailleerd staat vermeld wat hij er te eten kreeg. Anderhalve boterham en een bekertje melk, een liga, yoghurt met een beetje suiker. En hij ziet een naam.

‘Maar het drong toen nog niet tot me door dat het de naam van mijn biologische moeder was.’

Worstelen met loyaliteit

Uit het onderzoek van commissie-De Winter blijkt dat veel afstandskinderen een hechte band ontwikkelden met het gezin waarin ze terechtkwamen. Maar tegelijkertijd voelt een substantieel deel van de 13 - tot 14 duizend kinderen zich, net als Jeroen, ongewenst en anders.

De gedachte dat hun biologische moeder hen afstond, loopt vaak als een rode draad door hun leven. Het heeft impact op de manier hoe ze in het leven staan, relaties aangaan en naar zichzelf kijken.

Sommigen worstelen bovendien met loyaliteit: verraden ze hun adoptieouders als ze hun zoektocht naar hun biologische ouders doorzetten?

Met bonkend hart

Gespannen zit Jeroen op de bruine wollen Jan des Bouvrie-bank van zijn adoptieouders. Het is inmiddels begin jaren negentig. Jeroen is in de twintig, studeert geschiedenis en woont anti-kraak.

Hij gaat wekelijks naar zijn ouderlijk huis in Vlaardingen. Alleen ditmaal zal het gesprek niet gaan over ditjes en datjes; hij heeft een boek bij zich. Nederlandse pleeg- en adoptiekinderen van Mieke van Dorp en Adriaan Venema. Het is een studie over de psychologische gevolgen van adoptie, voor kinderen en hun omgeving.

Jeroen schraapt zijn keel en vraagt zijn ouders even om hun aandacht. De radio, of misschien de televisie, gaat uit. Hij is op een leeftijd gekomen, zegt Jeroen, dat hij meer wil weten. Het doet niets af aan hen als ouders. Echt niet, benadrukt hij. Maar hij wil dit boek graag achterlaten. Zo kunnen zij begrijpen hoe hij zich voelt.

De details waarin hij zich herkent, bewaart hij nog voor zichzelf. Hij zegt niks over de eenzaamheid, het gevoel niet te mogen praten. Of dat je als baby juist in het eerste jaar de emotionele band met je ouders opbouwt. Over de muur die hij heeft opgetrokken, en hoe hij een afstandelijk mens is geworden.

Maar hij heeft wel een gesprek geopend. Althans dat hoopt hij.

Zijn adoptievader is personeelsadviseur bij Shell, trots op Jeroens schoolprestaties. Maar ook een dominante, stugge man. Iemand die zijn mening vaak als feit presenteert, wiens moeder overleed toen hij 4 was, en die als jongvolwassene tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gedwongen te werken in Oberhausen. Tijdens hevige bombardementen werd hij door de bevolking uit de schuilkelders gejaagd. ‘Vertrouw niemand’, zei zijn adoptievader altijd.

Zijn adoptiemoeder is een ietwat chaotische huisvrouw, iemand die het altijd goed probeert te doen voor haar omgeving. Een vrouw met een artistieke aanleg, maar die zich schikt in haar rol als moeder in het gezin. In de jaren vijftig liep ze buiktuberculose op, met onvruchtbaarheid als gevolg.

Over dat verdriet werd niet gesproken. En ook over het verlies van een eerder pleegkind werd gezwegen. Een jongetje dat ze het liefst hadden willen houden, maar dat na een jaar werd teruggehaald door zijn grootmoeder. ‘Mogelijk heeft die ervaring geresulteerd in een enorme verlatingsangst’, zegt Jeroen, die ‘er alleen vaag iets over weet, omdat er boven op zolder foto’s lagen van een jongetje dat noch ik, noch mijn adoptiebroer was.’

Een paar dagen na het achterlaten van het boek rijdt Jeroen opnieuw naar zijn ouders. Met bonkend hart steekt hij de sleutel in het slot. Hij is hoopvol. Het zijn immers andere tijden: behalve boeken is er inmiddels ook onderzoek naar adoptie en er wordt openlijk over gesproken op radio en tv.

Maar als hij de deur opent, ziet hij de ijzige blik van zijn vader. ‘We hebben ernaar gekeken’, zegt hij terwijl hij het boekje naar Jeroen toewerpt, ‘en het is onzin’.

Zijn moeder zwijgt en huilt.

Gesloten dossier

Meer dan tachtig procent van de afstandskinderen is, net als Jeroen, op zoek gegaan naar zijn wortels, blijkt uit onderzoek van commissie-De Winter. De zoektocht wordt beschreven als een ‘levenslange uitputtende en emotionele speurtocht’.

Voor sommigen resulteerde die in goed contact met de biologische familie. Maar voor anderen liep het vooral uit op frustratie, teleurstelling en verdriet. Bijvoorbeeld omdat de biologische familie toch geen contact wilde of betrokken instanties onvoldoende meewerkten.

Want duikt een afstandskind in zijn verleden, dan blijkt het al snel afhankelijk van anderen. Soms zelfs van dezelfde instanties waardoor ze zich destijds in de steek gelaten hebben gevoeld. Regie over de zoektocht ontbreekt. De informatie blijkt soms al vernietigd, niet te kloppen of is versnipperd over meerdere instanties.

En dan zijn er nog privacyregels: dossiers zijn in principe gesloten. Alleen als de biologische moeder instemt, mag een kind in het afstandsdossier kijken. Voor het adoptiedossier geldt hetzelfde. Dat is alleen toegankelijk met toestemming van de adoptieouders.

Bekentenis in het donker

Jeroen herkent haar meteen als hij binnenstapt in het Wapen van Alblasserdam. Linksachter in de hoek van het grand café zit een vrouw van in de 50 aan een tafeltje. Voor haar, op een ouderwets tapijtje, staat een kop koffie. Het gezicht, de gestalte, de uitstraling – ze is een vrouwelijke variant van hemzelf.

Het is inmiddels eind jaren negentig, Jeroen is rond de 30. Afgelopen maanden heeft hij, in het geheim, naar zijn verleden gezocht. Eerst klopte hij aan bij de gemeente Nijmegen, waar hij geboren is. ‘Ik ben naar het bevolkingsregister gegaan en heb gevraagd: kunnen jullie mij inlichtingen verschaffen wanneer mijn biologische moeder Nijmegen is binnengekomen, en waar ze naartoe ging toen ze vertrok?’

Zo ging hij door, van de ene gemeente naar de andere. Uiteindelijk vond hij haar woonplaats. Haar adres mocht de gemeenteambtenaar niet verstrekken. ‘Maar hij wilde wel bemiddelen. Hij heeft een brief van mij aan haar doorgestuurd.’

Een paar maanden eerder heeft Jeroen bovendien een andere belangrijke stap gezet. Niemand weet van zijn zoektocht. Maar Cora heeft hij het wél verteld, de vrouw met wie hij dan al drie jaar samen is en met wie hij wil trouwen, maar die hij ondanks alles niet eerder in vertrouwen nam.

Het was een van de moeilijkste momenten uit zijn leven, herinnert hij zich. In het donker in bed, en zelfs toen durfde hij haar niet aan te kijken. Bang dat ze zou zeggen: met een geadopteerde man hoef ik niet te trouwen.

Heel snel gooide hij de drie woorden eruit: ik ben geadopteerd. Ineengedoken houding, wachtend op woede.

Maar Cora’s reactie was een heel andere. ‘Hè, hè, eindelijk’, reageerde zij, en al snel voelde hij haar warme armen om hem heen.

Ze wist allang dat er iets speelde. Waren ze in zijn ouderlijk huis, dan zag ze Jeroen onrustig en stil worden. Had ze een leuk gesprek met zijn broer? Dan was Jeroen achteraf boos. En dan was er nog dat gebrek aan babyfoto’s, en die vreemde geboorteplaats op zijn paspoort: waarom stond daar Nijmegen op, terwijl de familie sinds jaar en dag in Vlaardingen woont?

Opgelucht is Jeroen over Cora’s reactie. Al laat hij haar die nacht wel één ding beloven: spreek er met niemand over.

Franse student uit Toulouse

En nu, in het grand café, zet hij dus heimelijk opnieuw een belangrijke stap.

Al snel constateert hij dat het niet is zoals op tv. Hij en zijn biologische moeder vliegen elkaar niet in de armen. Ze zeggen ‘hallo’, geven een hand. Zijn moeder heeft haar echtgenoot meegenomen. Ook hij kent het verhaal. Net als hun gezamenlijke zoon. Maar de rest van haar familie weet van niks, zegt zijn moeder al snel, en dat wil ze graag zo houden.

Daar in dat grand café stelt Jeroen zijn vragen. Hij is niet kritisch of verwijtend. Hij wil het gewoon weten: waar kom ik vandaan?

Zijn moeder vertelt hoe ze op vakantie ging in augustus 1966. Ze was 22 jaar, werkte, maar woonde nog bij haar ouders thuis. Ze beschrijft hoe ze als ‘onnozel en naïef’ meisje naar Calella ging, aan de Spaanse Costa Brava. Al snel werd ze smoorverliefd op een Franse student uit Toulouse, die op het strand rugbyde. Ze viel als een blok voor hem. Aan zwanger raken dacht ze niet, ze wist nauwelijks hoe dat kon.

Eenmaal thuis groeiden geleidelijk haar zorgen. Haar oudere zus was op haar 18de ongehuwd zwanger geraakt, en door hun streng gereformeerd opgegroeide moeder gedwongen in een ongelukkig huwelijk. Haar andere zus was op haar 16de verkracht en werd twee jaar later zwanger van een Indonesische jongen. Hoewel ze verliefd waren, stemde haar moeder niet in met een huwelijk vanwege zijn afkomst. De zus werd gedwongen het kind ter adoptie af te staan.

Hun moeder kleineerde deze zus, vertelde ze aan Jeroen. Haar vader zou vooral verdriet hebben gehad.

Om te verhullen dat ook zij, als derde in rij, ongehuwd zwanger was, vertrok ze naar een andere stad. Vanwege een baan, vertelde ze haar ouders. Eenmaal bevallen, ging ze weer naar huis, en Jeroen naar een kindertehuis.

Dat afscheid in Nijmegen, vertelt zijn moeder hem, ‘viel haar ontzettend zwaar.’ Maar ze zag geen andere keus: ze wilde haar familie de schande besparen, was bang voor vernedering door haar moeder. En daar kwam bij dat ze nauwelijks geld had. ‘Ik kon mijn kind dus niet houden.’

Ruim een uur later verlaat Jeroen het Wapen van Alblasserdam, en rijdt weg in zijn zilvergrijze Volvo. Hij is in de wolken. ‘Want ik had voor het eerst het gevoel: ik heb toch ook ouders.’

Gelogen over de vader

Of het zijn verjaardag was of die van een van zijn kinderen, weet Jeroen niet meer. ‘Maar ik herinner me wel dat mijn hoofd op tilt sloeg.’

Het is inmiddels na de eeuwwisseling en Jeroen zit in zijn Vlaardingse woonkamer als de telefoon rinkelt. Jeroen is eind dertig. Hij en Cora hebben twee zoons. Het gezin heeft al een paar jaar, zo nu en dan, contact met Jeroens biologische moeder.

Met z’n tweeën zijn ze zelfs samen naar het Fiom geweest, de instantie die Jeroens adoptie begeleidde en waar het dossier van zijn moeder lag.

Onder toeziend oog van een medewerker mochten ze een kopie van het – deels zwart gelakte – dossier bekijken. En al snel viel wat op: het verhaal over zijn Franse vader stond er niet in. Er stond iets heel anders te lezen: ‘De vader is 26 jaar oud, rooms-katholiek en niet gehuwd. Zijn beroep is onbekend, maar hij heeft veel gevaren. Op de wal werkte hij in een metaalfabriek. Hij drinkt vrij veel.’

‘Mijn biologische moeder heeft niet ontkend dat ze destijds tegen de sociaal werker heeft gelogen over mijn vader’, zegt Jeroen daar nu over. ‘Maar er stonden ook typeringen van haarzelf in waarin ze zich niet herkende.’

Zo wordt ze omschreven als iemand die ‘wat uit de hoogte deed’, ‘heel gemakkelijk’ de afstandsverklaring tekende en zich ‘helemaal geen zorgen maakte over het kind’. ‘Het lijkt er wel op of die rapporten zo zijn geschreven om de afstand tussen moeder en kind te vergroten, zodat rechters destijds makkelijker besloten: dit kind moet inderdaad geadopteerd worden’, zegt Jeroen daar nu over.

Want uit gesprekken met zijn biologische moeder heeft hij geconcludeerd dat ook zij getraumatiseerd is.

Contact verbroken

Tegelijkertijd begint hun relatie steeds meer te schuren. Zo verbiedt ze hem contact op te nemen met de rest van haar familie, beweert ze geen idee meer te hebben van de naam van zijn Franse vader, en begint haar gebrek aan interesse in hoe de adoptie voor hém is geweest, steeds meer te wringen.

‘Ze heeft nooit gevraagd: hoe was het voor jou? Mogelijk was het te heftig. Want als ze een schuldgevoel had, zou dat alleen maar groter zijn geworden door het antwoord.’

Bovendien worstelt hij zelf ook met zijn loyaliteit. ‘Uiteindelijk heb ik mijn adoptieouders wel verteld dat ik contact met haar had. Dat vonden ze vreselijk. Want mijn kinderen waren hún kleinkinderen, en niet van ‘die vrouw’.’

Op het verjaardagsfeestje trekt hij dan ook wit weg als hij hoort wie hij aan de lijn heeft: het is zijn biologische moeder. Vlak naast hem zitten zijn adoptieouders. Weglopen kan niet. ‘Ze belde op de vaste lijn.’ Helder nadenken lukt ook niet meer, het enige wat hij wil, is dit gesprek zo kort mogelijk houden. ‘Mijn biologische moeder vroeg: kan ik nu langskomen? Ik denk dat ik toen vrij resoluut heb gezegd: nee.’

Voor haar, denkt Jeroen achteraf, ‘moet dat een teken zijn geweest dat er uiteindelijk toch geen plaats voor haar was in mijn leven.’ Want sindsdien is het contact verbroken.

Match met een achternicht

Het is 2023, hartje zomer als Jeroen uit het ziekenhuis van het Zuid-Franse Albi loopt. Even daarvoor heeft de vijftiger in zijn beste Frans gevraagd naar de afdeling psychologie. Aanvankelijk keek de baliemedewerker hem meewarig aan, maar uiteindelijk stuurde ze hem naar buiten.

Want daar, aan de overkant van een rustige weg, zit het kantoor van de psychologen, vertelt ze hem.

Gespannen steekt hij over, met in zijn hand een brief. Als zijn informatie klopt, dan werkt hier zijn achternicht. Onlangs stuurde hij haar al een mail, maar daarop kwam geen reactie. Daarom probeert hij nu dit.

Drie jaar eerder overleed Jeroens adoptiemoeder, en een paar maanden terug stond hij aan het sterfbed van zijn adoptievader. Sindsdien voelt hij zich vrij contact te zoeken met de familie van zijn biologische vader.

Afgelopen jaren spitte hij al de stamboom van zijn biologische moeder door, zocht hij naar informatie over het adoptieproces en ontdekte hij dat kindertehuis Ons Tehuis Utrecht vrijwel alles vernietigd had.

Hij belde zelfs naar de twee universiteiten van Toulouse, met de vraag of het mogelijk is om te achterhalen of een groepje Franse studenten in de zomer 1966 naar Calella ging om rugby te spelen. ‘Dat was natuurlijk zoeken naar een speld in een hooiberg.’

Uiteindelijk is het dna-onderzoek dat hem echt verder hielp. Via MyHeritage, een internationaal, online platform voor genealogie, laat hij zijn erfelijk materiaal vergelijken met dat van miljoenen andere deelnemers. ‘Daar kwam een duidelijke match uit met iemand die zeer waarschijnlijk mijn achternicht moest zijn.’

Zijn achternicht blijkt op dat moment alleen niet aanwezig te zijn in het psychologenbureau waar ze werkt. Maar de secretaresse belooft de brief te geven.

Niet veel later gaat zijn mobiel. De achternicht belt en is enthousiast.

Familie in Frankrijk

Daarna gaat het snel. De dag erna zit hij bij de achternicht en haar vader aan tafel. En vrij snel is duidelijk: het kan niet anders dan dat Claude Enjalbert de vader van Jeroen is. ‘Hij was alleen vijf jaar eerder al overleden.’

Maar hij leert wel zijn tante kennen, zijn vaders zus, een kwieke vrouw van 78, die hem verwelkomt met open armen. Inmiddels gaat hij elke zomervakantie bij haar langs. ‘Ze zegt dan: Jerôme, het is nu net alsof ik in een roman leef.’

Zijn ze samen, dan stelt ze hem trots aan iedereen voor. ‘Aan willekeurige mensen op de camping bijvoorbeeld. Dan zegt ze: dit is mijn neef, de zoon van mijn broer, en vertelt ze het hele verhaal.’

Volgens haar is er geen enkele twijfel. ‘Had Claude nog geleefd, dan zou hij mijn bestaan zonder bezwaar hebben aanvaard. Als dat ook maar voor de helft waar is, ben ik al blij.’

Zijn vader blijkt de zoon van een docentenpaar. Hij werd geboren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Saint-Paul-de-Mamiac, een dorpje met vijftien inwoners. ‘Mijn biologische opa kon niet bij de geboorte zijn, die zat in de Pyreneeën bij de Maquis, het verzet. Mijn vader is zelfs ten doop gehouden door iemand van het verzet die bij zijn ouders ondergedoken zat.’

Alleen de weduwe van zijn vader weigert hem te ontmoeten. ‘Hun huwelijk is ongewild kinderloos gebleven’, zegt Jeroen. ‘Maar of dat de reden is, weet ik niet.’

Moment van de waarheid

Het is 10 augustus 2025 als Jeroen in de kamer zit van een Franse bed and breakfast in het Franse La Rochelle. Later deze week reizen hij en Cora door, om zijn Franse familie weer te zien. Maar eerst moet hij iets doen waar hij al weken tegenaan hikt.

Voor hem staat een laptop. In zijn hoofd heeft hij deze mail al honderd keer geschreven. Elke keer weer heeft hij gedacht: doe ik niemand tekort? Telkens stelde hij het moment uit.

Maar nu, op deze zonnige zondag, rollen de woorden er in één keer uit.

‘Na jaren twijfelen en dralen deel ik een persoonlijk verhaal’, begint hij te schrijven aan de ruim vijftig geadresseerden. Het zijn vrienden en collega’s. ‘Hoop jullie hiermee niet lastig te vallen’, tikt Jeroen.

Stap voor stap legt hij uit hoe zijn voorgeschiedenis in elkaar zit. Hoe zijn biologische moeder het gevoel had dat ze niet anders kon dan hem afstaan, hoe moeilijk het voor hem is om te ‘breken met de belofte aan aan zijn adoptieouders om er nooit over te spreken’, maar ook ‘hoe belangrijk de zoektocht voor zijn eigen identiteit was’.

Nog geen half uur later drukt Jeroen op ‘versturen’. Na 58 jaar heeft hij zijn verhaal verteld.

Meer leesplezier

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next