Home

‘Ik ben nooit verder geweest dan Overijssel, dat was niet nodig’

Jan Pierik is 100 jaar. De boer is een tevreden man van weinig woorden.

Jan Pierik is een man van weinig woorden, altijd al geweest. In het Twentse boerengezin met zes kinderen was hij de zwijgzame en goedhartigste van het stel. En de taaiste, uiteindelijk, want stokoud zijn de meesten wel geworden, maar de 100 heeft alleen hij bereikt. Dinsdag komt er nog een jaar bij. Zijn twee neven en achternicht, die hem trouw bezoeken, heeft hij al weken geleden om slagroomgebakjes gevraagd, want dat is de man van vaste gewoonten en gebruiken van jongs af aan gewend op zijn verjaardag. Twee oude buren komen ook, en verzorgenden van het complex waar Jan Pierik ruim zes jaar geleden is ingetrokken.

In zijn sober ingerichte tweekamerappartement staat alleen het hoogstnoodzakelijke: in de slaapkamer een bed en een kledingkast, in de woonkamer een eikenhouten eettafel met een Perzisch tapijt en vier stoelen, en een laag kastje met daarop zijn krant, Tubantia, binnen handbereik naast zijn leunstoel bij het raam. Op die stoel brengt de 100-jarige ogenschijnlijk naar volle tevredenheid zijn dagen door, gekleed in een blauwe werkbroek met bretels, en turend naar vertrouwd landschap: uitgestrekte weilanden, slootjes en een provinciale weg. Over een half jaar moet hij net als alle medebewoners verhuizen naar een nieuwe locatie naast het zorgcentrum. Zijn neef en achternicht hopen vurig dat hij zijn uitzicht behoudt. Het is immers zijn belangrijkste vermaak.

Wie in Goor en omstreken de naam van Jan Pierik noemt, zal zeggen hem niet te kennen. Naar lokaal gebruik wordt ook de 100-jarige niet bij zijn werkelijke achternaam genoemd, maar bij de naam van het huis waar hij is opgegroeid, in zijn geval van de boerderij waar hij het levenslicht zag en 94 jaar heeft geleefd en gewerkt. Voor Twentenaren heet hij dus Jan van de Vinke.

Zijn neef Hennie en achternicht Silvia zijn aanwezig bij het interview, omdat Jan van de Vinke hen wel kan verstaan, en om zijn Twentse dialect te vertalen. Bij elke vraag die hem wordt gesteld, verschijnt een innemende glimlach op zijn gezicht.

Hoe gaat het met u?

‘Ik mag niet klagen.’

Hoe zien uw dagen eruit?

‘Ik lees de krant, kijk naar buiten, naar de vogeltjes, naar de televisie en slaap.’

Komt u nog weleens buiten?

‘Ik kom nergens meer. Eten doe ik op mijn kamer.’

Hoe is het voor u om de hele dag door te brengen in deze stoel bij het raam?

‘Je went overal aan.’

Denkt u veel na?

‘Nee, denken doe ik niet.’

Bent u nooit een prater geweest?

‘Ik was altijd rustig.’

Krijgt u bezoek?

‘Genoeg. Ik kan de mensen toch niet horen.’

Zijn neef Hennie vertelt: ‘Mijn broer Bennie en ik komen om de week op donderdag, ik regel zijn zaken. Elke dinsdagmiddag komt mijn dochter Silvia bij hem langs, zij doet de boodschappen, ook al heeft hij niet veel nodig. Hij drinkt alleen water en elke avond een of twee borreltjes, altijd Floryn jonge jenever. Aan bezoek heeft hij geen behoefte. Dat is hij van huis uit ook niet gewend. Alleen op verjaardagen kwamen familie en buren langs, verder bijna niet. Op de boerderij leefden en werkten ze als gezin met elkaar, ook na het overlijden van de ouders. Mijn moeder Mina was de enige van de zes kinderen die de boerderij verliet, trouwde en zeven kinderen kreeg.’

Hoe verklaart u dat vijf van de zes kinderen in het gezin altijd thuis bleven wonen?

‘Dat weet ik niet.’

Had u wel een relatie gewild?

(Hij lacht verlegen) ‘Nee, ik weet niet waarom.’

Aan welke periode in uw leven denkt u het vaakst terug?

‘Ik denk niet meer aan vroeger. Dat is geweest.’

Kunt u iets vertellen over het gezin waarin u bent opgegroeid?

(Neef Hennie pakt een ingelijste familiefoto van het keukenkastje. De 100-jarige kijkt er liefdevol naar en noemt een voor een de namen, als eerste wijst hij naar Hendrik, de enige die niet rond de 90 jaar is geworden.)

‘Dit is Hendrik, hij stierf aan kanker, 57 jaar. Dat is Willem, de oudste. Dit is Bernard, de jongste, we bleven samen over. Hier staat mijn jongste zus Marie en daar mijn oudste zus Mina met haar man. Mijn vader en moeder zitten in het midden. En vooraan staat Robbie, onze hond.’

Hennie vertelt dat hij zijn oom ruim zes jaar geleden opzocht en ziek aantrof in de boerderij. Hij leefde er inmiddels zes maanden alleen, nadat zijn laatst overgebleven broer Bernard was gestorven. Het huis was koud en vochtig, Hennie maakte zich zorgen, ook omdat hij een keer een vergeten pan doorbakken vlees op het vuur had zien staan, dat was gaan roken. Jan Pierik werd opgenomen in het ziekenhuis met een blaasontsteking en revalideerde in het woonzorgcentrum waar hij nu woont. Met tranen in de ogen vroeg de hoogbejaarde boer of hij er mocht blijven wonen na zijn herstel, in zijn eentje terug naar de boerderij zag hij niet zitten. ‘Hoe oud moet je zijn om hier te mogen wonen?’, vroeg de toen 94-jarige.

Er was een appartement vrij, ook tot opluchting van zijn achternicht en twee neven die elke zondag langskwamen op de boerderij met een pan soep, om en om. Want soep op zondag, ook dat was hij van jongs af aan gewend. ‘Ze gingen in twee groepen naar de katholieke kerk; de ene zaterdagavond, de andere zondagochtend. Zondagmiddag samen soep eten en daarna maakten de mannen een wandeling, de vrouwen bleven thuis.’ Alles in het boerengezin ging volgens vaste patronen, elke dag, jaar in jaar uit.

Hoe zou u uw ouders typeren?

‘Heel aardig.’

Hennie: ‘Dat klopt, het waren heel aardige mensen.’

‘Zijn moeder droeg op feesten en begrafenissen een ‘knipmuts’, een wit, kanten mutsje met aan de achterzijde een stoffen strook met vouwen. Aan de zijkant, naast het gezicht, hingen kleine belletjes, van zilver of goud. In Markelo woont nog één vrouw die deze mutsen kan maken.’

Heeft u kunnen doorleren na de lagere school?

‘Nee, daar werd niet over gesproken. Ik moest werken op de boerderij.’

Hoe vond u dat?

‘Leuk. Zo ging dat.’

Vanaf welke leeftijd werkte u mee?

‘6, 7 jaar.’

Achternicht Silvia vult aan: ‘Willem, de oudste zoon, is als enige naar de landbouwschool gegaan. De andere kinderen moesten na de lagere school allemaal aan het werk op de boerderij. Er was elke dag veel te doen. Alles, binnen en buiten de boerderij, was altijd keurig netjes en brandschoon, tot het melklokaal aan toe. Langs het pad naar de voordeur stonden in het voorjaar bloeiende perkplantjes netjes in een rij, aan elke kant dezelfde, afrikaantjes of begonia’s.’

Wat voor boerderij was het?

‘We hadden koeien, varkens, kippen en een peerd.’

Silvia: ‘Ze verbouwden voedsel voor hun vee en voor henzelf onderhielden ze een moestuin. Groenten werden geweckt voor de wintermaanden. Voor vlees slachtten ze een varken, het werd aan een ladder gehangen en gesneden, de delen werden gepekeld en te drogen opgehangen. Na de slacht dronken ze een borrel met elkaar, Floryn jonge jenever.’

Wat waren uw werkzaamheden?

‘Alles wat moest gebeuren. Ik kreeg elke dag te horen: ‘Wil je dit doen, wil je dat doen?’ De koeien met de hand melken, en elke ochtend de melk met peerd en wagen naar de fabriek brengen – later op de tractor. En ik hielp de buren op hun land, als dat nodig was.’

Hoe waren jullie leefomstandigheden, hadden jullie het goed of was het een arme tijd?

‘Arm was het, maar er was altijd genoeg te eten. Ook voor de onderduikers uit Rotterdam tijdens de oorlog.’

Silvia: ‘Er was weinig geld. Het enige wat ze kochten, waren kleding en spullen die nodig waren voor het werk op de boerderij. In huis was het zoals hier in Jans kamer: sober. Ze deden hun hele leven met dezelfde eikenhouten meubelen. Jan kreeg pas voor het eerst geld toen hij op zijn 65ste in aanmerking kwam voor AOW. Hun boerderij was geen eigendom, die pachtten ze van het landgoed Weldam.’

Wie was de baas op de boerderij nadat uw ouders waren overleden?

‘We waren allemaal de baas.’

Neef Hennie: ‘Hij zal het zelf nooit zeggen, want Jan praat altijd positief over zijn broers en zussen, maar het was duidelijk Marie die de lakens uitdeelde. Zij bestierde het huishouden. Nadat ze op 87-jarige leeftijd was overleden, namen de broers dat heel soepel over.’

Bent u ooit op vakantie geweest?

‘Dat hoorde er niet bij.’

Bent u ooit Overijssel uit geweest?

‘Nee, dat was niet nodig.’

Silvia: ‘Hij kwam alleen bij zijn zus Mina, die in Bentelo woonde, en bij zijn broer Willem, die het laatste half jaar van zijn leven in een verpleeghuis in Delden verbleef.’

Zou u in deze tijd boer willen zijn?

‘O jawel.’

Wat is zo mooi aan het boerenleven?

‘De vrijheid. Je kunt doen en laten wat je wilt.’

Jan Pierik

geboren:16 december 1924 in Kerspel Goor

woont: in een woonzorgcentrum in Goor

familie: neven en nichten, drie achternichten

beroep: boer

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next