Met de aankondiging van een dependance in Eindhoven, zet het Rijksmuseum een nieuwe stap richting een cultuurmonopolie in Nederland. Het museum parasiteert zo echter de periferie, die veel meer zijn dan kleinere versies van het nationale instituut.
Een vergelijking van chipmachinefabrikant ASML met Vincent van Gogh – het klinkt als een slechte grap, maar ASML-topman Christophe Fouquet vergeleek het hoogste beursgenoteerde bedrijf van Nederland werkelijk met de berooide kunstenaar die niet eens zijn eigen brood kon betalen. Want ja, de chipmachinefabrikant is net als Van Gogh geïnteresseerd in de werking van licht.
De vergelijking is zo absurd dat je je bijna afvraagt wiens geest excentrieker is. Het is komisch, maar zegt veel over hoe grote bedrijven zichzelf positioneren in het culturele veld: als visionair, creatief en maatschappelijk betrokken, ongeacht hun feitelijke rol in de wereld van kunst en erfgoed.
Oscar Ekkelboom is promovendus aan het Radboud Instituut voor Cultuur en Geschiedenis in Nijmegen.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Alhoewel er van alles aan te merken is op de artwashing van ASML in samenwerking met musea, is er een groter vraagstuk dat dringend aandacht verdient: het cultuurmonopolie van het Rijksmuseum Amsterdam.
Musea zijn al sinds de achttiende eeuw afhankelijk van de rijkste sponsors, en dat is iets om blij mee te zijn. Dankzij deze steun, soms afkomstig uit discutabele bronnen, konden en kunnen collecties worden bewaard, tentoonstellingen worden georganiseerd en erfgoed toegankelijk blijven. De aangekondigde dependance van het Rijksmuseum Amsterdam in Eindhoven legt echter bloot dat de macht in de Nederlandse cultuursector niet alleen gaat over financiële steun, maar over wie bepaalt welke verhalen zichtbaar worden.
Het Rijksmuseum profileert zich al decennia als dé nationale autoriteit op het gebied van kunst en geschiedenis. Met haar omvangrijke collectie, internationale uitstraling en landelijke invloed bepaalt het museum welke verhalen zichtbaar worden. En dus ook welke niet. Provinciale musea en regionale perspectieven blijven daardoor structureel in de schaduw. En die onderwaardering maakt de financiële positie van die provinciale musea zo wankel, dat een vergelijking met Van Gogh hier veel beter op zijn plaats zou zijn.
Het Rijksmuseum is afgelopen jaren echter actief bezig haar positie verder te versterken, met satelliettentoonstellingen door het hele land. Daarbij is de zeggenschap van de host-instellingen minimaal, en wordt het stempel van het Rijksmuseum stevig op de productie gedrukt. Zo parasiteert het museum de periferie met weinig om het lijf hebbende tentoonstellingen over land, vuur, water en lucht. Op die manier benut het Rijksmuseum de regionale infrastructuur en het publiek optimaal voor het eigen programma, terwijl lokale stemmen steeds minder ruimte krijgen.
De geplande dependance in Eindhoven markeert een nieuwe fase voor het Nederlandse museumlandschap. Met een permanente vestiging dringt het Rijksmuseum de provincie definitief binnen en verstevigt het haar machtspositie. Sponsors lijken daarbij te vergeten dat provinciale musea en lokale kunstinstellingen veel meer zijn dan kleinere versies van nationale instituten.
Volgens museumwetenschappers Katarzyna Murawska-Muthesius en Piotr Piotrowski bijvoorbeeld, ligt hun kracht juist in lokale verankering en kritische onafhankelijkheid. Ze zijn plekken waar kunst en cultuur niet alleen tentoongesteld, maar ook bevraagd en in dialoog gebracht wordt met de gemeenschap – iets waar nationale musea vaak tekortschieten.
Zonder de druk van politieke verwachtingen of internationale prestige kunnen regionale musea vrij experimenteren met nieuwe vormen van presentaties, educatie en participatie. De periferie biedt zo een unieke ruimte voor innovatie en kritisch denken. Door deze artistieke vrijheid zijn provinciale musea de echte laboratoria voor cultuur, waar ideeën ontstaan die vaak later pas door nationale instituten worden overgenomen. Daar is geen Rijks x ASML-museum voor nodig.
Het is een illusie te denken dat het Amsterdamse museum in de provincie iets kan bereiken, wat daar al gebeurt. Zo’n vestiging is zinloos, want het resulteert in eenheidsworst. Bovendien is het bijzonder ongeloofwaardig dat er daar echt geïnnoveerd gaat worden, aangezien grote musea wereldwijd slecht blijken in het ter discussie stellen van hun eigen verhalen. Wat het Rijksmuseum wél nodig heeft, zijn kritische, onafhankelijke provinciale musea die hun positie als forum voor experiment en een ander verhaal gebruiken om het nationale instituut uit te dagen.
De kracht van de periferie ligt in de autonomie, lokale betrokkenheid en experimentele vrijheid. Provinciale musea zijn de plaatsen waar cultuur leeft, wordt bevraagd en vernieuwd. Wie echt wil investeren in Nederlandse kunst en erfgoed, zou zich niet blind moeten staren op prestigeprojecten, maar juist moeten ondersteunen wat al werkelijk functioneert als broedplaats voor culturele innovatie. Dat is waar de toekomst van een levendig cultuurlandschap ligt en is precies waarom een dependance van het Rijksmuseum in Eindhoven zijn doel voorbijschiet.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant