Home

Nederlandse schaakromans door de ogen van schaker en Lubach-komiek Tex de Wit

Diep vanbinnen wil Lubach-komiek Tex de Wit eigenlijk alleen maar schaken. Schaakromans lezen: ook mooi, maar dan moeten de pionnen wél goed op het bord staan. Klopt dat allemaal een beetje?

‘Wil je leren schaken of wil je leren dammen?’, vroeg mijn moeder op mijn 8ste verjaardag. ‘Kies maar.’

Ze liet een groot houten bord zien dat aan de ene kant een schaak- en de andere kant een dambord was.

Dat soort borden komt er bij mij nu niet meer in. Waarom zou een schaakbord nog een andere functie moeten hebben? Je geeft een viool toch ook niet een paar toetsen op de achterkant?

Schaken of dammen. Ik heb nog best vaak aan dat keuzemoment gedacht. Als ik op dat moment ‘dammen’ had gezegd, was ik dan nu een dammer geweest? Nee, ik denk dat ik dan na vijf minuten had gezegd: ‘Mam, verkeerde inschatting van mijn kant, wil je me toch leren schaken?’

In het ergste geval was ik vijf minuten later met schaken begonnen.
Zodra ze het doosje met schaakstukken openmaakte en de beginstelling opzette, was ik verliefd. Op het hout, op de verschillende stukken; de torens, de lopers en de paarden vooral, terwijl ik nog geen idee had wat ze deden, wat hun functie was.

Het was 1994, ik was 8 jaar en ik was een schaker.

Liefde voor het spel

En dat ben ik nu, 31 jaar later, nog steeds. Tuurlijk, ik doe ook andere dingen in mijn leven. Ik werk bij een televisieprogramma, neem podcasts op, maak puzzelboeken en dan heb ik ook nog een gezin.

Maar dat is allemaal afleiding. Diep van binnen wil ik, zoals elke schaker, eigenlijk alleen maar schaken.

Dus was ik verheugd toen er twee nieuwe schaakromans verschenen. Die bespreek ik hier, niet op stijl of plot, maar op hun schaakniveau: Schijnoffers van Daan Heerma van Voss en De laatste schaker van Max Pam. Ik ben geen literair recensent, maar iets beoordelen op schaakniveau, dat kan ik wel.

Dat doen schakers namelijk automatisch. Zodra het schaakspel opduikt in de ‘normale wereld’, in reclames, boeken of films, dan checkt de schaker of de scène recht doet aan de schoonheid van ons heilige spel. Staat het bord goed opgesteld (dat betekent een wit vakje rechtsonder, geen zwart vakje), slaan de gespeelde zetten ergens op, en is het met liefde voor het schaakspel gemaakt?

Mijn eerste ervaring daarmee was positief. Toen ik 9 was, kwam Lang leve de koningin uit, een film over Sara, een meisje dat met behulp van een magisch schaakspel leert schaken. Al het schaken in de film klopt. En dat is geen toeval, de film is geregisseerd door Esmé Lammers, kleindochter van wereldkampioen schaken Max Euwe.

Ik keek de film zo’n vijf keer in een week en nog maandenlang droomde ik van levende schaakstukken.

Heb je die film gemist, dan had je de schaakregels ook kunnen leren via de Amerikaanse televisieserie The Wire (2002), over drugshandel in Baltimore. In de derde aflevering legt D’Angelo Barksdale aan twee andere leden van de drugsbende het spel zo uit: ‘You get the other dude’s king, you got the game. But he trying to get your king too, so you gotta protect it. Now, the king, he move one space any direction he damn choose, ’cause he’s the king.’

Helder toch? D’Angelo gebruikt de schaakregels ook als metafoor om de hiërarchie binnen de drugsorganisatie duidelijk te maken aan de jongens. Nog één les dan, over promotie van de pion: ‘Now, if the pawn make it all the way down to the other dude’s side, he get to be queen. And like I said, the queen ain’t no bitch. She got all the moves.’

Of je het nu leert van een koningin met een magisch bord of van een dealer op een straathoek in Baltimore – schaken blijft schaken.

Vaak wordt schaken in films gebruikt om iets te duiden. Bijvoorbeeld een groot intellect. In de Bondfilm From Russia with Love (1963) zien we twee grootmeesters een schaakpartij spelen. De Tsjechoslowaak Kronsteen tegen de Canadees McAdams. Het staat 11,5 - 11,5, dus dit is al de 24ste partij van de match.

In een spannende stelling krijgt Kronsteen ineens een servetje aangereikt van een ober, met daarop de geheime boodschap ‘you are required at once’. Hij leest het bericht, verslaat nog even snel zijn tegenstander, verlaat direct de zaal en meldt zich bij boevenclub Spectre, waar hij hoofd planning is.

Het lijkt me niet heel praktisch om als hoofd planning van een criminele organisatie aan een wekenlange schaakmatch mee te doen, maar dat nemen we maar met een korreltje Bond.
In de film Austin Powers: The Spy Who Shagged Me (1999) speelt Austin Powers een schaakpartij tegen de Russin Ivana Humpalot. Schaaktechnisch slaat het allemaal nergens op, maar grappig is het wel. De scène begint zo:

Ivana: ‘Do you know how we keep warm in Russia?’

Austin: ‘I can guess baby.’

Ivana: ‘We play chess.’

Austin: ‘I guessed wrong.’

Maar geoefende spelers zijn het niet, want het bord staat verkeerd (zwart vakje rechtsonder) en Austin Powers slaat met zijn paard een pion die gedekt staat. Een enorme blunder. Toch schrikt Humpalot enorm van de zet van Powers en hierna begint de heiligschennis pas echt, als Ivana allemaal schaakstukken betast en aan de koning likt.

Ik loop al een tijdje mee in de schaakwereld, maar dat heeft een tegenstander van mij nog niet vaak gedaan.

Goed bezig, Louis Vuitton

De laatste jaren wordt er veel meer aandacht besteed aan de juiste weergave van het schaakspel. In 2023 kreeg een Louis Vuitton-reclame 40 miljoen likes op Instagram:

We zien Lionel Messi en Cristiano Ronaldo tegen elkaar schaken. De stelling op hun bord (of eigenlijk: koffer) komt uit een echte partij tussen Magnus Carlsen en Hikaru Nakamura, niet toevallig de twee beste schakers van dat moment.

Goed bezig, Louis Vuitton – al heb ik ook na die reclame nog steeds geen tas van 1.500 euro aangeschaft.

Voor de Netflix-hit The Queen’s Gambit heeft niemand minder dan voormalig wereldkampioen Garri Kasparov de makers geadviseerd over de keuze van de schaakpartijen die Beth Harmon speelt in de serie. Dat niet alleen, op de set liep een ervaren schaaktrainer rond om de acteurs te leren hoe een echte schaker schaakt, tot het fysiek uitvoeren van de zetten aan toe.

Een echte schaker zegt bijvoorbeeld geen ‘schaak’ als-ie iemand schaak zet, want dat zien beide spelers echt wel. Een tennisser roept ook geen ‘backhand’ als hij de bal met zijn backhand slaat.

Ook qua schaken in de literatuur zitten we in een gouden periode. Vorig jaar verscheen Intermezzo, van de Ierse schrijver Sally Rooney. Het gaat over twee broers die hun vader verliezen en dit op totaal verschillende wijze proberen te verwerken. De jongste broer, Ivan, is een schaaktalent en vindt steun bij een oudere vrouw.

Rooney heeft ervaren schakers betrokken bij het schrijfproces van de schaakscènes, en dat merk je. Ik zou zeggen: lees dat boek. Schaken, seks en rouwprocessen, wat wil een mens nog meer.

Doe eens een normale zet

En dit najaar verschenen dus twee Nederlandse schaakromans. In Schijnoffers, van Daan Heerma van Voss, volgen we afwisselend journalist David en zijn moeder Ella, die beiden worstelen met hun plek in de wereld. Ze zijn figuranten (pionnen?) in het leven van vader en topschaker Max de Nobel.

Hoewel De Nobel een fictief personage is, meende ik in hem voormalig wereldtopper Jan Timman te herkennen. Daar heb ik een aantal kleine aanwijzingen voor: Timman is geboren in 1951. Max de Nobel ook. Timman verloor een match om de wereldtitel tegen Anatoli Karpov, Max de Nobel ook. De bijnaam van Timman was ‘Best of the West’. Van Max de Nobel ook. Timman was getrouwd met een Surinaamse vrouw en woonde in een groot huis aan het Vondelpark, Max de Nobel ook. Het kan natuurlijk allemaal toeval zijn, maar ik denk dat ik iets op het spoor ben.

In 1985 wint De Nobel een belangrijk schaaktoernooi in Taxco, Mexico (net als Timman). Hoewel Heerma van Voss volgens mij zelf geen schaker is, slaagt hij er knap in om ons mee te nemen door het toernooi. Van de voorbereiding op de partijen tot het verwerken van teleurstellende resultaten, het voelt voor mij als schaker geloofwaardig.

Wel gaat het schaaktechnisch soms even mis. Een partij van De Nobel tegen de Rus Romansjev begint zo: ‘Max schoof zijn eerste zwarte pion naar voren. Romansjev bewoog een wit paard naar f6.’ Dit moet andersom zijn. Wit speelt een pion en het zwarte paard gaat naar f6. Dat lijkt een detail voor niet-schakers, maar het is het schaak-equivalent van: ‘de keeper neemt een penalty en de spits stopt het schot’.

Verderop in het boek beschrijft hij een partij tussen Max en zoon David, die inmiddels een geoefende schaker is, als volgt:Het begin van een partij is nog simpel: er zijn maar twintig mogelijkheden waaruit een speler kan kiezen.’

So far, so good, dit klopt. Wit kan op de eerste zet zestien pionzetten doen en vier paardzetten, twintig in totaal dus. Maar dan: ‘David, spelend met wit, schuift de eerste pion naar c3.’

Pion van c2 naar c3 is inderdaad mogelijk als eerste zet, maar 1.c2-c3 wordt door sterke schakers echt nooit gedaan. Vader Max speelt verder alsof het de normaalste zaak (zet) van de wereld is, maar de echte Jan Timman had ongetwijfeld ingegrepen en gezegd: ‘Zoon, doe eens even heel gauw een normale eerste zet.’

En misschien vindt u mij nu een beetje vervelend en denkt u: waar houdt hij zich mee bezig, dit zijn maar details. Maar als schaker kunnen we niet om die details heen. Het zijn valse noten in een mooi muziekstuk. En laat ik voorop stellen: Schijnoffers is een mooi muziekstuk! Lees het boek vooral.

Schaken, seks en scheidingen, wat wil een mens nog meer.

Een soort kruiswoordpuzzel

In De laatste schaker van Max Pam is alles qua schaken dik in orde. Pam is zelf een schaker en dat spat ervan af. Zo begeven we ons op pagina 129 vijftien zetten diep in de Drakenvariant van het Siciliaans, een spannende opening waar elke fout fataal kan zijn.

Het boek is een ode aan lang vervlogen schaaktijden en de schakers die daarvan deel uitmaakten. Hoofdpersoon is grootmeester Viktor Sanders, die zijn geld verdient met het verzorgen van schaaksimultaans op cruiseschepen. Een paar weetjes over Sanders: hij maakte ooit in een partij een grote blunder (hij zette zijn paard op het ongelukkige veld a1), was een goede wielrenner, deed mee aan een televisiequiz en hij heeft een schaakcolumn in de krant.

Viktor Sanders is een fictief personage, maar kenners ontdekken in hem een boeket van bekende schakers. Grootmeester Hans Ree zette in een dramatische partij tegen de Fin Heikki Westerinen ooit zijn paard op a1, Tim Krabbé was een goede wielrenner, Hans Böhm deed mee aan Ook dat nog! en Max Pam zelf had jarenlang een schaakcolumn in de krant.

Voor schakers is het boek van Pam sowieso een soort kruiswoordpuzzel. Jan Hein Donner en de Spaanse grootmeester Arturo Pomar versmelten samen tot het personage Merlijn Domar. Hans Niemann, de schaker die door Magnus Carlsen van valsspelen werd beticht, heet in dit boek Franz Lunamann en de Russische grootmeester Daniil Dubov noemt Pam David Dubovsky.

Maar het toppunt in de namencarrousel is de aanpassing van de naam Gennadi Sosonko, een echte Russische schaker die in de jaren zeventig naar Nederland kwam, naar Gennadi Bobonko.

De écht grote schakers houden hun eigen naam. Karpov, Kasparov, Aljechin, Euwe, Lasker en Carlsen krijgen geen alter ego. Net als in het boek van Heerma van Voss trouwens. Al is ook hij niet vies van wat subtiele aanpassingen, zo noemt hij de Britse grootmeester Short niet Short, maar Long.

De laatste schaker voelt soms als een aanklacht tegen de modernisering en de intrede van de computer in het schaken. Viktor Sanders ziet de komst van de computer als het einde van het echte schaken. Hij hunkert naar de tijd waarin schakers werden vereerd als mysterieuze wezens, en bohemiens kettingrokend achter het schaakbord zaten.

Pam is het met zijn hoofdpersoon eens, in een interview zei hij onlangs: ‘Ik ben enkele jaren geleden met mijn schaakcolumns gestopt, want ik heb ’t gevoel dat het met schaken afgelopen is. Schaken heeft niet meer die glans van vroeger, toen de denksport nog omgeven was door magische geheimzinnigheid.’

Ik snap Pams nostalgie, het schaken is met de komst van de computer veranderd, absoluut. Maar nog steeds zijn er overal in het land kleine zaaltjes waarin amateurs elkaar met rode wangen naar de keel vliegen en waar grootmeesters nog altijd worden bekeken alsof ze een ander soort mens zijn, alleen niet langer gehuld in sigarettenrook.

Schaakcolumns verdwijnen, maar schaakstreams met partijanalyses hebben miljoenen views. Schaakclubs krijgen zo veel nieuwe aanmeldingen dat er wachtlijsten nodig zijn.

En ik? Ik schaak na dertig jaar nog steeds met dezelfde verwondering als toen mijn moeder het bord voor het eerst voor me neerzette.

De ‘laatste schaker’, die hebben we denk ik nog lang niet gezien. Niet zolang miljoenen mensen op de wereld hun hart blijven verliezen aan het schaakspel. Maar laat dit je er niet van weerhouden om De laatste schaker te lezen. Schaken, cruiseschepen en nostalgie, wat wil een mens nog meer. Nóg meer schaken misschien.

Daan Heerma van Voss: Schijnoffers. Atlas Contact; 384 pagina’s; € 24,99.

Max Pam: De laatste schaker. Prometheus; 208 pagina’s; € 20,99.

Tex de Wit (1986) is hoofdschrijver bij het tv-programma Lubach. Met Anna Gimbrère en Stefan Pop maakt hij de podcast Zo opgelost, en samen met Thomas Swierts schrijft hij puzzelboeken: Quizpuzzels. Tex schaakt bij VAS in Amsterdam en is Fide-meester (FM).

Zijn favoriete openingszet is 1.d2-d4.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next