Een slechte leraar schaadt kinderen, en helaas is de kans dat dit gebeurt groot in de huidige onderwijsrealiteit, schreef leraar en lerarenopleider Ton van Haperen in een opiniestuk. Volkskrant-lezers reageren.
Ton van Haperen deelt zijn visie op ‘goed’ onderwijs door te wijzen op het gevaar van de slechte leraar. Even los van de polemische retoriek, geeft Van Haperen vooral blijk van een beperkte blik op de samenleving. Want, door de uitdagingen van het onderwijs te reduceren tot de individuele verantwoordelijkheid van de goede docent doet hij iedereen tekort.
Zijn er dan geen slechte docenten in het onderwijs? Natuurlijk wel, zoals er ook slechte artsen, advocaten, managers en loodgieters zijn. Zouden deze beroepsgroepen geholpen zijn wanneer de slechts presterende de deur worden gewezen? Waarschijnlijk wel, dus hetzelfde geldt ook voor het onderwijs. Zijn de problemen van het onderwijs daarmee opgelost? Zeker niet, want het systeem van het onderwijs wordt er niet beter van.
Een goede docent word je in een goed systeem, niet in een systeem dat is ingericht om je af te straffen wanneer je niet voldoet aan… tja waaraan? Want wie gaat de grens tussen goed en slecht docentschap bepalen? Wordt dat een one-size-fits all of gaan er voor docenten economie andere eisen gelden? En gaan er dan ook soortgelijke eisen gesteld worden aan goed ouderschap, want vormen zij niet ook een essentieel onderdeel van het vormingsproces van onze toekomstige democratische burgers?
Als docent is het mijn taak om mijn leerlingen kritisch te laten reflecteren op onze samenleving. Een boodschap die ik ze altijd meegeef is dat wanneer er experts zijn die eenvoudige oplossingen bieden voor complexe problemen, dat het moment is om kritische vragen te gaan stellen. Dus wat dat aangaat moet ik Van Haperen bedanken voor weer een mooie nieuwe casus.
Dianne Timmers, Nuenen
Onbedoeld legt Ton van Haperen wel een open zenuw in het huidige onderwijs bloot: de schandelijke ongelijkheid in de ontwikkelingskansen van leerlingen. Als je vader niet toevallig rector was van de school waar jij ook op zat, dan had je maar pech: jij kreeg wel les van de incapabele en later hopeloos verwarde ‘meneer J.’
Rectoren in de jaren zeventig hadden hun prioriteiten kennelijk op orde: ‘eigen kind eerst’, zoals Van Haperen met enig begrip achteraf constateert. Ik ben bang dat het met de huidige schoolbesturen niet veel beter gesteld is.
Als schoolbestuurders van nu eens zorgen dat dit soort zaken anno 2025 gewoon in orde zijn: klassen van een normale omvang, aandacht kunnen geven aan alle leerlingen, oog kunnen hebben voor verschillen, daar ook tijd voor krijgen, zonder allerlei flauwekul als ‘samen naar school’. Gewoon de basis op orde kunnen krijgen in die klassen. En ook de ‘meneer J.’ van nu moet die kans krijgen. En die grijpt hij dan ook, echt.
En dat dan niet wegzetten als ‘extern attribueren’.
Dan komen we verder. Niet door hardwerkende, goedwillende maar ook maar in het duister tastende docenten te ridiculiseren als one-trick-pony’s.
Arjen Daverveld, Nijmegen, docent aardrijkskunde en O&O
Ontbijt serveren, meer zorg bieden, meer lezen, meer vrijheid voor leerlingen om zelf te bepalen wat ze willen leren, leukere lessen, coachend lesgeven, cijfers afschaffen, de brede brugklas, betere pabo’s en nu dus, volgens Ton van Haperen het verplicht laten bijscholen van vastgeroeste docenten. Steeds is er weer iemand die met een panacee op de proppen komt voor de problemen in het Nederlands onderwijs en altijd gaat het om zaken die leraren en scholen beter moeten doen.
Daar is niks mis mee, maar misschien kunnen we het ook eens hebben over de leerling. Op dit moment ligt de verantwoordelijkheid voor de resultaten in het onderwijs geheel op het bordje van de leraar. Mijn zoon heeft een onvoldoende zeggen ouders tegen de docent: wat denkt u daaraan te gaan doen? Leerlingen die niet voldoen aan de eisen voor overgang krijgen negen van de tien keer het voordeel van de twijfel om maar te voorkomen dat de school afgerekend wordt op lage doorstroompercentages.
Leerlingen voelen dat haarfijn aan en kunnen achteroverleunen en wachten tot ze het op school wel leuk vinden toevallig. Ik weet iets niet, denken ze, dan heeft de leraar dat dus niet duidelijk genoeg verteld. Deze logica is helemaal doorgeschoten. Aangemoedigd door de Onderwijsinspectie.
Deze week werd bekend dat het matsen van leerlingen in coronatijd heeft geleid tot grotere problemen in het vervolgonderwijs. De pijn van kinderen die te weinig weten en kunnen wordt steeds doorgeschoven. Van de basisschool naar het voortgezet onderwijs en ook weer verder in de richting van vervolgstudies. Met als gevolg dat, in latere jaren, steeds grotere achterstanden zich opstapelen – en ook dat is dan het probleem van de leraar die geacht wordt de leerling toch aan een diploma te helpen. De klant is tenslotte koning en kan er ook niks aan doen dat hij zo weinig heeft opgestoken de afgelopen jaren.
Het zou goed zijn als het onderwijs weer een evenwichtiger karakter krijgt en de leerling medeverantwoordelijk wordt gehouden. Passend bij leeftijd en draagkracht en ondersteund door een pedagogisch verantwoorde benadering en goede lessen. Maar niet pamperen. Daar schieten kinderen niks mee op.
Alette van Doggenaar, Utrecht
Ton van Haperen schetst in zijn opiniestuk een pijnlijk herkenbaar beeld: het beroep van leraar is al decennia te zwaar georganiseerd en te weinig professioneel ondersteund. Maar waar Van Haperen de oplossing vooral zoekt in een strenger systeem van eisen en verplichtingen voor leraren, zien wij, vanuit onze ervaring als docent, schoolleider en vakbondsconsulent, een andere kern: goed werkgeverschap en doordacht personeelsbeleid.
De realiteit die wij dagelijks zien, is dat veel leraren niet falen uit onwil of gebrek aan inzet, maar omdat zij jarenlang zonder begeleiding, coaching of ontwikkelpad door het onderwijs moeten laveren. Het grote risico van de huidige roep om ‘professionalisering’ is dat die steeds vaker wordt ingevuld met commerciële trainingen, dure consultancy en registratiesystemen waar veel geld naartoe vloeit, maar die de praktijk nauwelijks raken.
We weten inmiddels wat wél werkt: tijd, coaching en nabij leiderschap. Iedereen in het onderwijs (starters, collega’s met zeven tot tien jaar ervaring, 55-plussers, maar net zo goed schoolleiders en rectoren) heeft behoefte aan passende begeleiding. Niet ieder jaar een nieuw systeem met vinkjes, maar een coach die je ziet, die meedenkt, die begrenst, die helpt reflecteren. Dat levert meer op dan welk extern professionaliseringsstelsel ook.
Schoolleiders spelen daarin een cruciale rol. Visie, enthousiasme en het vermogen om mensen in beweging te krijgen, zijn belangrijker dan nóg een protocol. Een goede schoolleider kijkt om zich heen, herkent talent en ondersteunt medewerkers om zich te ontwikkelen. Dat vraagt dat HR en besturen zich veel strategischer opstellen: bouw loopbanen, benut bestaande carrièrepaden (de beste leraar hoeft niet per se de volgende interne begeleider of teamleider te worden) en geef ruimte voor rollen die passen bij expertise en fase.
Een lerarenregister gaat dit niet brengen. In de praktijk ervaren wij dat het vooral geld kost, administratief belastend is en professionaliteit vernauwt tot afrekenlijstjes. Terwijl in dezelfde tijd radiocommercials worden ingezet om schoolleiders te werven, geld dat beter besteed had kunnen worden aan begeleiding en tijd voor de mensen die er al staan.
Daarom zou in de cao moeten worden vastgelegd dat iedere onderwijsprofessional gedurende de hele loopbaan recht heeft op een coach, met bijbehorend budget en, vooral, gegarandeerde tijd. Coaching moet onderdeel zijn van het werk, niet een extra last. In het voortgezet onderwijs is dit organisatorisch relatief eenvoudig; in het primair onderwijs vraagt het meer creativiteit, maar het is essentieel als we kwaliteit willen borgen. Alleen met structureel gefaciliteerde coaching, doordachte loopbaanpaden en leiderschap dat ontwikkeling centraal stelt, krijgt het vakmanschap van leraren echt ruimte om te groeien.
Als we willen dat leraren zich blijven ontwikkelen, moeten we investeren waar het werkt: in mensen, in tijd en in betekenisvolle begeleiding. Niet nog een systeem erbovenop, maar de voorwaarden waaronder onderwijsprofessionals kunnen groeien en blijven.
Tim Bartlema, interim-directeur in het primair onderwijs, voormalig voorzitter van de Groene Golf en vertegenwoordiger van startende leraren bij de Algemene Onderwijsbond (AOb). Mohammed Bakouri, docent in het voortgezet onderwijs, vakbondsconsulent en WIA-coördinator bij de AOb, voormalig sector- en medezeggenschapsconsulent VO.
Ton van Haperen maakt zich er hard voor dat leraren zich ook na hun bevoegdheid ontwikkelen in het beroep. En omdat dat helaas niet vanzelf gaat (de keuze is momenteel aan het individu), zou dit moeten worden afgedwongen, niet alleen door een schoolleiding, maar zelfs door de overheid. Hij praat zelfs over een ruimer ontslagrecht, zodat de weigerachtige leraar gemakkelijker op straat gezet kan worden.
Inderdaad, dit giftige type leraar kan meer schade aanrichten dan ons onderwijs lief is, maar in het huidige onderwijs heeft de docent zijn bijscholing amper zelf in de hand. En als die doorgaans ongeïnspireerde scholing je ook nog eens door een ander wordt opgelegd, is het dan gek dat leraren er schoorvoetend of zelfs niet aan meedoen? Laat staan dat er iets van die opgedane kennis wordt omgezet in een betere lespraktijk.
Het opiniestuk van Van Haperen draagt de naam ‘Het verdriet van de leraar is al vijftig jaar onderdeel van het onderwijs: tijd voor actie’. Met verdriet wordt bedoeld: herhaling, verveling, ontevredenheid, mentale moeheid. Met een verplicht professionaliseringstraject zou je de leraar uit zijn lijdensweg kunnen verlossen. De frustratie bestrijden met inspiratie. Opnieuw leren geloven in je eigen beroep.
Bijscholing is daartoe in staat, maar dan moet die bijscholing wel van niveau zijn. Trainingen van commerciële organisaties als Medilex of het CPS over didactiek en pedagogiek zijn voorspelbaar en laten je de helft van de tijd reflecteren op je eigen praktijk, waardoor je voor je gevoel niets leert. Doorzichtig smeren ze hun lessen uit over meerdere dagdelen, om de hoge prijs te rechtvaardigen. Zeker voor docenten die al jaren meedraaien zijn dit soort dagen een kwelling.
Het is begrijpelijk dat scholen voor deze kant-en-klare programma’s kiezen. Niet alleen omdat ze erkend zijn, maar je kunt ze ook nog eens school- of teambreed inzetten. Wil je leraren inspireren, dan zul je out of te box moeten denken. Het zou bijvoorbeeld mogelijk moeten zijn om bijscholing te volgen buiten het directe beroepenveld. Uit je gebruikelijke denkkaders stappen, nieuwe perspectieven ontdekken, zoiets werkt nu eenmaal inspirerend.
Waarom zou een docent wiskunde geen cursus kunstgeschiedenis kunnen volgen? Of een biologiedocent een cursus creatief schrijven? Ik ben ervan overtuigd dat de opgedane kennis op een of andere manier terugkomt in de les. Al is het maar in de vorm van enthousiasme.
Het is een aanname dat leraren domweg geen zin hebben om zich te ontwikkelen en zich gemakshalve verschuilen achter werkdruk. Ook zij zien de school graag als lerende organisatie.
Maurice Vink, leraar, Amsterdam
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant