Home

Els en Jeane zijn een 100-jarige tweeling: ‘We hebben samen nog de grootste lol’

Jeane Dümpel en Els de Jong zijn een eeneiige tweeling. Met hun 100 levensjaren zijn ze zeer waarschijnlijk de oudste tweeling van Nederland. Waar mopperen ze ondanks hun zonnige karakter graag over?

Zet de twee zussen bij elkaar en er wordt aan de lopende band gegrinnikt. Ze praten haast als één stem, hun woorden vloeien in elkaar over, de ander tegenspreken of in de reden vallen is er niet bij. De in toenmalig Nederlands-Indië opgegroeide vrouwen zijn aan elkaar verknocht en hun hele leven bij elkaar in de buurt gebleven, ook nu nog. Jeane woont in een verpleeghuis en Els zelfstandig in een flat om de hoek. Normaal ‘babbelen’ ze in de recreatiezaal van het verpleeghuis. Het interview is in de kamer van Jeane, waar haar zus voor het eerst komt.

Els kijkt om zich heen en zegt: ‘Wat heb je een gezellige kamer.’

Jeane: ‘Er past een bed in en niet veel meer, meer heb ik ook niet nodig.’

Els: ‘Je hoeft hier niet te zwemmen.’

Hoe gaat het met u?

‘Jeane: ‘We babbelen graag samen, dat kunnen we nog, dus gaat het goed.’

Els: ‘We zien elkaar te weinig. Ik zou wel elke dag naar je toe willen, maar ik moet gebracht worden en mijn kinderen hebben het druk. Elke donderdag kom ik in ieder geval met je scrabbelen.’

Jeane: ‘We hebben geen reden tot klagen. Hoe het met je gaat, heb je grotendeels zelf in de hand. Met chagrijn bereik je niets.’

Els: ‘Wij zijn verre van chagrijnig. We hebben nog de grootste lol.’

Hoe groot is de drang om samen te zijn?

Els: ‘Heel groot. Je wilt altijd bij elkaar zijn.’

Jeane: ‘We zijn niet van elkaar weg te slaan, dat heb je met een tweeling.’

Els: ‘We hebben een hechte band, we zijn meer dan zussen en vriendinnen. Als kinderen waren we onafscheidelijk. We hadden veel bekijks, iedereen vond het leuk, een eeneiige tweeling die sprekend op elkaar leek.’

Jeane: ‘We droegen dezelfde kleren, totdat we gingen trouwen.’

Betekende trouwen jullie scheiding?

Els: ‘Nee hoor, onze mannen wisten dat we bij elkaar in de buurt wilden blijven en hielden daar rekening mee, anders kregen ze het met ons aan de stok!’

Jeane: ‘Ze zochten werk bij elkaar in de buurt. Onze mannen waren ook Indisch, en goede vrienden voordat ze ons leerden kennen, dat hielp.’

Hielden jullie als kinderen vaak mensen voor de gek, omdat ze het verschil niet zagen?

Els: ‘We zijn allebei heel stout, nog steeds.’

Jeane: ‘We haalden veel streken uit.’

Els: ‘We namen iedereen in de maling, ze wisten toch niet wie wie was.’

Jeane: ‘Dat was voor anderen misschien niet leuk, maar voor ons wel!’

Els: ‘We klommen ook in bomen om mango’s te stelen. Dat was eigenlijk helemaal niet nodig, want mango’s waren heel goedkoop.’

Jeane: ‘Het was niet nodig, maar wel heel spannend.’

Samen durf je meer?

Els: ‘Ja, dat.’

Jeane: ‘Achteraf is het misschien schandalig wat we hebben uitgehaald.’

Wat was zo’n schandalige streek?

Els houdt de lippen stijf op elkaar.

Jeane ook.

In wat voor gezin zijn jullie opgegroeid?

Els: ‘Onze vader was opzichter in het gevangeniswezen, dat zal geen makkelijke baan zijn geweest. Als kind kan het je niet schelen wat voor werk je vader doet, dus vroegen we er niet naar. We hadden nog een jonger zusje, Beppie, en een oudere broer, Fred. Fred is niet oud geworden, maar 18 jaar. Bij de Slag in de Javazee in 1942 is hij omgekomen.’

Jeane: ‘Ze probeerden de Japanners tegen te houden, dat is niet gelukt. Onze broer zat nog maar net bij de marine.’

Els: ‘Onze ouders waren er kapot van.’

Hoe hebben jullie de oorlog beleefd?

Els: ‘Wij zijn buiten schot gebleven. Onze vader was een Hollander, hij moest naar een interneringskamp. Onze moeder was Indisch, gemengd dus, wij bleven thuis bij haar op Java. Om aan geld te komen voor voedsel, verkocht ze van alles uit onze huisraad. Het was schipperen, maar we hebben geen honger geleden. Onze vader leek het niet heel slecht gehad te hebben in het kamp.’

Wat was de aanleiding om van Indonesië naar Nederland te migreren?

Jeane: ‘We zijn in 1956, 1957 vertrokken.’

Els: ‘Het was niet meer veilig.’

Jeane: ‘We woonden in Soerabaja. Indonesiërs wilden geen Nederlandse en Indische mensen meer. Ze bestormden ons huis, stalen alles wat we hadden – het was geen leven meer.’

Els: ‘Iedereen zoals wij trok weg. We zetten een vette streep onder ons leven daar en zijn nooit meer teruggekeerd. We misten het warme klimaat, maar hebben nooit meer aan onze tijd in Indonesië teruggedacht. We moesten verder.’

Jeane: ‘We konden alleen terugvallen op Holland, er was geen andere plek om naartoe te gaan.’

Els: ‘We vertrokken op het schip de Sibajak. Ik met mijn gezin met vier kinderen, in Holland kwamen er nog drie bij.’

Jeane: ‘Ik ging een paar weken later met mijn man en drie kinderen, in Holland kreeg ik er nog een.’

Hoe was de ontvangst na aankomst in Nederland?

Els’ gezicht betrekt: ‘Als ik daaraan terugdenk! We zaten met drie gezinnen in één huis gepropt, in een gehucht met maar één hoofdstraat, De Steeg heette het. We waren het stadsleven gewend, dus verveelden ons kapot – ik wist niet waar ik het zoeken moest. De eerste twee dagen en nachten heb ik gehuild. We moesten ook erg wennen aan het eten – stamppot van aardappelen – zelf koken mocht niet. We waren kruidige gerechten met rijst gewend.’

Jeane: ‘Met mijn gezin kwam ik in een appartement in een pension in Santpoort terecht. Het was een goede opvang, heel sober en schoon.’

Wanneer konden jullie een eigen leven opbouwen?

Els: ‘Na drie maanden kon ik dankzij George, mijn zwager die al langer in Nederland woonde, met mijn gezin in Rijswijk komen wonen. ‘Hier kunnen jullie niet blijven’, zei hij. Hij hielp mijn man ook aan een goede baan bij het ministerie van Defensie.’

Jeane: ‘Wij verhuisden naar Voorburg, vlak bij jullie. Mijn man kon makkelijk aan een baan bij de PTT (voorloper van PostNL, red.) komen.’

Els: ‘Als vrouwen waren we niet gewend om het huishouden helemaal zelf te doen. Dat was een grote overgang. In Indonesië had je een baboe die alles deed. Jeane en ik waren altijd aan het feesten, wandelen en koekeloeren, heerlijk – vrijheid blijheid.’

Jeane: ‘We hadden altijd lol samen. Van mijn buurvrouw in Voorburg leerde ik hoe ik het huis moest schoonmaken. Vegen en dweilen vond ik het ergst.’

Els: ‘Ik deed maar wat. Stamppot maken was gelukkig heel makkelijk, met jus erbij.’

Jeane: ‘Indisch koken is veel bewerkelijker, met al die kruiden. We woonden nooit verder dan een straal van 10 kilometer bij elkaar vandaan.’

Els: ‘Gelukkig was er elke maand een feest van de Indische vereniging, daar ga ik nog steeds heen. Altijd bingo, linedance en lekker eten – er is geen feest als er geen toko is geweest.’

Jeane: ‘Ik kan helaas niet meer naar die feesten.’

Gingen jullie nadat de kinderen uit huis waren gegaan weer vaak samen de hort op?

Els: ‘We zijn gaan scrabbelen, tennissen en badmintonnen – met badminton deden we mee aan wedstrijden dubbelspel. In Indonesië waren we al een goed duo.’

Jeane: ‘We waren goed op elkaar ingespeeld en wonnen elke wedstrijd. Iedereen was bang voor ons. Andere spelers noemden ons ‘die twee gevaarlijke meisjes’.’

Els: ‘We vulden elkaar goed aan. We speelden tot ons 71ste.’

Wat verbaast u aan de huidige tijd?

Els: ‘Vroeger kwamen mensen vaak bij elkaar langs. Nu zijn ze meer op zichzelf. Ze houden hun deuren potdicht voor elkaar, ook buren. Ik vraag me af waarom.’

Jeane: ‘Gelukkig hebben wij elkaar.’

Zijn jullie bang dat de ander eerder gaat?

Els: ‘Daar proberen we niet aan te denken.’

Jeane: ‘Ik hoop dat we samen 102 worden.’

Els: ‘Ach ja, waarom niet?’

Jeane: ‘We hebben nog veel lol samen.’

Els: ‘We mopperen ook wel, maar dat hoort bij het leven.’

Waar mopperen jullie graag over?

Els: ‘Er is niks bijzonders meer op de televisie, je ziet steeds meer herhalingen. En er zijn geen vechtfilms meer. Daar ben ik gek op; als er maar geknokt wordt en er veel klappen vallen, vermaak ik mij wel. Ik kijk het liefst naar actiefilms met Sylvester Stallone, o nee, met Jean-Claude Van Damme, die knokt nóg beter.’

Jeane: ‘Ik hou van waar zij van houdt, dus ook van vechtfilms.’

Els: ‘Een film moet spannend zijn, zoetsappig gedoe verveelt snel. We krijgen nu veel kerstfilms op tv, van die romantische verhalen over een man en een vrouw die elkaar uiteindelijk toch krijgen – zo saai en voorspelbaar.’

Jeane: ‘Vechtfilms zijn heerlijk. Schandalig hè, hoe wij nu praten.’

(Ze liggen allebei in een deuk.)

Stel dat u nu 20 jaar zou zijn en de wereld lag voor u open, welke keuzen zou u dan graag maken?

Els: ‘Ik zou betaald werk zoeken, die kans heb ik nooit gekregen. Een administratieve baan lijkt mij wel wat.’

Jeane: ‘Ik heb niet genoeg gefeest in mijn leven, dus ik zou nog meer feestvieren.’

Jeane Dümpel-Tangel en Els de Jong-Tangel

geboren: 12 augustus 1925 in Tjimahi, toenmalig Nederlands-Indië

wonen: in Leidschendam, Jeane in een verpleeghuis, Els zelfstandig

familie: Jeane: 4 kinderen (1 overleden), 2 kleinkinderen. Els: 7 kinderen (1 overleden), vijf kleinkinderen, 1 achterkleinkind. Samen hebben ze nog één zus, Bep (94).

beroep: Jeane: administratief medewerker, Els: coupeuse

weduwe: Jeane: 1994 , Els: 2011

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next