Home

Familie Minten is altijd omringd door stank van kippen, koeiens en varkens: ‘We kunnen niet zomaar één burger verplaatsen’

In een halve eeuw zagen Frans en Nelly Minten de veestallen om hen heen groeien, en werd de stank steeds erger. De gemeente Land van Cuijk wil hun probleem nu op onconventionele wijze oplossen. ‘Ik heb ook een keer recht op gezonde lucht.’

is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.

Stank is het leven van Frans en Nelly Minten gaan domineren, de stank van de duizenden kippen, varkens en koeien om hen heen. De geur houdt ze uit hun slaap. Mensen uitnodigen doen ze niet, barbecueën in de achtertuin evenmin. Als het mooi weer is, en windstil, gaan ze weleens in de tuin zitten van hun huis, in het buitengebied van het Brabantse Wanroij. ‘Dan komt het godverdomme alsnog en kun je je boeltje weer inpakken. Binnen zitten, met alle ramen dicht’, zegt Frans vertwijfeld.

Er valt bovendien geen peil op te trekken. Meerdere keren per dag kan de wind iets draaien en de stank van hun huis af, of juist ernaartoe blazen. ’s Zomers, als ze met de ramen open slapen, kunnen ze er ineens wakker van worden.

Frans staat in de voortuin van zijn huis. Hij haalt zijn neus op en schudt zuchtend zijn hoofd. Niets te ruiken. ‘Iedere keer als er iemand langskomt voor de stank, staat de wind precies goed. Vandaag ook weer.’

Achter de woning doemen twee grote kippenstallen op. Daarnaast staan nog drie varkens- en een koeienstal. De overbuurman is een opfokker van jongvee. Dat allemaal binnen een straal van 250 meter van het huis van Frans (74) en zijn vrouw Nelly (78).

De stank die vanuit die stallen hun huis binnendringt, neemt al jaren al hun woongenot weg, vertellen ze. ‘We hebben het nergens anders over’, zegt Frans. ‘Ik kan niet genieten van mijn leven, kort gezegd. Als je buiten komt dan stinkt het.’

Even verderop in de straat is inderdaad de ammoniaklucht van de varkensstallen te ruiken. ‘Zurig’, beschrijft Frans het. ‘En dit valt nog mee, soms is het echt niet te harden.’

53 jaar geleden betrokken de Mintens als pas getrouwd echtpaar de woning, gelegen tussen weilanden en kleine boerderijen. De boer ernaast had die negen jaar eerder voor een van zijn kinderen gebouwd. ‘Het was hier hartstikke mooi’, blikt Frans terug. Het huis leek hem ‘een leuk karwei om aan te hobbyen en een garage aan te bouwen’. De eerste dertig jaar woonden ze er naar tevredenheid.

Maar de kleine boeren verdwenen en de megastallen verschenen. Frans pakt er een satellietfoto bij van de omgeving van het huis. ‘Ze hebben hier alles op elkaar geduwd’, zegt hij. Hij wijst de stallen een voor een aan. ‘Kijk, deze zit 50 meter van me af. Deze 60 meter, die 120 en die 140.’

Ten westen, noorden en noordoosten van het huis staan stallen. De zuidwestenwind die nu waait is genadig, maar bij bijna elke andere windrichting kunnen ze hun duizenden buren ruiken.

Mensenrechten in geding

De Mintens zijn niet de enigen die lijden onder de geur van omringende veehouderijen. In een zaak aangespannen door zestien omwonenden van veehouderijen in onder meer Limburg, Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel oordeelde het gerechtshof Den Haag in maart dat de stank bij twee van hen zo ernstig is dat hun mensenrechten worden geschonden. Zij hebben recht op schadecompensatie.

Zou de redenering van het hof voor alle veehouderijlocaties in Nederland opgaan, dan zou 7 procent daarvan te veel stank produceren, bleek uit een impactanalyse. Zo’n zeventienhonderd locaties in totaal, berekende journalistiek platform Follow the Money. Het aantal getroffen huishoudens is onbekend.

Maar de redenering geldt niet overal. Het hof benadrukte dat elk geval van geuroverlast apart moet worden beoordeeld. Demissionair staatssecretaris van Milieu Thierry Aartsen (VVD) komt binnenkort met nieuwe geurnormen voor de veehouderij, maar het is de vraag hoe scherp die zullen zijn met de BBB als regeringspartner.

De gemeente Land van Cuijk, waar Wanroij onder valt, heeft besloten daar niet op te wachten. In de gemeente met het hoogste aantal varkens van Nederland, in 2022 ontstaan uit vijf gemeenten met elk hun eigen geurregels, besloot het college eind vorig jaar de regels overal gelijk te trekken. Op veel plekken betekent dat een verlaging van de normen.

‘Het is streng’, zegt wethouder van milieu Antoinette Maas (GroenLinks-PvdA). ‘Strenger dan het landelijke of provinciale beleid, maar wel rechtvaardig.’

Met haar collega Mark Janssen-van Gaal (CDA), verantwoordelijk voor landbouw, vormt ze een onafscheidelijk duo, met oog voor zowel boer als natuur. Als Janssen stelt dat de kern van hun landbouwbeleid neerkomt op ‘ruimte voor ontwikkeling’, vult Maas aan dat dit wel moet gebeuren ‘binnen de kaders van een gezonde leefomgeving’. ‘Je snapt dat wij veel gesprekken hebben gevoerd’, zegt ze lachend.

Naast de aangescherpte normen willen de wethouders ook ‘overbelaste situaties’ apart aanpakken. Een daarvan is het huis van de Mintens. Janssen-van Gaal kwam er voor het eerst op een werkbezoek georganiseerd door de Milieuvereniging Land van Cuijk. ‘Een heel vervelende, trieste situatie’, noemt hij het. Om daaraan toe te voegen dat hij de boeren niets verwijt. ‘Die hebben gewoon een geldige vergunning.’

‘Dit is een agrarische streek’

Gemeten hebben ze de geuroverlast nooit. Dat gaat ook niet zomaar (zie kader). Op basis van het aantal dieren, de stalsystemen en de afstand tot de stallen kan wel een inschatting worden gemaakt. Bij de Mintens schat de gemeente de geur van alle stallen bij elkaar op 34 ‘odeur units’ (ou), de meeteenheid voor geur. Ruim boven de gemeentelijke norm, maar die geldt alleen voor nieuwe ontwikkelingen.

Bij een rondje langs de bedrijven blijkt dat de veehouders er zelf minder last van hebben. Voor de opfokker van jongvee aan de overkant van de weg heeft dat een simpele reden: hij woont elders. ‘Het is niet fijn als het buiten stinkt’, erkent Rick Peters telefonisch. Hij voelt zich er niet verantwoordelijk voor. De honderd stuks jongvee die hij naar eigen zeggen tegenover de Mintens houdt, noemt hij ‘weinig, in verhouding tot wat daar nog meer staat’.

Ook op het pluimveebedrijf achter de Mintens is niemand aanwezig. Bart Vloet, die er tachtigduizend vleeskuikens houdt, woont elders in Wanroij. Hij heeft het echtpaar nog niet gesproken, maar gelooft niet dat ze echt lijden onder de stank. ‘Niemand anders in de straat heeft er last van.’ Zelfs als dat wel zo is, vindt hij dat ze geen recht van spreken hebben. ‘Dit is een agrarische streek, als je hier komt wonen moet je dat accepteren. Vijftig jaar geleden stond daar ook al een kippenstal.’

De twee andere veehouders, die wel naast hun bedrijf wonen, willen niet ingaan op vragen van de Volkskrant.

Dat achter zijn huis vijftig jaar geleden ook al een kippenstal stond, erkent Minten. ‘Maar het stonk niet.’ De leghennen die erin zaten, produceren minder stank, en het waren er minder.

De boeren gebruikten destijds nog vaste mest, een mengsel met stro dat in hoopjes op het land wordt gegooid. ‘Natuurlijk stinkt dat, maar niet zoals dit.’ Als carrosseriebouwer kluste Minten aan de eerste trekkers die rondreden met houten tonnen vol drijfmest, het mengsel van poep en plas dat de meeste stank veroorzaakt.

‘We kunnen het niet alleen’

Al vijf rechtszaken voerde het echtpaar tegen uitbreidingsplannen van de veehouders om hen heen. De meeste wonnen ze, maar gelukkig werden ze er niet van. ‘Ik wou dat ik helemaal niet wist waar Den Bosch lag’, zegt Frans over de vele tripjes naar de rechtbank.

Voor een oplossing kijkt hij naar de gemeente. Binnenkort presenteren de wethouders hun stappenplan voor de aanpak van ‘overbelaste situaties’. Ze willen wel alvast verklappen dat ze naast de installatie van luchtwassers op stallen ook een andere oplossing zien: de getroffen omwonenden verplaatsen.

‘Als je vijf bedrijven hebt en één burger, zoals bij de familie Minten het geval is…’, zegt Janssen-van Gaal. ‘Dan wil de burger liever weg’, vult Maas aan. ‘Maar we kunnen niet zomaar één burger verplaatsen’, zegt haar collega weer. Dan willen de anderen immers ook.

Uit onderzoek van de gemeente blijkt dat er 25 overbelaste situaties zijn van boven de 25 ou. In al die gevallen de boer verplaatsen, of de burger verhuizen en compenseren voor de waardedaling van het huis, zou voor de gemeente flink in de papieren lopen.

De wethouders hopen daarom dat een nieuw kabinet geld reserveert voor het oplossen van geuroverlast. Maas: ‘Dat is echt belangrijk, we kunnen het niet alleen. Bovendien vind ik het fair, want het probleem is mede ontstaan door wet- en regelgeving uit Den Haag.’

De familie Minten hoopt dat ze snel een woning elders kan krijgen. ‘Dit wordt toch niet opgelost, die boeren blijven en doen alles gewoon op hun eigen manier’, zegt Frans. ‘Ik ben nu 74 en heb ook een keer recht op gezonde lucht. Ze hoeven maar één ding te doen: ons uitkopen. Dan is het opgelost.’

Geur meten en normeren: ‘Eén grote kafkaëske mindfuck’

Het meten van geur is een omslachtig proces. Het enige instrument dat ertoe in staat is, zit namelijk aan het menselijke gezicht vastgeplakt. Om geur te meten, wordt daarom een testpanel ingeschakeld. Dat krijgt een luchtmonster te ruiken. Ruiken ze iets, dan wordt de lucht verdund met dezelfde hoeveelheid ‘schone’ lucht. Dat gaat door tot de gemiddelde testpersoon niets meer ruikt. Lucht die één keer verdund moet worden, heeft een geursterkte van 1 odeur unit (ou). Moet het twintig keer verdund worden, dan is het 20 ou.

Over de vraag hoeveel ou te veel is, lopen de meningen op zijn zachtst gezegd uiteen. Voor de industrie is in heel Nederland 5 ou het maximum. Voor veehouderijen zijn heel andere normen vastgelegd, van 2 ou in de bebouwde kom in regio’s met weinig vee, tot 14 ou buiten de bebouwde kom in veedichte regio’s. Gemeenten mogen in hun geurvisie daarvan afwijken – zowel strenger als soepeler.

De GGD en het RIVM hanteren hun eigen systeem, met streefwaarden, richtwaarden en grenswaarden voor het percentage ‘geurgehinderden’. Situaties met meer dan 35 of 40 procent ‘geurgehinderden’, vergelijkbaar met 25 ou, krijgen daarin het stempel ‘extreem slecht’.

In dat soort ‘extreem slechte’ gevallen van boven de 25 ou heeft de staat de verplichting de omwonenden te compenseren, oordeelde het gerechtshof in maart. In eerste instantie legde de rechtbank die grens nog op 19,4 ou.

De 25 ou die het hof als grens hanteert, is volgens geuroverlastdeskundige Hugo van Belois veel te hoog. ‘5 ou is voor iedereen eigenlijk de bloody limit.’ De normen van Land van Cuijk, van 8 tot 10 ou in het buitengebied, vindt hij dan ook te hoog.

Het idee achter de verschillende normen, dat burgers in regio’s met veel vee de geur gewend zijn en dus minder snel overlast ervaren, is volgens Van Belois sowieso achterhaald. ‘De gevoeligheid voor geurhinder blijkt universeel te zijn.’

Voor de veehouders die de stank veroorzaken, heeft een overschrijding van de nieuwe geurnormen weinig gevolgen. Zolang ze over een vergunning beschikken, hoeven ze geen maatregelen te nemen. Zelfs uitbreiding is mogelijk als ze met luchtwassers de stank verminderen. Die hoeft dan niet eens onder de wettelijke norm te komen. Een halvering van het verschil tussen norm en feitelijke situatie is genoeg, de zogeheten 50-procentregeling.

Menig omwonende raakt verdwaald in dit woud van normen, grenswaarden, regelingen en uitzonderingen. ‘Eén grote kafkaëske mindfuck’, noemde Zembla-journalist Ton van der Ham het Nederlandse geurbeleid ooit. ‘Je kunt er met niemand over praten die er niet zelf mee te maken heeft’, zegt Nelly Minten.

De wethouders uit Land van Cuijk erkennen dat hun normen voor het buitengebied boven de adviezen van de GGD liggen. Ze zijn volgens Maas ‘zo streng als mogelijk, maar ook rechtvaardig en werkbaar’. Bij strengere normen vrezen de wethouders dat geen boer nog ruimte ziet om iets aan zijn bedrijf te veranderen, met stilstand als gevolg, en dat woningbouw lastiger wordt.

Luister hieronder naar onze nieuwspodcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next