Graag had ik u op deze plek een roerdomp gegund. Vogelhater, vogelliefhebber, het maakt niet uit: iedereen heeft baat bij een beetje roerdomp. De diepe, melancholieke hoemptoon, de verwoede pogingen waarmee hij in ‘paalhouding’ op een rietstengel probeert te lijken ondanks zijn logge lijf – er gaat een zekere troost van uit. Ogenschijnlijk is hij de kleerkast onder de reigers: gedrongen nek, robuuste borst. Maar onder dat machismo gaat een kwetsbare vogel schuil. De roerdomp worstelt met zijn bestaan. Al twintig jaar staat hij op de Rode Lijst van bedreigde broedvogels, omdat het hem ontbreekt aan geschikt leefgebied.
Des te hoopvoller dus dat er afgelopen weekend één neerstreek in Amsterdam, midden in het Vondelpark. Opgetogen biologen, 5 kilometer fietsen van mijn huis: deze column leek zichzelf te schrijven. Tot de griep toesloeg.
Geen roerdomp dus, want als er iemand goudeerlijk is dan is het de columnist. Die indruk wekken althans twee boeken op mijn nachtkastje, half verscholen onder de zakdoekjes: Verzinnen doen wij niets en Ik heb nog nooit gelogen. De eerste een verhandeling van bioloog Marga Coesèl over anderhalve eeuw Nederlandse natuurcolumns, de tweede de biografie van wijlen oppercolumnist Hugo Brandt Corstius door Elsbeth Etty.
The first rule of writing: don’t talk about writing, hoor ik u denken. Nóóit de vierde wand doorbreken. Of zoals Brandt Corstius in 1969 al in zijn beginselverklaring waarschuwde: „Volkskrant-columnist Nooteboom, altijd al zeer personalistisch, schreef één keer over het schrijven van een kolom. Sindsdien is er niets meer van hem vernomen.”
Toch neem ik het risico. Bij gebrek aan roerdomp deel ik een andere reigerobservatie, die ik vorige week deed met Marga Coesèl en haar man Peter. Ze hadden me van het station in Weesp gehaald, ik zou Marga interviewen, onderweg praatten we over natuurcolumns. Een zieltogend genre, tegenwoordig wijdt vrijwel geen enkele columnist zich nog geheel aan de natuur. Te apolitiek, te dromerig. Laurens Dassen en Lidewij de Vos leveren meer leesminuten op dan de egel, Wouter Koolmees scoort beter dan de roerdomp.
Net buiten Muiderberg aanschouwden we in een weiland een episch gevecht: een grote zilverreiger die een blauwe reiger te lijf ging. De laatste stond roerloos langs de waterkant, de eerste aasde op diezelfde post. Waarom was onduidelijk, de sloot leek lang genoeg voor twee. Hoe dan ook liet de blauwe (die eigenlijk grijs was; in tegenstelling tot columnisten verfraaien biologen de boel voortdurend) zich niet wegpesten.
Het werd een titanenstrijd, als tussen aartsengel Michaël en Satan, als tussen Gandalf en de Balrog. Ik citeer natuurcolumnist Eli Heimans, in De Groene Amsterdammer uit 1903: „Soms is de natuur zoo ongelooflijk wonderlijk dat wij, populariseerders, niet eens de volle waarheid durven schrijven, uit vrees dat onkundigen het voor fantasie zullen houden.” Uiteindelijk gooiden de vogels het op een akkoord en koos de zilverreiger (die eigenlijk wit was) het hazenpad (À propos, taalkunstenaar Brandt Corstius indachtig: hoeveel woorden kent u, naast hazenpad, die twee diersoorten inéén zijn?).
Die avond voltooide ik thuis een puzzel van duizend stukjes met de vogels van Nederland erop. Of negenhonderdnegenennegentig, want één stukje ontbrak: de snavel van de roerdomp.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC