Wat is er in hemelsnaam klein aan de ‘kleine regentijd’? Onderweg van het vliegveld naar het centrum van Paramaribo ontwikkelt zich een langdurige, hevige bui, die de straten blank zet, en het autoverkeer laat navigeren over kleine rivieren, waaronder straten verborgen moeten liggen. Veel van dit soort dagen zullen volgen. De bestuurder die ons rijdt noemt het „babyweer”. Want wat moeten de mensen nu anders doen dan zich vermenigvuldigen.
Het feest van vijftig jaar onafhankelijkheid is voorbij, maar de versierselen hangen er nog. In het centrum van de stad rijden we onder druipende banieren door met daarop regels van de nationale dichter R. Dobru (1935-1983), die in 1965 al het beroemde ‘Wan Bon’ schreef. ‘Wan bon, someni wiwiri’ (een boom, zoveel bladeren). ‘Wan liba, someni kreki’ (een rivier, zoveel kreken). Tientallen meters gaan die strofen door, om te eindigen met de hartenkreet ‘Wan pipel’ (één volk). Uit verscheidenheid moet eenheid komen, daar komt het op neer. Het is simpel en ritmisch en gemaakt om voor te dragen.
Anil Ramdas, een stuk jonger dan Dobru, hekelde de nationalistische tendens van Dobru en andere Surinaamse literatoren, die volgens hem niet dachten als schrijvers, maar als opbouwwerkers. Ze hadden „een visie verward met een missie”. Het was behoorlijk moedig om tegen dat hypernationalisme van zijn Surinaamse landgenoten in te gaan. Alledaags voorbeeld: in het vliegtuig vraagt een Nederlands-Surinaamse mevrouw aan de Nederlandse steward, die voor het eerst op Paramaribo vliegt, hoelang hij in Suriname mag blijven? Twee dagen maar? Kreetje van ontzetting. „Je gaat niet terug willen gaan, hoor.” Surinaams chauvinisme op z’n best, met een retourticket op zak.
Maar in Dobru’s tijd moest die onafhankelijkheid nog bereikt worden, en woonden Surinamers in overgrote meerderheid vanzelfsprekend in ‘Sranan’. En zodra ik weer in Suriname ben, realiseer ik me hoe al die verschillende volkeren en etnische identiteiten maar bij elkaar zijn gesmeten door Nederlanders: de Afrikanen die geroofd werden; later kwamen de Hindostanen, Javanen, Chinezen et cetera. De inheemsen, die waren er allang, maar die werden volmaakt gemarginaliseerd. Een potpourri aan mensen, van hogerhand koloniaal bijeengedreven: en verder zoekt u het maar uit.
Als Dobru schrijft over al die verschillende huidskleuren, talen en religies die in de loop van de tijd op één hoop werden gegooid, overdrijft hij niet. En zijn gehamer op wan pipel, één volk, is niet gebaseerd op een gemeenschappelijke bloedlijn, want die was er niet. Dobru wilde iets vitaals en leefbaars maken van deze krankzinnige, koloniale gijzeling, door Nederlanders beraamd.
In dat licht is het godgeklaagd dat er Nederlandse politici zijn die met droge ogen over het begrip ‘omvolking’ durven te spreken, als zou een (linkse) elite doelbewust bezig zijn de ‘blanke Nederlandse stam’ te ondermijnen door buitenlandse ‘import’ naar ons land te halen. Hier spreekt het kwade geweten. ‘Omvolking’ vond inderdaad plaats in de koloniën, in Suriname, op de Antillen, en in Zuid-Afrika. Die was volmaakt planmatig opgezet. Zodra Nederlandse politici het begrip gebruiken, spreekt dus ook de kwade herinnering: ze weten nog wat hun voorvoorvaderen hebben gedaan in de overzeese gebieden, en vanuit een paranoïde waan zijn ze bang dat hen nu hetzelfde lot zal treffen. Het is de angst voor een herhaling van zetten, die nog het meest zegt over de eigen handelswijze uit het verleden.
Nog eens Dobru: ‘Een Suriname, zoveel soorten haar, zoveel huidskleuren, zoveel aan talen. Eén volk’.
Bedenk wel: het volk is in Suriname niet vanzelfsprekend, het is nog in de maak, bijvoorbeeld tijdens babyweer.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC