Radiomaker Met pijn in het hart stopt Frits Spits (77), die in de studio nog altijd verandert in een stuiterend jongetje, na 52 jaar met radiomaken. „Radio is een parallelle wereld waarin ik heel gelukkig kan zijn.”
Iemand moet er als eerste zijn. Donderdagochtend om negen uur zit Frits Spits al achter zijn laptop wanneer de overige redactieleden van radioprogramma De Taalstaat het vergaderzaaltje in het gebouw van KRO-NCRV binnendruppelen. Wanneer hij wordt gevraagd naar zijn gemoedstoestand, beweegt er even iets rondom zijn ogen. We zitten in Spits’ laatste weken als presentator van zijn succesvolle zaterdagse taalprogramma en het naderende einde, een afsluiting van 52 jaar radiomaken (dat getal noemt hij vrij vaak), laat hem niet onberoerd.
Maar eerst moet er vergaderd worden en dat gebeurt volgens een vast stramien. De uitzending van de zaterdag ervoor wordt rubriek voor rubriek doorgelopen, in de volgorde waarin ze ook op de radio aan de orde komen. Lukte het om het gesprek over taal te laten gaan? Waren de zenuwen van een bepaalde gast niet te hinderlijk? Wanneer een van de redacteuren opwerpt dat er meer aandacht besteed had moeten worden aan het overlijden van Joost Prinsen, is Spits gedecideerd: „Vorige week was het ondergesneeuwd, nu maken we komende week iets heel moois.”
Als het gezelschap de uitzending een cijfer heeft gegeven („een zes en een half”, maar dat zeggen ze eigenlijk elke week tegen elkaar) wordt volgens dezelfde routekaart de komende uitzending tegen het licht gehouden. Dus gaat het weer over het Vergeetwoord, de sociale-mediarubriek Digitaalstaat en de ‘TNA’ (dat staat voor ‘taalnatuuranalyse’) van een bekende Nederlander. Samen met de grotere gesprekken, zoals over de taalschat van de week, structureren die rubrieken het programma, waarin via de Nederlandse taal ook veel over literatuur, muziek en de wereld wordt gezegd. Spits vertelt zijn collega’s welke gasten hij al heeft gesproken; hij voert voorgesprekken graag zelf.
Wanneer het gesprek afdwaalt naar de voorbereiding van het Groot Dictee der Nederlandse Taal – het op tv gesneefde programma dat door De Taalstaat succesvol werd gereanimeerd op de radio – komt er ineens allemaal geluid uit de laptop van Spits. Een melodietje en een stem die het Groot Dictee der Nederlandse Taal aankondigt, vanuit de bibliotheek in Deurne. Verbaasde blikken bij de redactie, een blij gezicht bij de presentator. Hij laat de jingle nog een keer horen, samen met een paar bumpers, voor tussen de verschillende programma-onderdelen. „De vormgeving is klaar”, zegt de 77-jarige radiomaker, in wie zich een kleine metamorfose heeft voltrokken: aan de vergadertafel zit ineens een jongetje, domweg gelukkig met een bumpertje.
Frits Spits in de studio van Radio 1 in Hilversum
Die gedaanteverwisseling – uiteindelijk die van de vriendelijke zeventiger Frits Ritmeester (zijn echte naam) in de leeftijdsloze deejay Frits Spits – is dezelfde die zich elke zaterdagochtend om elf uur voltrekt in de studio op het Mediapark in Hilversum. Op het moment dat in de studio de tune van Acda en De Munnik klinkt, ten teken dat De Taalstaat op het punt staat te beginnen, begint Spits in zijn stoel te stuiteren – zoals hij in zijn eerdere radioleven een zekere faam genoot onder studiopersoneel vanwege zijn gewoonte om, niet per se heel zuiver, mee te zingen met de plaatjes die hij draaide.
„Dat jongetje is er nog steeds”, zegt Spits een paar dagen na de uitzending. „Zodra ik het signaal van een radioprogramma op mijn koptelefoon krijg, leef ik in een andere wereld. De wereld van het geluid en het verlangen om er met de luisteraar een feest van te maken. Ik weet dat ik me dan anders gedraag en daar verbaas ik me zelf ook over.”
„Misschien wel. De radio is in elk geval de wereld waar alles even goed is, een parallelle wereld waarin ik heel gelukkig kan zijn. In de gewone wereld ook wel, maar op de radio is er iets meer zekerheid, iets meer garantie voor geluk.”
„Maar dat komt ook door mij. Ik houd van structuur. En ik denk een luisteraar ook. Een radioprogramma is een soort gebouw waar je binnenkomt. Dan wil je toch weten: waar is het toilet, waar kan ik een boterham eten? Ik kan wel improviseren, maar ik wil de structuur vast hebben. Als een programma elke week anders is, wordt de luisteraar knetter en raak je hem kwijt.”
„Dat is de laatste jaren wel erger geworden. Dat ik om de twee weken mijn werkkamer wil schoonmaken, is iets waar ik niet meer vanaf zal komen. Ik heb maar met mezelf afgesproken dat ik me daar niet meer druk om zal maken; misschien is het de leeftijd. Ik vind het prettig om dingen afgerond te hebben.”
Nu is Spits zijn radioleven aan het afronden. Als kind speelde hij al dj’tje en bedacht hij de artiestennaam Frits Spits. Het rijmde zo lekker. Toen hij als twintiger werd aangesteld als NOS-presentator en in 1978 dagelijks De Avondspits ging doen op wat toen Hilversum 3 heette, probeerde hij als ‘Frits Ritmeester’ de ether in te mogen, maar daar wilden zijn bazen niet aan. Afgezien van een kort en in verschillende opzichten ongelukkig intermezzo bij de televisie – in die periode zat hij in de auto naar zijn werk de plaatjes aan te kondigen die hij afspeelde op zijn casetterecorder – maakte hij een halve eeuw radio. Eerst dagelijks De Avondspits, daarna elke dag Tijd voor Twee op Radio 2 en een avond per week Met het Oog op Morgen.
Frits Spits in het Radiohuis van de NPO in Hilversum
Toen hij elf jaar geleden met pensioen zou gaan, kreeg hij de vraag wat hij nog zou willen. „Ik zei: een taalprogramma. Ik had een schemaatje gemaakt van hoe dat eruit zou moeten zien en men zei: ga het maar maken.”
„Daar was ik me niet zo van bewust, maar ik had geen zin om dit in de avonduren te gaan doen. Ik wilde een tijdstip waarop je er een hoop mensen tegelijkertijd een plezier mee kunt doen.”
„Ik dacht: twee of drie jaar, maar we hebben het er nooit meer over gehad. Er kwam voor mij veel in samen. En taal is waar ik het meeste van houd. Ik wilde de schoonheid en de vrolijkheid van de taal laten zien. Mensen deelgenoot maken van waar ik, samen met de hele redactie natuurlijk, enthousiast over ben, dat is wel een talent van me, denk ik. Ik zie radioprogramma’s nog altijd als het zolderkamertje waar je met vrienden en vriendinnen zit en zegt: kijk eens wat een mooi boek ik heb. Kijk eens wat een mooie plaat ik heb. Lees maar. Luister maar. Dat is de essentie.”
„Vermomd is het niet, vind ik. Ik vind het fantastisch om over boeken te praten, om te weten wat een schrijver bezighoudt en waarom hij bepaalde woorden kiest. Maar het werk moet altijd het uitgangspunt zijn. Laatst was Peter Buwalda te gast bij Eva Jinek en daar ging het bijna niet over zijn boek, terwijl ik wil weten: wat staat er in De jaknikker? Maar dat is voor dat programma blijkbaar minder interessant.”
„Ik ben uit liefde voor literatuur Nederlands gaan studeren. Eerst deed ik economie, dat was uit een beroepskeuzetest gekomen die mijn vader me had laten doen. Ik wilde eigenlijk toen al bij de radio, maar er was nog geen school voor de journalistiek. Economie was geen succes. Maar ik werd bij het studentencorps wel lid van het literaire dispuut Homerus. Daar ging het over poëzie. Ik dacht: jullie kunnen me wat, ik ga Nederlands studeren. Toen las ik Het uur U, van Martinus Nijhoff. Dat vond ik zo fantastisch. Het heeft zoiets geheimzinnigs: het spelen met tijd, het spelen met de dood en het leven. Of de Mei van Gorter, de jazzgedichten van Remco Campert.”
„Ik wil graag de regie houden over mijn eigen leven. Ik heb het idee dat het programma nu nog goed is, maar volgend jaar ben ik 78. Een paar jaar geleden heb ik een klein hartinfarct gehad. Ik merk dat het me fysiek steeds meer moeite kost en ik wil het moment waarop ik het niet meer kan voor zijn. Dat lijkt me ontluisterend. Ik wil niet over de rand. Vooral ook niet voor het programma. Het is verstandig om te stoppen, it’s life.”
„Ook wel met het hart hoor, voor het programma. Dat verdient het allerbeste en ik weet niet of ik het allerbeste kan blijven geven. En gelukkig blijft het bestaan, met Ronald Giphart als nieuwe presentator. Het is in heel goede handen bij samensteller Lisette de Groot, redacteuren Bart Kool en Jeroen van Kan en eindredacteur Ellen Hollemans.” Later preciseert hij: „Wat de Taalstaat extra bijzonder maakt is de chemie die bestaat tussen Lisette de Groot, samensteller maar ook mijn geliefde en mij. Vaak zorgt die voor een vorm van betovering.”
„In de loop van dit jaar heb ik er veel over nagedacht en het werd me geleidelijk aan duidelijker dat dit was wat ik ging doen. Hoeveel pijn het ook oplevert.” Hij pauzeert even: „Het is natuurlijk mijn leven; ik heb 52 jaar radio gemaakt.”
De afgelopen jaren schreef Spits een aantal boeken, waarin hij liedjes die hem dierbaar zijn gebruikte als raamwerk om te vertellen over wat hem bezighield, zoals de rouw na de dood in 2018 van zijn vrouw Greetje in Alles lijkt zoals het was (2019). Jaren geleden zei hij al dat hij het liefst schrijvend zou willen eindigen. „Toen ik begin dit jaar bedacht dat ik misschien zou stoppen met De Taalstaat, ben ik een dagboek gaan bijhouden, dat in maart of april volgend jaar moet verschijnen. Dat vind ik geweldig om te doen; op papier nadenken over vragen als waarom ik nu stop en niet volgend jaar of het jaar daarna. Schrijven is verslavend.”
„Ik was meer een prater. Ik dacht altijd: mijn moeder kan mooi schrijven, dus laat ik er maar niet aan beginnen. Zij begon in de jaren vijftig, zestig met kinderboeken, maar heeft ook liedjes geschreven, als ‘Ik ben gelukkig zonder jou’, voor Conny Vandenbos. Daarna is ze over de oorlog gaan schrijven. Ze heeft een boekje geschreven, Afkloppen [1990], over haar ouders. Die zijn vermoord in Auschwitz, maar dat woord heeft ze nooit over haar lippen kunnen krijgen. Ze sprak wel over de oorlog, ze heeft ons alles verteld over de Duitsers, en hoe ze krantjes heeft rondgebracht en naar Zwitserland is gegaan…”
„In de jaren negentig maakte ik een programma over Westerbork. Toen ik daar was, dacht ik: ik ga toch eens in die boeken met vermoorde Joden kijken, misschien staan mijn grootouders er wel bij en ze stónden erbij. Ik denk dat ik dat ergens van binnen ook wel wist.”
„Ik heb het geprobeerd, maar dat was bijna niet te doen. Toen ik zag dat het haar zo veel verdriet deed, heb ik het maar gelaten. Dat is wat je in zo’n situatie moet doen als je veel van iemand houdt. Ze wilde ons niet belasten met die geschiedenis. Dat was naïef natuurlijk. En volstrekt onmogelijk.”
„Belast voel ik me helemaal niet…”, begint Spits. „Maar ik weet dat dit mijn achtergrond is. En ik weet dat ik de regie over mijn leven wil hebben, zelf wil bepalen bij wie ik wil horen. Ik wil me niet laten definiëren door anderen. Dat ik Joods ben, is een deel van mij. Maar ik ben ook een Nederlander, een Eindhovenaar of een Larenaar – ik woon nu in Laren. Intussen worden mensen voortdurend door anderen gedefinieerd: jij hoort daarbij, jij hoort dáárbij, jij zult wel zo zijn. Ik vind dat verschrikkelijk.”
„Ik heb een paar jaar geleden een novelle geschreven waarin het over die oorlogsverhalen gaat, maar ik weet niet of die goed genoeg is. Die zou uitgebreid moeten worden. Maar ik merk ook dat als ik daarover ga schrijven, het me emotioneel raakt. Het is een enorme tocht en ik weet niet of ik dat kan opbrengen.”
Twee dagen na het gesprek ligt Afkloppen van Hanny S.R. Meijler in de brievenbus – te leen. Het is het exemplaar met een handgeschreven opdracht waarin de auteur ‘liefste Greetje, liefste Frits’ bedankt voor hun trouw en liefde en waarin ze schrijft: „Ze hebben in elk geval een plaatsje. Mijn moeder, mijn vader.”
Afkloppen is een aangrijpend oorlogsverhaal, over een jonge vrouw die het echtpaar dat zich over haar geliefde ontfermd had vindt, nadat zij uit angst voor de bezetter een einde aan hun leven hebben gemaakt. Haar eigen ouders verdwijnen, al laat Spits’ moeder hun precieze bestemming inderdaad ongenoemd. Er staat ook een passage in waarin de ik-figuur vertelt hoe zij kritiek krijgt op haar ‘gewroet in de oorlog’. Haar man zegt dat het onverstandig is, „maar een bekend verschijnsel bij het ouder worden”. Sommige van haar kinderen (ze heeft er vier) vinden het te veel. Meijler schrijft: „Dan denk ik: dat zal wel en het is niet goed. Ik ben van nature een opgewekt type. Vrolijk. Romantisch. Dat is leuk. Zo moet ik blijven. Ze hebben gelijk. Ik zal proberen niet meer over de oorlog te praten. Niet meer zo veel over de oorlog te praten.”
„Er zit een scène in het boekje”, zegt Spits een paar dagen later aan de telefoon, „waarin mijn moeder in de oorlog naar het huis van haar ouders belt en de telefoon maar blijft overgaan. Dat stukje geeft me elke keer weer een gevoel van onmacht. Ik probeer bij haar verdriet te komen, maar voel me machteloos. Mijn moeder kon prachtige verhalen vertellen. Toen wij kinderen waren vertelde ze ons op zondagmorgen in bed over Nils Holgersson.”
„Ik denk het wel. Godzijdank heb ik de oorlog niet meegemaakt, maar ik wil wel opgewekt zijn. Ik duw de zwaarte weg. Als kind heb ik alles wat los en vast zat over de oorlog gelezen, keken we naar de documentaireserie De bezetting van historicus Loe de Jong op tv. Maar op mijn achttiende dacht ik: nu weet ik het wel. Ik wilde radio maken.”
Frits Spits werd in 1948 als Frits Ritmeester geboren in Eindhoven en studeerde enige tijd economie in Amsterdam, waarna hij overstapte naar een studie Nederlands. Die maakte hij af terwijl hij al (sinds 1978) presentator was van radioprogramma De Avondspits. Na een kort intermezzo bij de televisie (het programma Nieuwsspits en een functie bij het bedrijf van Joop van den Ende) keerde hij in 1990 terug bij De Avondspits. Voor de NOS presenteerde hij ook Met het Oog op Morgen.
Tussen 1995 en 2013 maakte hij Tijd voor twee op Radio 2, daarna volgde het goed beluisterde De Taalstaat op Radio 1 (met zo’n 300.000 luisteraars). In 1999 werd hij onderscheiden met de Zilveren Reissmicrofoon. Spits schreef verschillende boeken, waaronder Zestig Strepen (2008), De Standaards van Spits I en II (2015 en 2017), Alles lijkt zoals het was (2019) en Op de golven dansen wij (2023).
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Wat moet je deze week kijken? Tips voor boeiende programma's series en films
Source: NRC