Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Anniet Gehasse (54) trad op als familierechercheur na de vliegramp in Tripoli. ‘We lééfden in onze dienstauto.’
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Op 12 mei 2010 werd ik tegen de avond gebeld: ‘Anniet, ben jij de komende weken beschikbaar? In de Libische hoofdstad Tripoli is een vliegtuig neergestort met 71 Nederlanders aan boord.’ Voor de nabestaanden waren dringend veel familierechercheurs nodig. Er was maar één overlevende; dit was een nationale ramp die heel Nederland schokte.
‘Familierechercheur is een neventaak, dan ben je de contactpersoon tussen de recherche en nabestaanden van slachtoffers die door een delict om het leven zijn gekomen. Maar dit wás geen delict, dit was nieuw voor me. Ik zei dat ik zwanger was, dan mag je geen pistool dragen omdat de politie niet wil dat je in gevechtssituaties belandt, maar dat was geen probleem.
‘Tripoli; ik wist niet eens waar het lag. Die volgende ochtend reed ik met collega Peter vanuit Den Haag naar het bureau in Almere, waar ruim dertig familierechercheurs bijeenkwamen, samen met talloze collega’s van het Landelijk Team Forensische Opsporing en het RIT, het Rampen Identificatie Team.
‘Daar kregen we te horen aan welke families wij werden gekoppeld. We moesten ante-mortemdossiers van de slachtoffers samenstellen; er werd uitgelegd hoe we aan de hand van een vragenlijst informatie konden verzamelen van de doden toen ze nog leefden, zoals DNA, gebitskenmerken, haar- en oogkleur, eventuele littekens, tatoeages en implantaten, zodat het RIT daarmee de slachtoffers in Tripoli kon identificeren. Want na zo’n crash zijn lichamen meestal onherkenbaar beschadigd.
‘Peter en ik werden gekoppeld aan een moeder die met haar twee zoontjes was omgekomen. Diezelfde middag reden we naar een geheim gehouden locatie, ergens in Hoofddorp, waar een bijeenkomst voor alle nabestaanden was georganiseerd. De sfeer was heel beladen.
‘Wij maakten kennis met de partner en ouders van de moeder die ons was toegewezen. Ze waren intens verdrietig. We spraken af dat we alle communicatie over dit onderzoek persoonlijk aan hen zouden doorgeven.
‘De volgende dag gingen we naar die partner thuis, om de ante-mortemmap te vullen. Als je een tandarts vraagt ‘Hoeveel vullingen heeft Pietje Puk?’, zal die zeggen: dat gaat je niks aan. Maar zodra je meldt dat je namens het rampenidentificatieteam komt, gaan alle registers open. Ik herinner me dat ik de tandarts van ons slachtoffer letterlijk uit bed belde. Die ging meteen naar zijn praktijk om alle informatie te verstrekken.
‘Samen met de partner vulden we het ante-mortemdossier van ‘ons’ slachtoffer. Elke dag reden Peter en ik vanuit Den Haag naar Almere voor de dagelijkse politiebriefing, en dan door naar de nabestaanden in Oost-Nederland. We lééfden in onze dienstauto, acht weken lang, elke dag, op en neer. Je leert de nabestaanden goed kennen, zij weten hoe je je koffie drinkt, ze vertellen je allerlei achtergrondverhalen.
‘Complicerend voor ons was dat de ex-man van de omgekomen moeder zich erin mengde. Op een dag belde hij me: ‘Ik ben de vader van die kinderen, ik ben ook slachtoffer, ik wil óók bijstand.’ Hij wilde dat de lichamen van zijn kinderen werden gerepatrieerd naar het buitenland waar hij woonde. Dat was natuurlijk pijnlijk voor de opa en oma en andere familie in Nederland.
‘Daardoor werden wij van twee kanten geconfronteerd met tegenstrijdige vragen en wensen, best frustrerend. Ik dacht, misschien omdat ik zwanger was: een kind hoort toch bij de moeder? Die moeten we toch samen begraven? Een medewerkster van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de lichamen moest repatriëren, deelde dat sentiment. Maar uiteindelijk legden die opa en oma zich neer bij de beslissing van die vader.
‘In die periode liep ik voortdurend met twee telefoons, zelfs op het strand of in een kledingwinkel liep ik te bellen. Je bent voortdurend met zo’n zaak bezig. Op een dag waren we al onderweg om de nabestaanden te gaan vertellen dat het lichaam van die moeder was geïdentificeerd, toen we werden teruggeroepen: ‘Ho stop, we weten het niet honderd procent zeker.’
‘Uiteindelijk ben ik naar de uitvaart geweest. Ik vond het heftig, die ene kist, waar er eigenlijk drie hadden moeten staan. En ik bezocht de herdenkingsbijeenkomst voor alle nabestaanden, die ook heel indrukwekkend was. En daarna bouw je het contact af, het is niet de bedoeling dat je blijvende vriendschappen opbouwt, het moet professioneel blijven.
‘Zo’n gebeurtenis kruipt wel onder je huid. Sindsdien wil ik in vliegtuigen niet meer van stoel ruilen: als ze me moeten identificeren, zit ik verkeerd. En ik heb een mapje klaarliggen met alle informatie voor als ik plotseling kom te overlijden, want ik weet hoeveel moeite het kost om zoiets te verzamelen.
‘Van alle functies die ik heb bekleed, is familierechercheur het meest dankbare werk. Je kunt echt veel voor mensen betekenen. Een bedanktegeltje van het ministerie heb ik destijds boven de commode gehangen nadat mijn dochter was geboren. Want, zo voelde ik dat: zij was er in die emotionele achtbaan al die tijd bij.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant