Toen godsgeloof verdrongen was door de rede, gold de kerk als bolwerk van de contrarevolutie. Twee excentrieke predikanten in het Oost-Pruisische Königsberg ondervonden wat dit kon betekenen, in het nieuwe boek van historicus Christopher Clark.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Doorgaans beginnen de auteurs van dikke boeken met een kleine vingeroefening. Maar de Australische historicus Christopher Clark (1960) deed het omgekeerde: na vuistdikke boeken over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (zijn veelgeprezen Slaapwandelaars uit 2012) en het revolutiejaar 1848 (Europese lente, 2024), komt hij nu met een ‘kleine geschiedenis’. Tweehonderd bladzijden.
Al lang had deze casus hem gefascineerd: een geloofsstrijd die in de vroege 19de eeuw woedde in het Oost-Pruisische Königsberg – de huidige Russische exclave Kaliningrad.
Eigenlijk ging het om een confrontatie tussen aanhangers van de verlichting en twee, enigszins excentrieke, predikanten die naar eigen zeggen de koude rede en een warm geloof met elkaar wilden verzoenen: Johann Ebel en Heinrich Diestel.
Het probleem was niet dat ze het Bijbelboek Genesis aan een nieuwe, enigszins complexe, interpretatie onderwierpen. Voor hun ‘aufgeklärte’ – verlichte – tijdgenoten had de religie tenslotte als leidend principe afgedaan. Problematischer was dat Ebel en Diestel vanwege de dweepzucht van hun veelal vrouwelijke aanhangers van sektarisme werden beticht.
En als je het over sektes hebt, doen al snel geruchten de ronde over perversies en seksuele uitspattingen. Dat was ook in de vroege 19de eeuw al zo.
Ebel had met zijn feminiene trekken de schijn hoe dan ook tegen. Als vertrouwenspersoon van vrouwen die hun zielenroerselen met hem bespraken, oogstte hij wrok bij echtgenoten voor wie die rol niet was weggelegd. Aan het gistende brouwsel van achterdocht, na-ijver en verdachtmakingen werd ook nog een snufje klassenstrijd toegevoegd: Ebel was geen man van het volk maar een dienaar van de adel.
De pastorale praktijken van Diestel gaven minder aanstoot, maar hij vestigde de aandacht op zichzelf met geharnaste geschriften waarin hij het voor zijn belaagde confrère opnam.
Met een beroep op de publieke opinie, als ware dat iets dat buiten hun macht lag, beijverde de elite van de verlichting zich voor de verwijdering van Ebel en Diestel uit het openbare leven van Königsberg. Hun ‘religieuze obscurantisme’ werd niet verenigbaar geacht met de nalatenschap van de filosoof Immanuel Kant, Königbergs beroemdste telg. De campagne tegen het tweetal ging gepaard met tal van scabreuze onthullingen, die geloofwaardiger werden geacht naarmate ze vaker werden herhaald.
Zo zou het geloofsleven in de gemeente van Ebel zijn getekend door ‘kastijding en naaktheid’. Echtparen zouden zijn aangemoedigd om de liefde te bedrijven in de nabijheid van hun predikant. Ebel zou zijn volgelingen hebben voorgehouden dat buitenechtelijke seks tussen ‘geheiligden’ geen zonde was.
Hij zou geen problemen hebben gehad met masturbatie, ‘een verborgen pandemie die de gezondheid van hele samenlevingen aanvrat’. De ‘serafijnse’ genietingen waartoe de volgelingen van Ebel zouden zijn aangezet, waren zo verwerpelijk dat ze met een kuise pen niet te beschrijven vielen. Wat niet wegnam dat veel kranten het toch probeerden.
Het Koninklijk Gerechtshof in Berlijn toonde zich ontvankelijk voor de roddel en achterklap die over de twee predikanten werden uitgestort. In 1839 werden zij wegens ‘plichtsverzuim met voorbedachten rade’ uit hun ambt ontzet, en uitgesloten van elke openbare functie. Ook moesten zij het onderzoek bekostigen dat tot hun veroordeling had geleid.
Bij dit alles verwees de rechtbank naar een controversiële verordening uit 1788 die al jaren niet meer van kracht was. Het was de uitvoerders van de verlichte rechtspraak er kennelijk zoveel aan gelegen om duidelijk te maken dat religie haar primaat had verloren.
Later werden de aanklachten tegen Ebel en Diestel weliswaar enigszins verzacht, vooral op het punt van de seksuele ontsporingen, maar eerherstel werd hun onthouden. Ebel, die in 1861 overleed, werkte als ambteloos burger zijn gedachten over de wording van het universum uit in ‘de verwarrendste en minst genietbare teksten die ooit gedrukt zijn’, zoals een tijdgenoot oordeelde.
Als herkenbare zedenschets van een perifere Pruisische provinciestad voldoet Een schandaal in Königsberg zonder meer. Ook vanwege de stilistische zwier waarmee Clark de fysieke onaantrekkelijkheid van stad en ommelanden beschrijft. ‘De kade langs de Pregel had een van de mooiste van Duitsland kunnen zijn als de huizen daar niet met de achterkant, ‘die nog lelijker was dan de voorkant’, naar het water zouden zijn gebouwd.’
Maar het verhaal over Königsberg zou mogelijk aan zeggingskracht hebben gewonnen als Clark het in een breder, Europees verband had geplaatst. Als hij had laten zien dat de verlichting, die tot op de dag van vandaag een positieve connotatie heeft, elementen van absolutisme bevatte die niet alleen uitmondden in de veroordeling van twee Pruisische geestelijken, maar ook in de Jacobijnse terreur na de Franse Revolutie en de ideologieën van de postchristelijke 20ste eeuw.
Dit neemt niet weg dat de vergeten affaire die Christopher Clark met zoveel smaak heeft opgetekend meerdere hedendaagse elementen bevat: de maatschappelijke gevoeligheid voor alles dat naar sektarisme riekt, politici en ambtsdragers die hun handelswijze legitimeren met een verwijzing naar ‘de publieke opinie’, het gemak waarmee religie als een relict van een grijs verleden wordt weggezet en verdachtmakingen die zo vaak worden herhaald dat ze op een zeker moment voor feiten doorgaan.
De predikanten Ebel en Diestel mogen dan in de vergetelheid zijn geraakt, het krachtenspel waarvan zij het slachtoffer werden doet heel eigentijds aan.
Christopher Clark: Een schandaal in Königsberg. Uit het Engels vertaald door W. Hansen. De Bezige Bij; 190 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant