Sommige mierensoorten verkiezen kwantiteit boven kwaliteit, blijkt uit nieuw onderzoek. Door werkers te produceren met een zwakker pantser besparen ze op voedsel en kan de kolonie in omvang toenemen. Dat zegt ook iets over mensen, meent een Amsterdamse mierenexpert.
Wie komen als winnaars uit de strijd: tien tot de tanden toe bewapende ridders in harnas of honderd boeren met hooivorken? Niet alleen een middeleeuwse landheer stond voor een dergelijk dilemma, ook de natuurlijke evolutie moest soms kiezen tussen een handvol elitesoldaten of een legioen van doorsnee vechters.
Mieren weten wel raad met deze kwestie. Verscheidene soorten investeren structureel minder voedingsstoffen dan soortgenoten in het versterken van het exoskelet, het stevige pantser dat de mier tegen uitdroging en tal van andere gevaren beschermt. Zo houden ze meer voedsel over voor een grotere kolonie. Dat blijkt uit een vrijdag verschenen studie, gepubliceerd in vakblad Science Advances.
Individuele werkmieren mogen met hun verzwakte harnas dan wel minder robuust zijn, het in grotere collectief gaat erop vooruit. Dat is vanuit evolutionair oogpunt een succesvolle strategie, concludeert het internationale team van biologen.
Aan de hand van driedimensionale röntgenscans van meer dan vijfhonderd mierensoorten hebben de wetenschappers gemeten hoe dik het pantser van de beestjes was. Die diktes vergeleken zij met de hoeveelheid mieren die verschillende kolonies tellen. Het gevonden verband? Hoe dunner het exoskelet van de individuele insecten, hoe hoger de aantallen mieren per nest.
Het onderhoud van een dik uitwendig skelet vergt een dieet van beperkt beschikbare voedingsbronnen, zoals stikstofrijk voedsel en mineralen als zink en mangaan. Om meer werkers te kunnen voorzien van voedsel, moet er dus worden beknibbeld op de individuele bescherming, stellen de biologen.
Een groter collectief geniet de voorkeur. Meer mieren kunnen complexere taakverdelingen aan. Ze hebben de mogelijkheid om meer voedsel te verzamelen. En ze bieden betere bescherming tegen indringers van het nest. Voornamelijk de laatste factor leidt tot een zichzelf versterkend effect: een beter beveiligd fort geeft de mieren de evolutionaire kans zich een nog dunner harnas aan te meten, wat vervolgens weer leidt tot meer mieren.
Bijkomend voordeel is dat minder eetlustige mieren zich beter kunnen aanpassen aan veranderende leefomstandigheden tijdens voedselschaarste. Mieren met een dunner exoskelet splitsen zich makkelijker op in nieuwe soorten, wat weer bijdraagt aan de verspreiding van deze insecten.
Mierenexpert Jonna Kulmuni (UvA) is enthousiast over de nieuwe studie. ‘Ontzettend interessant hoe ze laten zien dat deze dieren, waaronder de in Nederland voorkomende rode bosmier, de voorkeur geven aan veel ‘goedkope’ individuen in plaats van slechts een paar sterke exemplaren.’
Volgens de onderzoeker valt er een lijn te trekken naar hoe mensen zich hebben ontwikkeld in een soortgelijke complexe maatschappij. ‘Deze studie laat duidelijk zien dat samenwerkende dieren geen manusje-van-alles meer hoeven te zijn. Ze kunnen elk hun eigen rol aannemen binnen de bescherming van het collectief. Ook wij kunnen ons specialiseren in specifieke taken zonder altijd op onze hoede te hoeven zijn, omdat we altijd kunnen leunen op het werk van anderen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant