Met kerst aan tafel zitten met familie: Lena Bril heeft er helemáál geen zin in. En ze is niet de enige. Millennials en gen Z’ers zijn klaar met hun ‘onvolwassen ouders’, met wie je soms maar beter geen contact kunt hebben. Toch?
is filosoof en schrijft voor Volkskrant Magazine over moderne etiquette.
Op een parkeerplaats in het binnenland van Mexico beklimt een Walmartmedewerker het dak van de supermarkt. Onder zijn armen heeft hij grote kabels kerstverlichting geklemd, zijn collega houdt de ladder vapend vast.
Het is eind november en ik ben naar de andere kant van de wereld gereisd om mijn winterdip te ontvluchten. En dus zit ik hier, bij een Starbucks aan de rand van Tehuacán, een stadje bevolkt door studenten en zwerfhonden.
Ik neem een slok van mijn coldbrew, uit de speakers schalt It’s the Most Wonderful Time of the Year en ik voel me voor het eerst in weken gerustgesteld, ontspannen – veilig.
Ik heb een hekel aan kerst. Ik kan me geen ruzieloze of depressievrije feestdagen herinneren. Sinds ik volwassen ben, word ik in december traditiegetrouw gegijzeld door een keten van kerstherinneringen, door wat ik semi-grappend mijn ‘kersttrauma’ noem.
Nu lig ik op 25 en 26 december het liefst op een strand of in bed. Ik weiger aan tafel te zitten met familie. Zulke emotioneel onvolwassen mensen, concludeerde ik na jaren therapie, daar hoef ik geen uren mee te kerstdineren.
En toch, ook dit jaar knaagt die keuze aan me. ‘Het is een volwassen besluit’, zei mijn therapeut. ‘Jij bewaakt jouw grenzen.’
Ja, het voelt voor mij goed, zo’n conflictloze kerst alleen, maar waarom voel ik mij dan niet een goed mens? Waarom voel ik me, liggend onder die deken of in het zand, alsof ik weer een kind ben?
De emotioneel onvolwassen ouder is all around us. Swipe een uurtje op TikTok en je komt ongetwijfeld een verhaal tegen over zo’n gebrekkige vader of moeder. Neem het populaire genre #nocontactvideo’s, waarin volwassen kinderen – vurige blik in de ogen – vertellen waarom ze een ouder niet meer spreken.
Zet de televisie aan en je ziet ze in The Bear (de moeder van chef Carmen), in Succession (de pater familias), Bodem (de moeder van de rouwende Cat) – ja zelfs in Oogappels komt een emotioneel onvolwassen ouder voor (publiekslieveling Merel, de koude kakker).
Als je in de kindkrijgende leeftijd zit en je omgeving zich verzuipt in opvoedboeken, dan is de emotioneel onvolwassen ouder dagelijks onderwerp van gesprek. Want ja, wij twintigers en dertigers zijn zelden tevreden met de opvoeding van onze boomer-en gen X-ouders.
Die oudere generaties praten immers niet over gevoelens, lijken emoties überhaupt nauwelijks te registreren en stoppen hun grieven dusdanig diep weg dat ze, meestal tijdens kerst, abrupt het oppervlak bereiken.
Van de hand van deze volwassen kinderen: Ongezien opgegroeid en Loskomen van emotioneel onvolwassenen, boeken van Lindsay Gibson, een Amerikaanse onderzoeker en psychotherapeut. Gibson constateerde na dertig jaar praten met opgebrande cliënten: ‘De verkeerde mensen zitten in therapie!’ Niet de mensen in de behandelkamer, maar hun ouders zouden haar hulp dringend nodig hebben.
‘Mijn cliënten’, schrijft de psycholoog, ‘tonen zelfreflectie en zijn bereid om te werken aan hun tekortkomingen. De veroorzaker van hun uitputting – een vader of moeder – weigerde echter om in de spiegel te kijken.’ Gibsons eerste boek kreeg bij verschijning weinig aandacht (het was bedoeld als naslagwerk voor vakgenoten, niet als zelfhulpboek) maar groeide in 2024 onverwacht uit tot een online sensatie. Nu zijn er ruim een miljoen exemplaren verkocht en is Ongezien opgegroeid in 37 talen verkrijgbaar.
Ik kocht het boek op aanraden van een therapeut, onderstreepte zin na zin. Al die angsten, dacht ik, het ligt dus níét aan mij. It’s the parents, stupid.
In de Mexicaanse winterzon herlees ik de moderne klassieker De correcties (2001). Het leek me een interessant literair genealogisch onderzoek, een studie van de generaties in de beroemde familieroman van Jonathan Franzen: de pre-babyboomers (de generatie van mijn grootouders) en de gen X’ers (de generatie van mijn ouders).
Jaren geleden – ik was net begonnen bij een psychiater – drukte een collega me Franzens laat-kapitalistische kerstverhaal in de hand. ‘Helpend’, leek het hem. Destijds had ik nog geen notie van termen als ‘intergenerationeel trauma’ of ‘een narcistische ouder’. Voor het eerst zag ik mijn kerstmalaise gespiegeld in de literatuur.
Nu, bij tweede lezing, is het niet te missen hoezeer deze mensen een voorbeeld zijn van ‘emotioneel onvolwassenheid’. De bekrompen moeder Enid, met haar onverwoestbare verlangen naar een laatste ‘perfecte’ kerst voorop. Ze voldoet aan vrijwel alle criteria van psycholoog Lindsay Gibson:
1. Onbuigzaam, vastberaden (moeder Enid heeft de canapés die niemand wil eten al besteld, noteert vluchttijden van vliegtuigen die nog niet zijn geboekt, wuift afzeggingen weg als tijdelijke misverstanden).
2. Egocentrisch, empathieloos en afhankelijk van de goedkeuring van anderen (als een vrouw op een cruise haar in een zeldzaam openhartig gesprek toevertrouwt dat haar dochter is vermoord, houdt zij zich vooral bezig met de vraag of de vrouw in een duurdere kamer verblijft dan zij).
3. Geen zelfreflectie en enkel bezig met eigen behoeften (Enids man, nauwelijks in staat om te lopen, móét ‘gezellig’ meedoen met de activiteiten van de Pleasurelines Cruise).
4. Emotioneel grillig, bang voor intimiteit en grote gevoelens (vader kan daar overigens ook wat van: bij elk confronterend gesprek sluit hij zich op in de kelder, of overrompelt zijn gesprekspartner met technische feiten over de bedrading van feestverlichting).
De stuwende kracht achter de ‘emotionele onvolwassenheid’ van vader en moeder is hun fixatie op het beeld van het ideale middenklassekerngezin. Een ‘goed’ gezin was er een met twee auto’s voor de deur, met een grote barbecue in de tuin, met jaarlijkse kerstkaarten waarin de successen van het nageslacht (met óók zo’n perfect kerngezin) worden opgesomd.
Materiële welvaart, wilde Franzen maar zeggen, was in dit tijdsgewricht – de millenniumwisseling – de échte kernwaarde in de meeste families.
De drie kinderen van dit echtpaar willen natuurlijk, zoals elke generatie, ontsnappen aan het lot van hun ouders. Ze willen het anders doen, béter (corrigeren, zo je wilt). Ze zijn vertrokken naar Grote Steden, ver weg van het kleingeestige platteland, op veilige afstand van hun racistische, veroordelende ouders.
Wie tegenwoordig het lot van zijn ouders wil ontvluchten, neemt zich dat niet alleen plechtig voor of verhuist naar de andere kant van het land, maar gaat in therapie. Stellen met een kinderwens bezoeken bewust een psycholoog vóór het eerste kind komt ‘om de cyclus te doorbreken’.
Ze schrijven brieven aan hun ouders met de boodschap: geen oppasdagen met de kleinkinderen, voordat jullie ‘met iemand gaan praten’. Of ze verbreken, in overleg met psycholoog of coach, het contact volledig om ‘los te komen van giftige patronen’.
Ik hoopte ook dat mijn psychiater me kon bevrijden van het juk van mijn ouders (en mijn gepieker, dat ook). Hij zei: jij hebt nooit geleerd wat gevoelens zijn. Geduldig hielp hij me mijn emoties onder woorden brengen. Maakte het laatste kerstdiner me... bang? Of: boos?
Het correct benoemen en communiceren van mijn gevoelens, begreep ik, was het summum van volwassenheid – en dé manier om te ontsnappen aan het lot van mijn ouders. Goed aanvoelen wat mijn lichaam en gemoed nodig hadden, wat mijn behoeften waren, zou mij helpen naar een minder angstig en kalmer bestaan.
Een emotioneel onvolwassen ouder die wél in therapie ging, is de pre-babyboomer Joan Didion. In het veelbesproken Notities voor John (2025) beschrijft Didion minutieus haar sessies met een psychoanalyticus.
Die therapeut is ingeschakeld omdat haar dochter, Quintana, alcoholist is en gebukt gaat onder de disfunctionele relatie met haar ouders. Als lezer begrijp je snel waarom.
Didion is, precies volgens de definitie van psycholoog Lindsay Gibson, egoïstisch en altijd bezig met zichzelf en haar werk. Het ontbreekt haar aan empathie (de therapeut moet het gezichtspunt van haar dochter voor de schrijver uitspellen). Didion is niet in staat diepe gevoelens te ervaren, ze bewaart altijd een veilige afstand en moet daarom alles – dwangmatig? – optekenen.
‘Je kunt toch ook doen alsof je gelukkig bent?’, verklaart de moeder als de depressie van haar dochter ter sprake komt. ‘Als je glimlacht, word je volgens onderzoekers al vrolijker.’ Kerstdiners bereidde de schrijver met ijzeren discipline voor, met lange lijsten en planningen, verslagen en evaluaties van de avond. Ook voor Didion, een kind van de oorlog, was de materiële buitenkant wezenlijker dan het gevoelsleven van Quintana.
Maar of de hulp van de therapeut uiteindelijk de relatie tussen moeder en dochter zou verbeteren, blijft gissen – vlak na de vastgelegde sessies met de psychoanalyticus overleed de dochter aan een alvleesklierontsteking.
Een jaar nadat ik begon met therapie, meldde ik mij niet alleen af voor het kerstdiner, maar verbrak ik vrijwel alle familierelaties. De slopende gezinsdynamiek – ik kon me er niet tegen wapenen.
Dat was bepaald niet uniek, bleek de afgelopen maanden. ‘No-contact gaan’ met je ouders is door The New Yorker zelfs tot trend uitgeroepen. Kwaliteitsmedia als The Guardian en The Atlantic bespraken afgelopen jaar uitgebreid boeken met titels als The Power of Parting: Finding Peace and Freedom Through Family Estrangement en No Contact: Why Grown Children End Parent Relationships – and How to Cope, Heal, and Move Forward.
Ook in Nederland maakt het thema zijn entree op de maatschappelijke agenda. Eind november publiceerde Haroon Ali het journalistieke boek Het blijft toch je familie. De boodschap van deze stroom verhalen: gezinsbreuken moet uit de ‘taboehoek’.
Zo’n contactstop met een ouder is zelden een eenvoudige keuze, blijkt uit de verhalen die Ali verzamelde voor zijn boek. Zo’n keuze, vertellen de ervaringsdeskundigen, heeft altijd een lange voorgeschiedenis van emotioneel geweld – en het gemis blijft, zeker met kerst.
Maar kijk naar de filmpjes van ‘no-contacters’ en je ziet weinig van die fantoompijn. De TikTokkers benadrukken juist de voordelen van de breuk: voor hun nachtrust, hun mentale welzijn, hun persoonlijke ontwikkeling.
Wie goed zoekt, vindt ook videoverslagen van de ouders van deze volwassen kinderen. ‘Ze kreeg haar zin niet’, verklaart een vader van een twintiger. ‘Een maand later ontving ik een brief dat ze mij niet meer wilde zien of spreken.’
De vanzelfsprekende rolpatronen in het gezin zijn dood, verklaart Lindsay Gibson in een interview met emotiegoeroe Oprah Winfrey. Millennials, en zeker gen Z’ers, denken niet ‘het blijft toch je familie’, maar beschouwen een ouder volgens de psycholoog eerder als een vriend. De band met een vader of moeder is voor hen niet vanzelfsprekend: de ouder moet de relatie met het volwassen kind verdienen.
Gibson, in datzelfde interview met Oprah: ‘Deze generaties zijn uitgeput. Ze kunnen zich nét staande houden in deze uiterst complexe wereld. Ze hebben geen energie voor hun emotioneel onvolwassen ouder. Ze moeten zichzelf beschermen.’
Mexico. Mijn reisgenoot en ik zitten in de binnentuin van een restaurant. We eten maissoep met miso uit keramieken kommen. Het einde van de reis nadert, de realiteit van het thuisfront dringt zich op – en dus komen de kerstplannen ter tafel.
Hij vraagt: wat wil je, waar heb jij behoefte aan? Wil je met mijn familie mee-eten?
Ik sla mijn armen over elkaar, schuif mijn stoel harder dan nodig naar achter. De soeplepel dondert van tafel. Nee, zeg ik. Ik wil wakker worden op 25 december en niets moeten. Zodat ik mij niet hoef te verexcuseren als die somberte zich weer van mij meester maakt.
Direct voel ik me schuldig. Wat ben ik ook een egoïst, enkel bezig met mezelf. Hakkelend vervolg ik: maar ik wíl het wel, een kerst met familie, met de mijne, met de jouwe. Misschien moet ik het gewoon weer proberen.
Mijn reisgenoot zucht:
‘Volgens mij kost dit de meeste energie. Dat getwijfel.’
Moraliteit, schrijft Jonathan Haidt in Generatie angststoornis (2024), wordt van generatie op generatie doorgegeven.
Je ouders leren je hoe een goed mens te zijn, die dat weer van hun ouders hebben geleerd. Vanaf de jaren zestig liepen kerken leeg, krompen gezinnen, gingen Amerikanen alleen bowlen en versoepelden – ook in Nederland – vastomlijnde familienormen.
De strikte hiërarchie met vader bovenaan brokkelde af, familierelaties werden een keuze in plaats van een gegeven, het concept ‘plicht’ verloor haar monopolie in ons waardensysteem. Door die lossere familienormen verwatert volgens Haidt het morele kader waarmee kinderen opgroeien.
De millennial is daarvan de eerste testcase: niet eerder groeide een generatie op zonder herinnering aan een gemeenschappelijke cultuur waarin men een notie van wat ‘een goed mens’ was deelde.
Hun ouders, de boomers en gen X’ers (die zich hadden bevrijd van die façade en fatsoensnormen van de generatie van Didion en moeder Enid) hebben hen opgevoed met de boodschap ‘doe wat goed voelt!’.
Die opdracht is voor velen juist hetgeen wat het leven zo ‘complex’ maakt. Voortdurend aanvoelen waar de persoonlijke behoefte ligt, afwegen en berekenen of keuzes wel genoeg opleveren of te veel inspanning kosten – zoals een emotioneel explosief kerstdiner – is uitputtend. Zeker als zij botsen met waarden waar millennials en gen Z’ers weinig applaus voor ontvangen: plichtsbesef en loyaliteit.
Haidt volgt daarmee de cultuurkritiek van socioloog Frank Furedi. In Therapy Culture schreef Furedi al rond de millenniumwisseling hoe de psychologisering van de samenleving mensen minder weerbaar, minder sterk, minder zelfredzaam maakt. In zo’n therapiecultuur zijn ‘normale’ tegenslagen al snel een bedreiging voor de mentale gezondheid en kan alleen een psycholoog ernstige schade voorkomen of herstellen.
Volgens Furedi is onze notie van ‘het zelf’ daardoor veranderd: we zien haar niet langer als autonoom en veerkrachtig, maar als fragiel en afhankelijk. Zowel Furedi als Haidt vrezen morele aftakeling – therapiecultuur zou een stap achteruit zijn, een bedreiging voor onze beschaving. Het maakt mensen, jawel, onvolwassen: kompasloze, overgevoelige, egoïstische kinderen.
In het vliegtuig terug naar huis luister ik met een half oor naar de instructies van een steward. Ja, ja, de zuurstofmaskermetafoor: eerst jezelf helpen, dan de mensen om je heen.
Kent zelfhulp een eindpunt? Wanneer komt het moment dat je niet uitgeput bent, dat je je veilig voelt, dat je zelf emotioneel volwassen bent – en energie overhoudt voor anderen?
De correcties eindigt ermee dat moeder Enid haar bekrompenheid afschudt. Na een rampzalige kerstviering (spoileralert!) en het overlijden van de pater familias accepteert Enid haar falende, ‘onfatsoenlijke’ kinderen – de lesbische ontslagen dochter, de werkloze naar Litouwen vertrokken zoon – voor wie zij zijn. Hun relatie verbetert aanzienlijk.
Voor de oudste zoon – een kopie van vader – gaat die karakterontwikkeling niet op. Hij houdt, in tegenstelling tot zijn broer en zus, afstand tot zijn moeder. De oudste laat moeder nooit zien wat hij écht vindt, wie hij in werkelijkheid ís.
Het is alsof hij, uit angst om op zijn ouders te lijken, vergeet zelf een individu te zijn. Hij houdt zijn ouders gevangen in het familieportret, zijn mentale beeld van moeder en vader is gefixeerd – en dat maakt hem blind voor de verandering die zijn moeder doormaakt.
Hun verstandhouding verandert nauwelijks: zij blijven beiden vastgeroest in de oude moeder-zoondynamiek.
Wie een emotioneel volwassen ouder wenst, luidt de moraal van De correcties, moet zélf volwassen worden. Een volwassenheid die niet alleen emotioneel is (zoals: empathie tonen en je gevoelens kunnen benoemen), maar een die doet denken aan wat Joan Didion in haar beroemde essay On Self-Respect ‘zelfrespect’ noemt. Zelfrespect, schrijft Didion, is de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor je leven, voor wie je nu bent. Dat betekent ook: je fouten aannemen als jóúw fouten (en niet als een gevolg van je hechtingsstijl, kersttrauma, als de schuld van je ouders).
Therapiecultuur staat zulke volwassenheid in de weg. Zo’n cultuur moedigt in het ergste geval egoïstisch gedrag aan, focust op de eigen behoeften, het persoonlijke welzijn. En die cultuur, met haar bijbehorende psychobabbel werkt zwart-witdenken in de hand: het deelt ouders in hokjes in (emotioneel bekwaam? A. Ja. B. Nee).
Zulke taal wil ambivalenties wegpoetsen, en wist de mogelijkheid dat mensen veranderen uit. Therapiecultuur en haar nauwe begrip van ‘veiligheid’ legt ook te veel druk op ouders, stelt Joshua Coleman in Rules of Estrangement (2021). Ouders maken nu eenmaal fouten, zijn geen psychologen die voortdurend emotionele veiligheid kunnen waarborgen, of elke vorm van mentale malaise bij hun kroost kunnen herkennen en voorkomen (sociale klassen, relaties met leeftijdsgenoten en genen zijn net zo goed vormend).
Bovendien is in deze therapiecultuur geen ruimte voor verantwoordelijkheid of vergiffenis: kinderen hebben weinig oog voor de worsteling van hun ouders, hun wonden, of factoren die de opvoeding bemoeilijkten (zoals, ja, confronterend: jij een lastig kind was).
Het antwoord ligt volgens Coleman in een gesprek tussen generaties – en juist zulke moeilijke, ‘frictievolle’ situaties gaan de voorkomende twintigers en dertigers uit de weg.
Wat brengt die therapiecultuur mijn generatie dan wél? Is de focus op emotionele volwassenheid een vorm van moreel verval, een stap terug ten opzichte van onze ouders?
Zo voelt het niet. Leren aanvoelen en communiceren over emoties, heeft mijn relaties enorm verbeterd. Het concept ‘emotionele onvolwassenheid’ gaf mij de mogelijkheid los te komen van mijn ouders, en alle ruimte om die nieuwe ‘diepe gevoelens’ te ervaren.
Ik ben niet langer bang voor emoties, hoef ze niet te verhullen, niet langer schone schijn op te houden – dat lijkt me een vorm van vooruitgang.
Elke generatie heeft zo’n verhaal nodig: over hoe we de fouten van onze ouders kunnen corrigeren. Tot de millenniumwisseling was dat dominante verhaal: economische groei. De pre-babyboomers, de boomers, de gen X’ers geloofden allemaal dat ze meer geld, grotere huizen, smakelijker eten op tafel konden zetten dan de doorgekookte sperziebonen of wereldgerechten uit hun jeugd.
Dat verhaal van vooruitgang hapert: het is voor twintigers en dertigers een stuk moeilijker om de welvaart van hun ouders te overtreffen. Dat verhaal heeft bovendien een vieze bijsmaak gekregen – economische groei heeft daarom plaatsgemaakt voor een verhaal over persoonlijke groei. En mijn generatie gelooft in dit verhaal: het geeft ons motivatie om ons best te doen, om aan de slag te gaan met onszelf, relaties te verbeteren – en op onze manier bij te dragen aan een volgende generatie.
Misschien is therapiecultuur geen stap terug. Misschien, als we het gesprek met eerdere generaties niet uit de weg gaan, is het een weg naar een nieuwe synthese. Als we bereid zijn te leren van de fouten én de verdiensten van onze ouders en hun voorouders. Want soms is het waardevol om gewoon je plicht te vervullen, je werk te doen, trouw te zijn aan familienormen en tradities – ongeacht je behoefte of de effecten op je mentale gezondheid.
Eenmaal terug op Nederlandse bodem sneeuwt het, voor het eerst dit jaar. Ik stap de aankomsthal in, de kerstlichtjes keurig uitgelijnd aan de plafonds, en even denk ik het silhouet van mijn moeder te herkennen tussen de ‘Welkom thuis’-ballonnen. Vergeten kerstherinneringen schieten door mijn hoofd. De dampende pan met linzen in het vakantiehuis op de verlaten berg in Frankrijk. De geur van haardvuur, van gesmoorde uien, van dennennaalden. Mijn ouders in fleecetruien, lachend, ontspannen.
In de trein zweven mijn vingers boven mijn iPhone, en dan, als ik mijn spiegelbeeld gereflecteerd zie in het donkere raam, typ ik de woorden waar ik al weken naar zoek:
‘Mam, wil je dit jaar samen kerst vieren?’
Drie golvende bolletjes vullen mijn scherm – er is contact.
‘Lieverd, laten we dat niet doen. Te veel spanning. Kom je een andere keer thee drinken?’
Lena Bril publiceerde dit jaar In therapie – Een persoonlijke zoektocht naar houvast. Ze heeft nog geen plannen voor kerst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant