Home

In sport scoren vrouwen in Nederland al tijden beter dan mannen, maar gelijkheid ho maar

Medailles worden in Nederland vooral gewonnen door vrouwen. Dat was ten tijde van Fanny Blankers-Koen al zo en dat is nu nog steeds. Desondanks is de strijd van de sportvrouw nog niet gestreden.

is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.

Vijf vrouwen komen tijdens het NOCNSF-Sportgala in aanmerking voor de titel sportvrouw van het jaar. Het aanbod aan kampioenen was zo groot dat drie namen, zoals bij alle andere categorieën, volgens de vakjury niet logisch was. Dat het moeilijk was om het aantal verkiesbare vrouwen terug te brengen onderstreept iets wat steeds duidelijker wordt: Nederlands succes steunt in grote mate op de vrouwelijke sporters.

Woensdagavond wordt op Papendal bekend waar de stemmen van de jury, sporters en coaches naartoe zijn gegaan. Wordt het schaatser Joy Beune, die afgelopen voorjaar bij de WK afstanden in Hamar driemaal wereldkampioen werd? Of Femke Bol, die in september in Tokio haar wereldtitel op de 400 meter horden prolongeerde? Of Jessica Schilder, die bij datzelfde toernooi geschiedenis schreef als eerste Nederlandse wereldkampioen kogelstoten? Dan is er nog Lorena Wiebes, wielerwereldkampioen op de weg, op gravel en op de baan. En natuurlijk Marrit Steenbergen, die voor het tweede jaar op rij wereldkampioen werd op de 100 meter vrije slag.

Hetty van der Wouw met drie wereldtitels op het velodrome in het Chileense Santiago, drong niet eens tot de laatste vijf door. Ook Femke Kok, die voor het derde jaar op rij wereldkampioen op de 500 meter werd én als eerste Nederlandse vrouw deze eeuw een schaatswereldrecord vestigde, kwam niet op een verkiesbare plaats. ‘We zijn heel goed in vrouwensport’, constateerde juryvoorzitter Bas van de Goor bij de bekendmaking van de namen.

Geen onderscheid tussen mannen en vrouwen

Die opmerking geldt niet alleen voor 2025. In 1947 lanceerde het weekblad Sportief een prijs voor ‘die sportvrouw of sportman, die de voor Nederland meest opmerkelijke prestatie heeft verricht’. De eerste winnaar? Fanny Blankers-Koen, die op dat moment haar stunt van viermaal goud op de Spelen in Londen nog moest uitvoeren. Het jaar erop, toen ze als ‘flying housewife’ de wereld over was gegaan, won ze opnieuw. In 1950 bestond de prijs al niet meer.

Een vervolg kwam er toen omroep Avro in 1951 de eerste nationale sportverkiezing organiseerde. Weer was er geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, al blijkt uit de kranten en televisiegidsen uit die tijd dat er misschien toch verschil werd gemaakt. Vaak werd het nieuwe initiatief als ‘verkiezing van sportman (of sportvrouw) van het jaar’ aangekondigd.

Abe Lenstra had de primeur, hij werd sporter van het jaar 1951. Meer dan tienduizend radioluisteraars stemden op de ‘Heerenveen-crack’, meldde De Telegraaf. Hij hield Fanny Blankers-Koen (8.103 stemmen) achter zich. Een jaar later werd Lenstra opnieuw tot sporter van het jaar uitgeroepen, nu voor atlete Puck Brouwer, die op de Spelen in Helsinki zilver had veroverd op de 200 meter. De sporter van 1953 werd wielrenner Arie van Vliet.

Daarna bleek dat de vrouwelijke sporters zich daadwerkelijk tussen de haakjes vandaan konden worstelen. Met 8.942 stemmen werd zwemster Geertje Wielema, Europees rugslagkampioen, tot sporter van 1954 verkozen. In De Maasbode verscheen een sarcastisch stukje over de radio-uitzending. ‘Dat weten wij dus weer: Geertje Wielema, de ranke zwem-den uit Hilversum, gekozen tot beste sportvrouw van het jaar 1954. Het twintigjarige waternymphje liet alle populaire mannen achter zich, Tour-de-France-virtuoos Wout Wagtmans en ‘Never-say-die’-bokswonder Bep van Klaveren incluis.’

Een jaar later kreeg Wielema in Mary Kok een opvolger. De toen pas 15-jarige zwemster had wereldrecords op de 100 en 200 meter vlinderslag aangescherpt, net als op de 400 meter vrije slag. In de jaren erop volgden weer drie mannen: turner Klaas Boot (1956), judoka (1957) Anton Geesink en wielrenner Gerrit Schulte (1958). Daarna werd, zoals in veel andere landen al gebruikelijk was, de verkiezing gesplitst. Vanaf sportjaar 1959 kende Nederland een sportman én sportvrouw van het jaar.

Een klap in het gezicht

Sjoukje Dijkstra was, in de woorden van dagblad Het Vrije Volk, de eerste ‘Miss Sport’. De kunstschaatser werd uiteindelijk zesmaal op rij tot sportvrouw van het jaar verkozen. Zeker dat laatste jaar (1964), waarin Dijkstra olympisch kampioen geworden was, zou een andere uitkomst een ‘slap in the face’ zijn geweest, merkte sportschrijver Nico Scheepmaker op in weekblad Vrij Nederland.

Hij constateerde tegelijkertijd dat er in de jaren ervoor bij de mannen meer variatie in winnaars was geweest. ‘Er is dus kennelijk een grotere keus bij de heren dan bij de dames, enerzijds begrijpelijk, omdat er nu eenmaal meer mannen dan vrouwen aan sport doen, anderzijds toch wel vreemd, omdat door de jaren heen onze damessport internationaal betere successen placht te bereiken dan de herensport.’

Aanvankelijk was sport, een 19de-eeuwse uitvinding, een mannenaangelegenheid. Toen er grofweg vanaf 1900 mondjesmaat wat vrouwen de ruimte kregen om ook te sporten, lag de nadruk veel minder op kracht en snelheid dan bij de mannen. Bij vrouwen was sierlijkheid het doel. Dat gold ook voor sporten die we nu kennen als pure kracht- of snelheidssporten. Neem het roeien. In 1914 werd de eerste officiële ‘stijlwedstrijd’ uitgeschreven. De laatste? In 1970.

In dat opzicht mag het niet verbazen dat de eerste succesvolle sportvrouwen zich vooral toonden in de sporten waar sierlijkheid belangrijk zijn, zoals in Dijkstra’s discipline. Of in disciplines waarvan men vond dat die pedagogisch verantwoord waren, ook voor meisjes, zoals zwemmen en gymnastiek. En soms kwam dat samen, zoals bij het turnen, waarin Nederland in 1928 de landenwedstrijd voor vrouwen won. Veel lastiger was het om een plek te veroveren in sporten waar spierkracht duidelijk boven sierlijkheid ging.

In de jeugdherberg

Vier jaar nadat het langebaanschaatsen voor vrouwen olympisch was geworden, besloot schaatsbond KNSB in 1964 ook een schaatsster af te vaardigen. Niet Stien Kaiser, die met haar 25 jaar als te oud werd beoordeeld. Dat was een leeftijd om huisvrouw te worden, niet om rondjes het hardst over het ijs te schaatsen, vonden de mannelijke bondsbestuurders. En dus ging de 21-jarige Wil de Beer.

Zij ervoer op dagelijkse basis al dat een fanatiek sportende vrouw in die tijd iets opmerkelijks was. ‘Als ik ging hardlopen, dan kreeg ik grappig bedoelde opmerkingen naar mijn hoofd. Er deden nog maar weinig vrouwen aan hardlopen en mensen moesten dan wat zeggen’, vertelde ze een aantal jaar geleden. Bij de Spelen in Innsbruck moest ze het zonder eigen begeleiding zelf maar een beetje uitvogelen. Gescheiden van de mannen, die in een ander gebouw waren ondergebracht, voelde ze zich eenzaam. Haar beste resultaat: 16de op 1.500 meter.

Carry Geijssen, die vier jaar later in 1968 op de 1.000 meter als eerste Nederlandse olympisch langebaankampioene werd, ervoer die ongelijkheid ook. Als zij met de nationale ploeg op reis ging overnachtte ze in jeugdherbergen terwijl voor de mannen hotelkamers geregeld werden. Maar, zo stelde ze een paar jaar geleden, de mannen hadden op dat moment al meer bereikt dan de vrouwen. Dus misschien was dat niet zo vreemd.

De minirok van Mieke Sterk

Of wel? In de atletiek zijn er acht Nederlanders geweest die zich wereldrecordhouder mochten noemen. Nul daarvan waren man. Van Lien Gisolf, die in 1928 het wereldrecord hoogspringen verbeterde, tot Femke Bol (regerend wereldrecordhouder op de 400 meter indoor): het waren allemaal vrouwen. Nelli Cooman, oud-wereldrecordhouder op de 60 meter, constateerde een paar jaar geleden al dat goede prestaties de achterstand die vrouwen ervaren niet ongedaan maken. Uiteindelijk hadden zij hun succes aan hun eigen strijdbaarheid te danken. ‘Als vrouw moet je altijd knokken, of het nou in de topsport is of in de maatschappij.’

Vaak loopt dat parallel. Toen Mieke Sterk, lid van de 4x100-meterestafetteploeg, voor de Spelen in Mexico-Stad helemaal in de geest van protestjaar 1968 de lange rok die ze voor de openingsceremonie van NOC had gekregen had ingekort tot een mini-rok werd dat een hele rel. De mannen die aan het roer van het Nederlandse olympisch comité stonden, dreigden haar op het vliegtuig terug naar Nederland te zetten. Zover kwam het niet. Het Nederlands record dat ze met haar ploeggenoten in de finale vestigde, 43,44 seconden, bleef 43 jaar lang staan.

De sport volgde in grote lijnen de emancipatiegolven die door de hele maatschappij trokken. Dat is een onmiskenbare reden voor de steeds grotere rol die de Nederlandse sportvrouwen op het wereldtoneel zijn gaan spelen. Niemand kijkt er hier vreemd van op als een jonge vrouw een topsportcarrière nastreeft, terwijl dat in heel veel andere delen van de wereld niet het geval is. Niemand die nog ‘vliegende huisvrouw’ heet of in de krantenkolommen ‘waternimf’ genoemd wordt. En hier kunnen sportvrouwen doorgaans rekenen op dezelfde faciliteiten als hun mannelijke collega’s. Zeker in de olympische sporten.

Zo gingen acht van de vijftien in Parijs gewonnen gouden medailles naar Nederlandse vrouwen, zes naar mannen. En eentje naar de gemengde 4x400-meterploeg, waar Lieke Klaver en Bol het verschil maakten. In Beijing, bij de vorige Winterspelen, was de vrouwelijke inbreng nog groter. Zes van de acht titels waren voor vrouwen.

De strijd is nog niet gestreden

Sierlijkheid is al lang niet meer de norm. Leontien Zijlaard-van Moorsel werd tussen 1990 en 2004 niet zes keer tot sportvrouw van het jaar verkozen vanwege de esthetiek van haar pedaalslag. Wel omdat ze iedereen naar huis reed. Vrouwelijke sporters leven al een tijd in dezelfde cultuur als hun mannelijke collega’s. Ze zijn net zo fanatiek, net zo prestatiegericht en hongerig naar succes. Maar deze stelling van Cooman van twee jaar geleden staat nog steeds: ‘Vrouwen krijgen nog altijd minder in de sport.’

Als het op financiën aankomt, staan de mannen er beter voor. De salarissen in sporten als voetbal en wielrennen zijn hoger, sponsoren zijn eerder geneigd om de portemonnee te trekken voor mannen. Dat valt niet los te zien van het feit dat vrouwensport steevast minder aandacht in de media krijgt.

Women Inc, dat zich inzet voor vrouwenemancipatie, constateerde in 2024 dat 91 procent van het voetbal op televisie mannenvoetbal is en dat er in de verslaggeving van vrouwenwedstrijden veel stereotyperingen sluipen. ‘Hierdoor blijft het mannenvoetbal vertoond als de standaard: het échte voetbal.’

Voor de Nederlandse sport in het algemeen is het niet zo erg gesteld. In tennis, schaatsen en in steeds grotere mate ook het wielrennen krijgen de vrouwen veel meer aandacht. Voetbal is een negatieve uitschieter, maar tegelijkertijd ook de populairste sport van het land. Door die reikwijdte heeft het een grote invloed op het denken over mannen en vrouwen in de sport en daarbuiten. Als de emancipatie op het voetbalveld stokt, dan stokt het breder in de maatschappij. En dan blijven bijvoorbeeld de seksistische opmerkingen die vrouwelijke sporters, ook de niet-voetballers, op sociale media krijgen dooretteren, soms ook nog eens vergoelijkt als ‘kleedkamerpraat’.

Of het woensdagavond Beune wordt, Wiebes, Steenbergen, Schilder of Bol? Misschien is dat het punt niet. Er zijn titels genoeg, er is succes te over. Maar de strijd van de sportvrouw is nog niet gestreden.

NOS Sportjaar 2025, 17/12, 21.23-22.55u, NPO 3.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next