Nathan Vos stelt al jaren dat mannen moeten herkennen welke gevoelens bij hen leven. Hij pleit ervoor dat ze daarover praten, zodat ze mentaal de weg niet kwijtraken. Maar hij praktiseerde niet wat hij predikte. Wat zit daar achter?
‘Even bellen?’ Het was al een overwinning dat ik het appje stuurde, want ik zag tegen dit gesprek op. Maar het moest: de appconversatie werd te pijnlijk en te groot voor twee duimen. Een paar seconden later klonk Tubular Bells, mijn ringtone sinds 1999. Ik schrok, en een kleinzielig deel van mij fluisterde dat ik het belletje kon uitstellen door niet op te nemen. Toch deed ik het.
‘Hee, man!’
‘Hee, man. Hee!’
Als het op mannenvriendschappen aankomt, kan ik mezelf soms danig teleurstellen. Niet in kwantitatieve zin. Dat ik de dierbaarste jeugdvrienden nu amper meer zie, is tot daar aan toe. Als een van hen aanbelt, gaat de deur wijd open. In die zin ben ik een mannenvriendenman: oké als je er bent, ook oké als je er niet bent. Misschien een overgeleverde eigenschap: we doen het wel alleen.
Toch maakte deze theorette niet helder waarom ik aarzelde om de telefoon ter hand te nemen. Vriend A. had een paar maanden ervoor zijn vrouw, ook een vriendin van me, verloren aan een rotziekte en had nu te dealen met verdriet, gemis, onmacht, zinloosheid, overleven – van hemzelf en van twee jonge kinderen. Als dit niet mijn meest logische telefoontje ooit was, wat dan wel?
Juist ik. Nathan Vos, zelfbenoemd mannenredder. Die tien jaar geleden zijn ogenschijnlijk stabiele broer David onverwacht verloor aan zelfdoding. En, na de onwerkelijke schok en alle zelfde fases waar A. nu doorheen ging, begon te onderzoeken waarom David wel en hijzelf niet. Ontdekte en passant dat mannen in Nederland twee keer zo vaak suïcide plegen als vrouwen, maar was vooral geïntrigeerd dat dat nooit de krant haalde. En opperde dat een man blijkbaar weinig energie steekt in zijn mentale gezondheid. Geen werkbaar idee heeft hoe hij gelukkig kan worden.
Na mijn boek Man o man voelde het als mijn taak om mannen erop te wijzen dat ze meer zijn dan hun rollen. Ik maakte met Frans Bromet een documentaire met weduwen van mannen als David, oreerde op TEDx, schreef gevoelige essays. De reacties kwamen vooral van vrouwen. Ze kregen inzicht in hun partner, helaas soms te laat. Ook hulpverleners bleken geholpen, al was het maar omdat ze het inzicht kregen dat praten voor mannen een probleem kan zijn. Maar juist ik, die overal vertelde dat mannen hun ‘schild van onkwetsbaarheid’ moeten afleggen, belde mijn vriend niet.
En dat was pijnlijk. Want vriend A., met zijn verlies, wilde juist praten. Niks zich verschuilen achter rollen, niks alleen opknappen. En hij was niet de enige. Vriend B. was niet lang ervoor door zijn vrouw de wacht aangezegd. Ook hij had zich gemeld, net als vriend C., die net zo’n lastige verhouding met zijn vader had als ik. Stond ik daar in mijn fluorescerende reddingspak, mijn vrienden niet te bellen.
‘Hee man. Hee!’
Ik hakkelde, vatte samen hoe het met mij en ons ging, en A. nam daarna het initiatief. Hij vertelde rustig wat er de afgelopen maanden was gebeurd, wat hij had gevoeld. En ik merkte dat mijn schuldbewuste ongemak niet helemaal was verdwenen, maar ik vond berusting in vragen als: ‘Wat gebeurde er dan?’, ‘Hoe was dat voor je?’ En in stiltes, voorafgegaan of gevolgd door: ‘Ja, man.’ Na een minuut of twintig vond A. het wel welletjes. We spraken af elkaar snel vast te houden.
Ik was dankbaar dat ik iets kon betekenen, maar een stemmetje in mijn hoofd fluisterde me iets toe. Ik kon wel veel beweren over mannen, maar dat was misschien vooral mijn manier om me relevanter te maken. Ik leefde zelf niet voor wat ik uitventte: dat wij mannen moeten herkennen welke gevoelens in ons leven zijn en daarover praten, zodat we mentaal de weg niet kwijtraken.
Het werd tijd voor een nieuw onderzoek: waarom vind ik het nog steeds eng om me met mannen te verbinden? Om me door hen te laten raken? En ben ik de enige? Ik ga nog eens op onderzoek uit.
De ontwikkeling van jongen naar man begint al vroeg, zegt Marrie Bekker, emeritus hoogleraar klinische psychologie, gespecialiseerd in autonomie. ‘Meisjes kunnen zich langer dan jongens met hun moeder identificeren, maar een jongetje merkt op een gegeven moment dat mama niet hetzelfde is als hij. Dat jongetje zoekt dan een ander identificatie-object.’ Is de vaderfiguur beschikbaar en ‘responsief’ (merkbaar en passend reagerend op behoeften) voor het kind, dan is er weinig aan de hand – maar vaderschap is lang gevormd naar patriarchale waarden als dominantie, daadkracht en zelfredzaamheid (‘niet piepen’), dus grijpen jongetjes voor empathie nogal eens mis.
Uit Bekkers onderzoeken blijkt dat vrouwen gemiddeld genomen in hun zogenaamde ‘autonomie-verbondenheid’ (het vermogen om je eigen keuzes te maken terwijl je met anderen verbonden blijft) een grotere gevoeligheid voor anderen laten zien dan mannen. Meisjes leren binnen de hechting met hun moeder – en later met andere vrouwen – hoe intimiteit werkt, en ze leren dat hulp vragen vanzelfsprekend is. Veel jongens leren juist het zelf uit te zoeken. Onbewust ontstaat het idee dat onmacht tonen niet mannelijk is. Bekker: ‘Vanaf de vroege puberteit zie je dat jongens hun meer ‘kwetsbare’ emoties beginnen te onderdrukken. Dan worden ze, als ze bijvoorbeeld gaan huilen, gecorrigeerd, uitgelachen of genegeerd.’
Ik herken het patroon als ik terugdenk aan de elf weduwen die ik interviewde voor Man o man. Al hun mannen hadden, op één na, geen of een slechte band met hun vader. En ze schaamden zich, voor zover hun partner dat wist of kon achterhalen, voor hun gevoelens van angst, verdriet en boosheid. Ze konden die niet of amper delen. De ogenschijnlijke vrijheid van deze mannen, en die van mijn broer David, was vooral eenzaamheid. Schijnautonomie, zoals het in het werk van Bekker wordt genoemd.
Schijnautonomie of zogenaamde onafhankelijkheid: die onderdrukking van gevoelens kan dus een leven lang blijven. Mannen bagatelliseren hun pijn, minimaliseren hun kwetsbaarheid en voelen zich niet vrij om nare ervaringen te delen. Ze blijven lang alleen met hun zorgen. En de zelfredzaamheid die ze nastreven, blijkt soms niet meer dan een façade. ‘Ik moet en kan het alleen’, in plaats van verbondenheid met anderen tegen wie ze kunnen zeggen: ‘Het lukt me niet. Help me.’
Toch is er hoop. Generaties lang was de vader fysiek afwezig: hij ploegde op het land, stond in de fabriek, zat op kantoor of trok naar de loopgraven. Rolmodellen ontbraken. Maar jonge vaders van nu lijken bewuster. Onderzoeken laten zien dat vaders in westerse landen hun tijd met hun kinderen sinds de jaren zestig hebben verdrievoudigd. Ook zijn er aanwijzingen dat jongere mannen gemakkelijker spreken over gevoelens dan hun (groot)vaders deden. Begrippen als burn-out of therapie staan vandaag niet voor zwakte, maar voor zelfzorg. De façade van zelfredzaamheid wordt transparanter.
In mijn eigen façade zijn na de dood van David in elk geval gaten gevallen. Mannencoach Guido Spijk bevestigt dat een zoektocht als de mijne meestal met een crisis begint. ‘Veel mannen komen pas in beweging als ze iets kwijtraken. Een relatie, een baan, een naaste. Dan merken ze: ik weet eigenlijk niet waar ik naartoe moet. Omdat ze nooit hebben geleerd om te voelen wat ze voelen. Omdat dóen vaak veiliger was dan zíjn.’ Spijk huldigt zo’n crisis – ‘Als je helemaal stilvalt omdat het niet anders kan’ – als een nieuw begin. ‘Maak van de gelegenheid gebruik om precies waar te nemen wat je allemaal van binnen voelt.’
Dat is precies wat ik half maart ga doen op een dag ‘stembevrijding voor mannen’ in een buurthuis in Amsterdam-West. Een goede vriend van me heeft in zijn laatste, achteraf gezien doodzieke maanden veel kracht gevonden in deze expressievorm. ‘Hij klonk boven alles en iedereen uit’, glimlachte een spreekster begin dit jaar op zijn uitvaart. Ik besluit te onderzoeken of mijn stem me antwoorden geeft in mijn queeste. Stembevrijding belooft dit: jezelf tonen met of via je stem. Zonder iets te bewijzen, zonder je groter te maken. Eerder: ik ben er ook en ik ben goed genoeg. En met het, zonder veel sturing, volume geven aan geluiden die van binnen klinken, voel je vanzelf wel wat er bij je speelt.
Ik deel met de groep dat ik me uitstekend kan laten horen, maar niet weet hoe ik naar buiten kan brengen wat ik echt voel. Is mijn stem wel van mij? Vijf mannen zitten er zwaarder in: zichzelf tonen is al een opgave. En drie olijke vrienden zijn er vanwege een verjaardagscadeau. Toch kunnen ook zij niet wachten om hun ‘eigen klank’ te laten horen als begeleider Ton daarom vraagt. Rechts klinkt een ‘Aaahoooweee’, zo hartstochtelijk dat het lijkt alsof de buurman ergens van af moet. Zelf voel ik dat mijn oerklank ‘Ooooh’ bevestigt: ik voel me hier welkom. Maar als ik luid ‘Aaah’ roep, hoor ik gek genoeg een dreumes in mij die aandacht wil van zijn ouders. Hoor mij toch!
Wat ik leer op deze dag is dat ik problemen heb met boosheid. Eigenlijk wist ik dat al. Lang blijf ik schipperen, grimassen, de vredesprins uithangen, tot ik ontplof en buiten mezelf raak. Maar boosheid gaat, weet ik, over grenzen. Thuis leerde ik weinig over grenzen, hoe liefdevol mijn ouders ook konden zijn. Mijn vaders humeur was onvoorspelbaar, en wat goed of fout was, kon per moment wisselen. Op het woord Gods na, waarvan een angstige ik vooral meekreeg dat we gedoemde zondaren waren. Mijn moeders deel van de opvoeding was beperkt door veel werk, zorg voor zes kinderen en een eigen geschiedenis die mentaal op haar drukte.
Als wij mannen onze ‘ja’s’ en ‘nee’s’ moeten laten klinken, komen de nee’s er bij mij alleen op hoge toon uit. Zo hoog als die van een jochie van een jaar of 5, dat graag ‘nee’ had willen zeggen tegen zijn ouders. Dat gaat niet meer gebeuren, maar het leven biedt herkansingen. Ik neem me voor mijn grenzen beter aan te geven, in plaats van – door me steeds aan te passen – ze te negeren. Duidelijk ja of nee zeggen in plaats van schipperen, geeft richting. En kan leiden tot intimiteit, zoals met een vriend in nood die wil praten.
Aan het eind van de middag sta ik alleen voor de groep. Ton vraagt ons om onze stem te laten horen ‘zoals die zich op dat moment aandient’. En dan meldt zich dat andere pijnpunt, plus de bijbehorende steek in mijn buik: David. Mijn grootste verlies. Ik laat een woordloze uitvoering van Nacht und Träume van Franz Schubert klinken. Ik neurie me door noten, terwijl ik de groepsleden een voor een aankijk. En ik heb niet door dat begeleider Ton rechts achter me is komen staan. Als de laatste noot uitsterft, voel ik zijn hand in mijn onderrug. ‘Nathan, laat nu jezelf eens horen’, fluistert hij.
Fok. Ik ontkom er niet aan. Ik ontspan. Na een forse ademteug of drie dienen zich klanken aan. Langgerekte fraseringen, glijdend van laag naar hoog, weer terug. De pianist van dienst weet er akkoorden bij te vinden, de hand van Ton is er heel het lied. En juist dat had ik David zo gegund. Dat mijn broertje zich had kunnen tonen in wat hij vond en voelde, gesteund door een hand in zijn rug. Eens te meer weet ik: wij mannen redden het niet alleen.
Twee maanden na de stembevrijding sluit ik aan bij een driedaagse workshop Mannenkracht bij Phoenix Opleidingen. Ik volgde daar ooit een professionele scholing tot coach in de hoop mannen te kunnen helpen, en de principes, werkwijze en sfeer van het Utrechtse instituut bevielen me. Nu wil ik zelf geholpen worden.
‘Oud gedrag, ook al levert het niets op, herhaalt zich tot het misgaat. Het goede nieuws is: dat patroon gaan we hier doorbreken’, belooft trainer Alex. De zeventien mannen hier vanmiddag hebben er zin in. En omdat we de zoektocht naar zelfkennis met het lichaam uitvoeren in plaats van erover te praten of dingen aan elkaar uit te leggen, raakt de ruimte snel overspoeld door masculiene energie. Ik neem geschreeuw, gebonk en geduw waar als we in tweetallen moeten uitvinden hoe we met onze moeders verbonden zijn. Wat gaf ze ons te veel, wat te weinig en wat was best in balans?
Mijn kompaan en ik pakken het serener aan als ik met mijn ogen dicht tegenover hem zit met uitgestoken handen, waar hij op commando van de begeleiders iets mee moet doen. Tot mijn verbazing besef ik dat ik niet zozeer moederlijke strelingen tekort ben gekomen, maar dat mijn handen juist smachten naar een paar harde klappen. Ik steek ze, de ogen gesloten, nog eens uit om die pijn te mogen voelen. Pets. ‘Lekker’, verzucht ik, terwijl de maat van dienst verbaasd grinnikt.
Liever zó dan die onverwachte klap die ik als kind lang vreesde, vertelt mijn lichaam me. Het inzicht van de stembevrijding wordt bevestigd: ik heb als kind voorspelbare grenzen en daarmee ook voorspelbare boosheid gemist. Maar daar moet ik toch echt zelf mee leren omgaan, hoezeer ik ook gebonden ben aan m’n ouders, omdat zij me per slot van rekening op de wereld hebben gezet. Maar hier en nu heb ik hier niets aan ze.
‘En dan kan er schuldgevoel komen, misschien ook schaamte’, duidt medebegeleider Laurens, ‘als je je ouders moet loslaten. Als je zegt: zij hebben niet alles goed gedaan, of ze hebben het niet goed gedaan. En als je dus de hoop opgeeft dat je alsnog krijgt wat je hebt gemist.’ Maar zo verraden we, in zekere zin, onze verwekkers. En dat is verwarrend voor het trouwe kind dat in ons huist. Niet getreurd, bemoedigt Laurens opgewekt: ‘Want verwarring is de poort naar een nieuwe realiteit.’
Op de tweede Phoenixdag staan we voor de taak om onze vaders te accepteren zoals ze waren. Want pas dan kunnen we ze loslaten. Eerst krijgen we de vraag: hoeveel lijk je op je vader? ‘Want als je op hem lijkt, blijft hij ook dicht bij je’, weet Alex. Oftewel: als je alsnog steun aan je pa wil hebben, focus dan niet op de verschillen, maar op de overeenkomsten. Ik sluit mijn ogen en haal mijn al in 2002 overleden vader Jan terug. Allebei stonden en staan we bekend als liefhebbers van mooie praatjes, opgewonden standjes, ondeugden. Maar vooral herken ik nu in hem datzelfde zoekende, onrustige hart dat zó van warm kon omslaan naar koud, en weer terug. En zo vind ik een nieuwe hulpbron. Als ik accepteer waarin ik op mijn vader lijk, kan ik ook zijn hand in mijn rug voelen. Zo’n hand die David miste.
Op dag drie hebben we, al dan niet in liefde, moeders en vaders ballast afgeschud. Nu die van onszelf. We doen een schrijfoefening en dan merk ik waar ik mee bezig ben: ik oordeel en oreer vooral. Niet over één specifieke ander, ik zou niet durven, maar over mannen in het algemeen: wat te doen, waarheen te gaan, waarvoor op te passen. Ik strooi met omslachtige zinnen, weids draaiend om het te maken punt, allemaal ter vermijding van die korte weg rechtdoor, de weg naar wat ik écht denk, voel en vind. Want die korte weg is me nog steeds te spannend. Afwijzing en isolement dreigen als ik rechtdoor ga, fluistert een oude stem me in. Niemand wil dat horen.
Maar juist de prijs die ik met die omweg betaal is: gebrek aan intimiteit. Alsof niemand me echt kan zien, niemand me echt kan raken. En andersom voelt het alsof ik altijd nét mistast. Juist naarmate ik meer woorden schrijf, naarmate ik meer hoop te helpen, naarmate ik ‘meer bereik heb’, voelt het eenzamer. Best een tragisch gegeven, lees ik in mijn eigen stuk.
Ik moet iets met dat inzicht, hier in Utrecht. En dus baan ik me brullend, worstelend en schoppend een weg door een massief cohort medecursisten; die bootsen in opdracht van Alex en met vereende krachten een stroef ‘geboortekanaal’ na. Nadat ik me bezweet, hijgend en met een oerschreeuw door de opening geperst heb, hoor ik de brief aan die ik mezelf een uur eerder heb geschreven. Korte samenvatting: ik heb mezelf opnieuw geboren laten worden, en daar hoort, voor vanmiddag althans, een nieuwe naam bij. Waarnemer. Vanaf nu ga ik kalmer en aandachtiger waarnemen. Minder vluchten. De controle loslaten. Minder oreren. Mijn gevoelens toelaten als die zich willen tonen. Kom maar.
En zo beland ik bij het antwoord op de vraag waarom ik die vrienden in nood niet belde. Ik verwachtte heus niet dat ik hun problemen kon oplossen en ik wist ook dat zij dat niet van mij verwachtten. Maar ik was bang voor mijn eigen verdriet. Om David veruit het meest, maar ook om nog veel meer waar ik om gaf en dat er nooit meer zal zijn. Terwijl ik weet dat verlies, veel meer dan boekenwijsheid, cursussen stembevrijding en workshops mannenkracht, dé leermeester van het leven is. Ik huiver om mijn eigen verlies aan te kijken. Maar ik weet ook dat vrienden elkaar hierover kunnen bellen – al ben ik dan zelf die vriend in nood.
Source: Volkskrant