De Zitting Advocaat Martijn gaf informatie over een doorzoeking, die hij per ongeluk van de rechtbank ontving, door aan zijn cliënt. Is dat tuchtrechtelijk verwijtbaar?
„Het gaat niet alleen om mijn zaak, maar om vertrouwen in het rechtssysteem”, zegt Willemijn tegen de drie tuchtrechters die haar aankijken. „Ik meen dat deze advocaat niet volgens de wet en gedragsregels heeft gehandeld. Niet met een moreel kompas.”
Willemijn is oprichter, aandeelhouder én schuldeiser van Raw Paints: een ooit veelbelovend bedrijf in duurzame verf dat in 2023 failliet werd verklaard. Ze staat deze maandagmiddag bij de Raad van Discipline in Den Haag omdat de advocaat van een andere aandeelhouder en van het bestuur tijdens de afwikkeling van het faillissement volgens haar een faux pas heeft begaan.
En dus heeft Willemijn een tuchtklacht tegen hem ingediend. De beklaagde, Martijn, is naast advocaat ook bestuurder van het grote advocatenkantoor waar hij werkt.
Raw Paints werd in april 2023 failliet verklaard. De rechtbank Den Haag benoemde vervolgens een curator om het faillissement af te wikkelen. Omdat de curator het idee kreeg dat informatie werd achtergehouden en vermoedde dat die informatie aanwezig was bij het bedrijf van de aandeelhouder, vroeg hij de rechtbank toestemming het pand te mogen betreden om de informatie zélf op te halen. Die bevoegdheid, te vergelijken met een huiszoeking, hebben curatoren op grond van de faillissementswet.
De rechter-commissaris geeft de curator toestemming en stelt tevens een brief op die de curator bijvoorbeeld aan de politie kan tonen voor assistentie bij het betreden van de bedrijfsruimte. Maar in plaats van naar de curator verzendt de rechtbank de brief per ongeluk naar het advocatenkantoor van Martijn. Die advocaat stelt zijn cliënt – waar de doorzoeking moet plaatsvinden – op de hoogte, benadert de curator en snelt naar het bedrijfspand.
Een doorzoeking verricht de curator uiteindelijk niet. Bij het bedrijfspand treft hij de advocaat aan. Hij spreekt lang met hem, kijkt door het raam naar binnen en vertrekt.
Willemijn, die in een hevig conflict rond de afwikkeling van het faillissement verwikkeld is, weet niet wat ze meemaakt. Ze ontvangt een excuusbrief van de rechtbank. „Dit had nooit mogen gebeuren.” De gevolgen van de fout – en of er dus bewijs verloren is gegaan – schrijft de rechtbank, zijn „achteraf niet vast te stellen”.
Ze vindt dat advocaat Martijn de brief, die niet voor hem bestemd was, nooit had mogen gebruiken. Volgens haar had hij zijn cliënt niet op de hoogte mogen stellen van de ‘machtiging tot binnentreding’ en had hij de rechter-commissaris direct op de hoogte moeten stellen van de fout van de rechtbank.
En dus dient ze een tuchtklacht tegen advocaat Martijn in. „Hij had maar één juiste handeling: de rechtbank informeren over de fout”, betoogt Willemijn bij de Raad van Discipline. „Het binnentreden was bedoeld om een bevestiging van onregelmatigheden binnen het faillissement te krijgen. Als dat onmogelijk wordt gemaakt, raakt dat het fundament van een eerlijke rechtsgang.”
De zaak zit haar hoog. „Het raakt mij als schuldeiser, aandeelhouder, maar ook als ondernemer. Zo lang dit faillissement niet op integere manier afgewikkeld is, kan ik geen onderneming opbouwen.”
Dan krijgt Martijn het woord. Hij wijst erop dat hij als advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen en dat de advocatenwet hem juist verplicht zijn cliënt van belangrijke informatie op de hoogte te stellen.
Ook wijst hij erop dat de brief niet aan iemand in het bijzonder gericht was, maar ‘to whom it may concern’. Een dergelijke brief kende Martijn, die zelf ook geregeld als curator optreedt, niet. „Binnentredingen vinden niet aan de lopende band plaats in het faillissementsrecht”, zegt hij. Dus belde hij de curator met de vraag: wat speelt hier?
In een gemeenschappelijke ruimte van het gebouw waarin de onderneming gevestigd was spraken advocaat Martijn en zijn cliënt vervolgens met de curator. „Toen heeft de curator besloten niet naar binnen te treden. Wij hebben informatie gegeven die hem op andere gedachten heeft gebracht. Ik kan niet zeggen wat, want dat valt onder mijn geheimhouding.” De curator hierover ondervragen kan niet, die is onverwacht overleden. De advocaat benadrukt dat „het niet zo kan zijn” dat door zijn toedoen bewijsmateriaal afwezig was.
De Raad vindt het „begrijpelijk” dat advocaat Martijn zijn cliënt op de hoogte stelde van de op handen zijnde doorzoeking. Temeer er ‘eenieder die het aangaat’ boven de brief stond. „Sterker nog”, schrijft de Raad, omdat de gedragsregels voorschrijven dat advocaten hun cliënten op de hoogte brengen van belangrijke informatie, „zou juist het niet informeren van zijn cliënt over de brief tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest zijn”.
De tuchtrechters gaan in de uitspraak ook in op tegenstrijdige verklaringen van advocaat Martijn. In de voorfase van de tuchtzaak verklaarde hij namelijk bij de deken, toezichthouder op de advocatuur, dat zijn secretaresse de brief aan zijn cliënt doorstuurde, terwijl hij op de zitting stelde dat zélf te hebben gedaan. Volgens de tuchtrechters heeft Martijn vragen daarover „niet adequaat” beantwoord. „De raad begrijpt dat dit bij klaagster vragen oproept over de gang van zaken en tot wantrouwen leidt.” Een consequentie verbindt de raad er niet aan. Het een sluit het ander niet uit en voor de beoordeling van de klacht is het niet relevant.
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.
Source: NRC