Boekbespreking De beurskrach van 1929 staat op de financiële markten symbool voor al het vreselijks wat de banken- en beleggingswereld kan overkomen. In zijn jongste boek schetst Andrew Ross Sorkin parallellen met het huidige tijdsgewricht.
'Zwarte dinsdag' 29 oktober 1929. Publiek verzamelt zich op Wall Street voor de effectenbeurs van New York, waar de koersen dramatisch dalen.
Penguin, € 18,99, 592 blz.
Het is maandagmiddag 28 oktober 1929. De beurs in New York, al dagen een bloedbad, is opnieuw fors lager gesloten. Charles Mitchell, topman van National City Bank, hoort dat de gelieerde handelstak, om de koers van de bank te stutten, meer eigen aandelen inkocht dan ze kan betalen. In het besef dat ‘een veertje’ zijn bank nu omver kan duwen, sluit hij een persoonlijke lening af en koopt de aandelen op. Dat gebeurt op 29 oktober 1929, het begin van ‘zwarte dinsdag’.
Met deze scène opent Andrew Ross Sorkin, gelauwerd The New York Times-journalist, zijn nieuwe boek, 1929. Het is een filmisch verslag van het doen en laten van de hoofdrolspelers in het financiële drama van dat jaar, en in de verbouwing van het Amerikaanse banken- en beurstoezicht erna. Sorkins aanpak is dezelfde als in zijn bestseller Too Big to Fail uit 2009, waarin hij het verhitte overleg verslaat tussen overheid en banken rond de val van Lehman Brothers in september 2008. Het gaat Sorkin om de emoties van de beslissers, hun beweegredenen.
Sorkin beschrijft de krach van 1929 vanaf februari 1929 tot en met juni 1933. En voor de context begint hij al bij aanvang van de jaren 20, als de Amerikaanse landbouweconomie instort. De plattelandsbevolking trekt massaal naar de grote steden, waar de industrie op hoge toeren draait en werknemers een markt vormen voor nieuwe consumptiegoederen: auto’s, radio’s, vaatwassers. Producten, schrijft Sorkin, waarvan niemand wist dat ze die nodig hadden, maar die het leven zoveel gemakkelijker maakten. Met als belangrijkste product: krediet. Kopen op afbetaling wordt standaard. Wall Street doet mee: banken beginnen effecten te offreren via margin accounts waarmee, met 10 procent inleg en de rest op de pof, aandelen gekocht kunnen worden.
Context biedt voorts de beurskrach van 1907, aanleiding voor de oprichting in 1913 van het Federal Reserve System, een publieke, regionaal georganiseerde centrale bank met de bevoegdheid om in noodsituaties leningen te verstrekken aan solide banken. De Fed krijgt verder de bevoegdheid via rentebeleid speculatie tegen te gaan van nationale banken. Die zijn sinds 1913 verplicht lid van het federale reservesysteem.
In dit verband voert Sorkin Mitchells tegenspeler ten tonele, Carter Glass, een conservatieve Democraat uit Virginia. Glass was instrumenteel geweest, in de formulering van de Federal Reserve Act van 1913. Destijds al waarschuwde hij dat, als de oppositie niet zou instemmen met een bepaling tegen ‘gokken’ met bankreserves, de publieke opinie na een volgende krach er een ‘radicaler’ middel door zou drukken. Dat is, in het kielzog van 1929, precies wat gebeurt. Glass schrijft nu, met de Democratische afgevaardigde Henry Steagall, splitsing van het bank- en effectenwezen in de Bankenwet van 1933.
Glass, benadrukt Sorkin, vecht voor bescherming van de wettelijke financiële orde, terwijl Mitchell verandering wil. De National City Bank was rond 1910 een van de eerste nationale banken geweest die gelieerde instellingen opzetten voor zaken buiten hun bankvergunning om. Naast andere lucratieve activiteiten brachten deze zogenoemde affiliates in de jaren 1920, via advertenties in de krant en verkopers aan de deur, krediet en effecten aan de man en vrouw, als ware het stofzuigers. De mensen vertrouwden op de goede naam van de gelieerde bank. Waarbij ze niet beseften dat, anders dan een defecte stofzuiger, een niet presterend financieel product hen kon ruïneren.
De affiliates werden oogluikend getolereerd. President Calvin Coolidge bemoeide zich niet met Wall Street, en voor rentebesluiten had de Federal Reserve goedkeuring nodig van diens ministers van Financiën. Toen Herbert Hoover in 1929 instemde met renteverhoging om speculatie te remmen, was het te laat. In 1933 kon Franklin Delano Roosevelt puinruimen. En verstevigden Glass en Steagall de onafhankelijkheid van de Federal Reserve in de genoemde Bankenwet.
Mitchells aandeleninkoop van 29 oktober 1929 liep met een sisser af. De bankier had het verlies in koerswaarde op zijn inkomsten afgeboekt, wat leidde tot zijn arrestatie in 1933 op verdenking van belastingontduiking. De jury sprak hem vrij. Hij had de bank immers willen redden. Mitchells rol in het ontstáán van de problemen was intussen kleurrijk aan bod gekomen in het wetgevingstraject naar aangescherpt banken- en beurstoezicht.
Parallellen met 2025 verschillen in context en detail. Waar Hoover in 1930 met tegenzin tekent voor de extortionate (buitensporige) tarieven in de Smooth-Hawley Act, zien we de huidige president er vol voor gaan. Voor beiden speelt echter hun achterban in wat inmiddels de rust belt heet (‘roestgordel’; het noordoosten en middenwesten, ooit het industriële hart van de VS) een rol. Tweede constante: Wall Street en economen zijn tegen.
Voorts ligt opnieuw de onafhankelijkheid van de Federal Reserve onder vuur. Ook ziet Sorkin ‘democratisering’ van riskante beleggingen in de stijl van Mitchell – nu private equity, vastgoed, crypto – in pensioenpotjes, gedreven door honger van de betrokken sectoren naar vers kapitaal. Het kan al in de VS, wellicht binnenkort in de EU.
Griezelig vergelijkbaar lijkt de beurshype, nu rondom AI – gevoed met ondoorzichtige, circulaire leenconstructies die de koersen van Big Tech opjagen. Het risico van intransparante private financiering van andere bedrijven bleek onlangs bij het omvallen van auto-onderdelenhandelaar First Brands. „Een kakkerlak”, waarschuwde bankier Jamie Dimon, topman van JPMorgan: „Als je er eentje ziet, dan zijn er meer.” Maar waar?
Op de vraag of een krach als die van 1929, of 2008 voorkomen kan worden, geeft Sorkin in 2009 een steviger antwoord dan in dit jongste boek. Waar hij destijds onder meer verwees naar bankenderegulering, en een te langdurige, te lage rente waardoor te veel krediet in omloop bleef, berust hij nu in het besef dat geen enkel systeem foolproof is. Zijn dezelfde factoren niet opnieuw relevant? Ligt het benoemen ervan nu politiek gevoeliger?
Blijft overeind dat 1929 een boek is voor onder de kerstboom. Het leest als een thriller, maakt financiële en politieke kwesties inzichtelijk, en schetst een breder tijdsbeeld. Dat is geen geringe prestatie.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC