Met hun boek Diplomademocratie gooiden hoogleraren Anchrit Wille en Mark Bovens vijftien jaar geleden een steen in de vijver. Nu, bij verschijning van een herziene versie, is hun boodschap niet minder alarmistisch. ‘De onvrede kan zich gaan keren tegen het democratische systeem.’
is verslaggever binnenland van de Volkskrant.
Ze zijn er zelf ook debet aan, dat geven bestuurskundigen Anchrit Wille en Mark Bovens ruiterlijk toe. Als hoogleraren hebben zij zelf immers bijgedragen aan de diplomademocratie die ze bijna vijftien jaar na het verschijnen van hun veelbesproken eerste boek opnieuw kritisch onder de loep nemen.
Mensen met de hoogste diploma’s hebben het in Nederland voor het zeggen. Met die – met name voor mensen met een hoog diploma – confronterende boodschap zorgden Wille en Bovens in 2011 voor opschudding.
Ze lieten zien hoezeer academisch opgeleiden oververtegenwoordigd waren in alle politieke arena’s, van de Tweede Kamer tot het gemeentelijke ambtelijke apparaat, van adviesraden tot inspraakavonden. En hoe dat leidt tot vertekening van beleidsagenda’s en tot blinde vlekken. Het zijn bubbels van mensen die de problemen waarvoor zij oplossingen moeten bedenken zelden zelf ervaren.
Het gebrek aan vertegenwoordiging leidt tot vervreemding en wantrouwen onder praktisch geschoolden. Maatschappelijk kreeg de analyse veel weerklank. Collega’s waren minder enthousiast.
Die wetenschappelijke scepsis is nu goeddeels verdwenen, constateren de auteurs. Er is inmiddels veel onderzoek gedaan naar de gevolgen van politieke oververtegenwoordiging van academisch opgeleiden. In de herziene uitgave van hun moderne klassieker Diplomademocratie maken Wille en Bovens daarom de balans op, gaan ze dieper in op de oorzaken van de toegenomen impact van wat zij ‘de nieuwe verzuiling’ noemen, en laten ze zien hoe opleidingsniveau tegenwoordig ook doorwerkt in overtuigingen en stemgedrag.
Hun zorgen zijn er niet minder om geworden, integendeel, vertellen ze tijdens een gesprek op de plek die je gekscherend de bron van het kwaad zou kunnen noemen: een Haagse vestiging van de Universiteit Leiden, waar veel beleidsmakers studeerden. Hun boek is daarmee ook ‘een academische reflectie op basis van persoonlijke observaties en professioneel ongemak’.
Nog steeds is niet iedereen overtuigd. De felste reactie kwam onlangs van socioloog Jan Willem Duyvendak, die tijdens de promotie van zijn eigen boek Spookkloven Bovens en Wille ervan betichtte onzin te verkopen en ‘moord en brand’ te schreeuwen over een ‘kloof’ die niet bestaat.
De kern van Duyvendaks kritiek is dat tegenwoordig veel meer mensen hogeropgeleid zijn, de meritocratie heeft zijn werk gedaan. Daardoor heeft die statuur in relatieve zin toch ook aan betekenis verloren?
Bovens: ‘Ja, alleen is dat ons punt helemaal niet. Misschien mag de status minder hoog zijn dan vroeger, maar nog steeds zien we dat met name universitair geschoolden veel beter af zijn. Er zijn grote verschillen in brede welvaart op basis van je diploma. Academisch opgeleiden hebben het beter op de arbeidsmarkt, qua inkomen, gezondheid, elk vlak.
‘Wij laten zien dat de groepen zich juist steeds meer van elkaar zijn gaan onderscheiden. Ze leven in aparte werelden, hebben eigen netwerken, met name mensen met een master hebben vooral vrienden met eenzelfde diploma en trouwen met mensen met een universitaire opleiding. Vervolgens sturen ze hun kinderen naar andere scholen, naar andere sportclubs.
‘Ook is er sprake van een sterke fysieke segregatie: academisch en praktisch geschoolden wonen in andere wijken en andere regio’s van Nederland, net zoals dat het geval was met katholieken en protestanten.Tijdens de verzuiling zaten ze nog in samen in één kerk en hun kinderen op dezelfde middelbare school. Nu zijn er gescheiden werelden ontstaan langs opleidingslijnen, dat is nieuw.’
Wille: ‘Duyvendak heeft duidelijk ons boek niet gelezen. Anders kun je niet volhouden dat er sprake is van een spookkloof. We schetsen aan de hand van talloze onderzoeken een structurele maatschappelijke scheidslijn, die wel degelijk reëel is en die de afgelopen vijftien jaar is versterkt.’
Ondertussen is er ook een ‘culturele scheidslijn’ ontstaan, die tegenwoordig belangrijker is dan de oude links-rechts-scheiding, constateren Wille en Bovens. De heftigste maatschappelijke discussies, schrijven ze, gaan niet langer over de vrijheid van onderwijs of over sociale zekerheid, maar over thema’s als Europa, klimaat en nationale identiteit, die ze de ‘grote polariserende kwesties van onze tijd’ noemen.
De grootste tegenstellingen zijn er rondom immigratie. Hoe hoger je bent opgeleid, hoe positiever je daar tegenover staat, blijkt uit onderzoeken van het SCP en politieke sociologen.
Ook het politieke landschap heeft zich sinds de opkomst van de LPF naar die scheidslijn gevoegd. Aan de ene kant vind je ‘kosmopolitische’ partijen (D66, GroenLinks-PvdA, Volt, Partij voor de Dieren) waar met name theoretisch geschoolden op stemmen. Aan de andere kant bevindt zich het ‘nationalistische’ blok (PVV, BBB, JA21 en Forum voor Democratie) dat vooral praktisch geschoolde kiezers trekt.
De verkiezingen van 2023 zagen jullie als een correctie op de diplomademocratie. Wat leverde dat op?
Bovens: ‘Het kabinet-Schoof had een agenda die meer aansloot bij de wensen van praktisch geschoolden. Het vertrouwen in de politiek nam onder die groep zelfs even toe na de verkiezingen, al was dat van zeer korte duur. Er ging minder geld naar ontwikkelingshulp, migratie was een speerpunt, autorijden werd goedkoper en het eigen risico zou worden afgeschaft.’
Er kwamen ook meer praktisch opgeleiden in de Tweede Kamer, maar van sommigen, bijvoorbeeld een poffertjesbakker in de PVV-fractie, werd bijzonder weinig vernomen. Heeft dat dan wel zin?
Wille: ‘Zeker, mensen moeten het gevoel hebben dat hun standpunten vertegenwoordigd worden en de politiek er ook voor hen is. Nu is 10 procent van de Kamerleden praktisch geschoold en 75 procent academisch. In de beroepsbevolking is die verhouding omgekeerd: 63 procent is praktisch geschoold, slechts 15 procent is academisch opgeleid. Als de genderverhouding zo ongelijk was, zou iedereen zeggen: dat hoort niet. Terwijl de politiek relevante verschillen tussen universitair en praktisch opgeleiden inmiddels veel groter zijn dan die tussen mannen en vrouwen.’
Bovens: ‘Universitair opgeleiden verdienen gemiddeld drie keer zo veel, leven gemiddeld langer, hebben vaker een huis en een vast contract. Daardoor hebben ze heel andere prioriteiten. Gechargeerd maken academici zich zorgen om het einde van de wereld, praktisch opgeleiden om het einde van de maand. Het grote risico daarvan is dat politiek niet meer herkenbaar is, en dat de agenda niet getrouw is aan datgene wat grote groepen kiezers vinden. Dan heb je een democratisch probleem.
‘Critici stellen dat het juist goed is dat Kamerleden hoogopgeleid zijn, omdat de problemen tegenwoordig zo ingewikkeld zijn. Dat is tot op zekere hoogte zo, maar wij wijzen erop dat de Tweede Kamer in de eerste plaats ook volksvertegenwoordiging is.
‘Als een grote groep kiezers volledig afwezig is, is dat een democratisch brevet van onvermogen. Het heeft zelfs iets paternalistisch. Wij zorgen wel voor jullie, maar jullie mogen niet meedoen. Praktisch geschoolden hebben het gevoel dat ze worden uitgesloten. Ze voelen zich miskend en vinden dat academisch geschoolde politici op hen neerkijken.’
Jullie concluderen dat alle politieke arena’s worden gedomineerd door één kant van die maatschappelijke scheidslijn, namelijk de academisch opgeleiden. Waarom is dat problematisch?
Wille: ‘Opleiding is niet politiek neutraal. Universitair opgeleiden hebben andere voorkeuren dan praktisch geschoolden. Dat leidt tot scheve agenda’s en blinde vlekken. Onderzoek toont aan dat de beleidsvoorkeuren van praktisch geschoolden alleen worden gehonoreerd wanneer ze overeenkomen met die van de hogeropgeleiden.
‘Dat zag je bij de toeslagenaffaire, maar ook bij het verhogen van de AOW-leeftijd naar 67. Dat zware beroepen daar misschien moeite mee zouden krijgen, ontdekte men pas toen de vakbonden zich roerden. Beleidsmakers maken met de beste bedoelingen wetten en regels, maar worden in hun eigen leefwereld niet langer direct geconfronteerd met de gevolgen ervan.’
Elk ministerie maakt tegenwoordig toch gebruik van ervaringsdeskundigen?
Bovens: ‘Dat is een goed begin. Maar de burgers die het betreft moeten structureel betrokken worden bij het maken van beleid. Vroeger had je veel meer beleidsmakers die zelf niet academisch opgeleid waren, of als eerste generatie academicus in elk geval nog een herinnering of rechtstreekse toegang hadden tot de wereld waar ze vandaan kwamen. Het ontbreken van dat soort ervaringskennis is een direct gevolg van diplomademocratie. Beleidsmakers, ambtenaren en politici zouden meer moeite moeten doen om die andere wereld te leren kennen en erkennen.’
Tijdens de laatste verkiezingen was er ontzettend veel aandacht voor wonen en migratie. Hebben politici niet juist meer dan ooit aandacht voor ‘de gewone man’ en zijn zorgen?
Bovens: ‘Een grote groep vooral praktisch geschoolden vraagt al sinds de jaren negentig om meer greep op migratie. Internationaal onderzoek laat zien dat in vrijwel alle West-Europese landen beperking van immigratie de belangrijkste reden is om te stemmen op radicale, nationalistische partijen. Omdat gevestigde partijen niet leveren op dit punt blijven kiezers uitwijken naar die partijen.’
Wille: ‘Dat verandert nu langzaam. Je kunt blijven hangen in je eigen bubbel, maar je kunt ook denken: hoe krijg ik bepaalde groepen die niet goed vertegenwoordigd zijn aan boord? D66 heeft daarom bewust een minder elitaire campagne gevoerd. Ze hingen een Nederlandse vlag op en maakten migratie belangrijk, terwijl onderwerpen als het regenboogzebrapad werden gedownplayd. Een soort progressief patriottisme. Uit onderzoek naar kiezersstromen van politicoloog Mathijs Rooduijn blijkt dat de partij daar een klein deel van de middelbaar opgeleiden mee heeft bereikt, zelfs voormalig PVV-stemmers.’
Ook opvallend: haast niemand sprak toen jullie boek in 2011 uitkwam over ‘praktisch’ en ‘theoretisch geschoold’, nu zijn dat ingeburgerde begrippen. En er is een flinke herwaardering op gang gekomen, voor een loodgieter betaal je de hoofdprijs – als het je al lukt om er een te vinden.
Bovens: ‘Maar de diplomawedloop gaat ondertussen onverminderd door. De kinderen van academisch geschoolde ouders scoren daar nog steeds het beste. Zij gaan naar betere scholen, krijgen bijles en examentraining. Kinderen op het middelbaar beroepsonderwijs of mensen met een praktisch beroep komen nog altijd veel lager op de maatschappelijke ladder terecht.
‘Dus ja, er is zeker sprake van symbolische herwaardering, maar dat is lang niet genoeg. Zo’n loodgieter waar iedereen altijd over begint, is echt een uitzondering. De meerderheid deelt niet in de brede welvaart en velen kunnen niet rekenen op een vast contract of een fatsoenlijke woning. Zolang we daar niets aan doen, blijft dat een bron van onvrede.’
Door die onvrede zien jullie een nieuwe splijtzwam ontstaan rond de democratische rechtsstaat.
Wille: ‘Het risico bestaat dat het ressentiment zich uiteindelijk ook gaat keren tegen het systeem, net als in de VS en Hongarije. We zijn bang dat de rechtsstaat ook een thema wordt op de culturele scheidslijn, dat die vooral als iets van en voor universitair opgeleiden wordt gezien. Daarom is het riskant om de rechtsstaat steeds weer als argument te gebruiken om je gelijk te halen, zoals bij klimaat- of stikstofkwesties. Dat kan worden gezien als het bewijs dat de bestuurlijke elite toch nooit wil luisteren. Daardoor kunnen mensen gaan denken: uw rechtsstaat is de onze niet.’
Wat kun je daartegen doen, want die rechters doen gewoon hun werk?
Bovens: ‘Academisch geschoolden hebben de neiging om nog maar eens uit te gaan leggen wat de rechtsstaat is, maar dat werkt averechts. Net als voortdurend waarschuwen dat de rechtsstaat in het geding is, zoals nu gebeurt, de afstand juist verder vergroot. Je moet ervoor zorgen dat mensen het gevoel krijgen dat hun zorgen serieus worden genomen.
‘Wat in de VS gebeurt is hier overigens een stuk onwaarschijnlijker, omdat we een systeem met coalities hebben dat autocratisering op afstand houdt. Dat kan ervoor zorgen dat nationalistische partijen een bepaalde ontwikkeling doormaken. Leefbaar Rotterdam was na de moord op Pim Fortuyn een radicale, rabiaat xenofobe club. Nu is het een solide bestuurderspartij die zelfs de komst van asielzoekerscentra verdedigt tegenover de PVV en in het huidige college samenwerkt met Denk. Dat is pacificatie: een anti-islampartij die bereid is met een min of meer moslimpartij te besturen.’
Jullie boodschap komt deels overeen met die van populisten. Zij geven ook af op de ‘linkse elite’ die te weinig oog heeft voor de ‘gewone man’. Is dat lastig?
Bovens: ‘Ja, daar zit ongemak. We willen zeker geen apologeet zijn van die partijen, wij zijn wetenschappers. Maar toch zeggen we ook: dit zijn de feiten. Als je die onder ogen ziet, ben je niet direct een populist.’
Wille: ‘Je wilt natuurlijk liever niet bij die zuremannenclub terechtkomen. Bij het eerste boek speelde dit opvallend genoeg veel minder, omdat het politieke landschap toen nog niet zo was uitgekristalliseerd.’
Bovens: ‘Het is een pijnlijke boodschap. Universitair opgeleiden staan opeens niet altijd meer aan de goede kant van de geschiedenis. Dat proces hebben we zelf ook doorgemaakt. Door ons werk op de universiteit dragen wij bij aan het vergroten van sommige maatschappelijke ongelijkheden, dat moet je onder ogen zien. Academici moeten zich realiseren dat ze een heel geprivilegieerde politieke en sociale positie hebben die niet altijd politiek neutraal is.’
Die hoogopgeleide experts die het contact met de rest van de bevolking zijn verloren, worden hier op de universiteit opgeleid. Daar hebben jullie dus een bijdrage aan geleverd?
Wille: ‘Wij zijn onszelf ook gaan afvragen of we dat wel goed doen. Onze studenten gaan na hun afstuderen via een traineeship direct bij een van de ministeries werken, maar de wereld van twee derde van de mensen waarvoor ze beleid gaan maken kennen ze amper.’
Bovens: ‘Ze moeten stage gaan lopen op plekken waar ze die groep wel tegenkomen: de schuldhulpverlening, thuiszorg of voor mijn part in de schoonmaak of op de tram. Universiteiten ontwikkelen speciale programma’s voor eerstegeneratiestudenten, om ze te helpen aansluiting te vinden, maar eigenlijk zou je het moeten omdraaien: jongeren met ouders of grootouders die al studeerden moeten geholpen worden, die hebben een achterstand, een handicap. Dat geldt trouwens ook voor een hoop politici en beleidsmakers. Kom achter je bureau vandaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant