Home

Marente de Moor schreef het boek van het jaar: ‘De bandagist’ is dé grote roman over ongelijkheid

Je zou De bandagist van Marente de Moor kunnen lezen als de Grote Nederlandse Woningmarkt-roman, maar daarmee doe je het Volkskrant-boek van het jaar tekort. Het is dé grote roman over ongelijkheid, tussen bezitters en niet-bezitters, boomers en jongeren.

Op zijn knieën, zo treffen we Joost, verteller van De bandagist op de eerste pagina, gebogen over het etterende been van een van zijn patiënten: ‘Blakend van het lymfevocht, glad en hard als een pas aangespoelde kei, verrees het voor mijn gezicht.’

Het is zijn werk als bandagist om het been in te zwachtelen, de druk gelijkmatig te verdelen. Maar met zijn 1 meter 94 zit hij hier niet lekker, geknield in dit met boeken volgestouwde appartement waar het naar rotte meloen ruikt. En dan begint de eigenaresse van het been hem vanuit de hoogte ook nog – hoe toepasselijk – Het been van Elsschot voor te lezen, ‘oubollig en onsmakelijk’.

Hij kan geen kant op, zijn nederige positie begint hem op te breken. Voor Joost, dat maakt deze broeierige openingsscène voelbaar, is geen plaats.

Niet in dit welgestelde huis, niet in dit hele Amsterdam, waar je inmiddels boomer of miljonair moet zijn om een vierkante meter of twee te bezitten.

Joost is 29, ‘oud genoeg om zich te herinneren dat de eerste hondendrollen van de stoep verdwenen, toen de peuken en daarna de kauwgomvlekken’.

Hij snapt niet hoe iedereen zo rijk geworden is. ‘Want plotseling waren ze het. Plotseling reed iedereen op een fiets van duizend euro of meer, en zagen alle gevels binnen de ring eruit alsof ze pas waren opgemetseld.’

En met die rijkdom kwam de drukte, kwamen de koffietenten, de gastrobars, de etalages vol sobere, aardse luxe om al die ruis te compenseren. ‘Blijf kalm’, stralen die winkels met hun korte, overzichtelijke merknamen uit, draag gevoerde slippers en neem plaats op een fluwelen bank (...), neem uw medicijn van kurkuma en chlorella, draag witte ruis in uw oordopjes en adem in, adem uit. En het werkt, griezelig genoeg. Ondanks alles kun je op veel plekken in deze stad een speld horen vallen. Waar zijn de schreeuwers gebleven? Vroeger stond op iedere straathoek wel iemand te raaskallen. Foetsie. Iets of iemand heeft ze verwijderd.’

Voor kunstenaars zal ook geen plaats meer zijn, voorvoelt Joost. Hij verruilt zijn conservatoriumstudie voor een baan als bandagist, maar meer dan een guur tijdelijk flatje levert het niet op. Bij zijn los-vaste verkering Umay kan hij af en toe terecht in het tuinhuisje dat zij onderhuurt, maar ook daar dreigt uitzetting. Umay dreigt hem bovendien te verlaten voor een man met vastgoed.

‘Je moet een huis hebben’, zo vat een vriend van Joost de hele Amsterdamse condition humaine samen. ‘Alles valt of staat met een huis.’

Een heupprothese op de vensterbank

Het ligt voor de hand om de zesde roman van Marente de Moor (1972) te lezen als de Grote Nederlandse Woningmarkt-roman. Joost grossiert in leuk geformuleerde, overbekende bespiegelingen op grootstedelijke malaise; overtoerisme, huizentekort, de genadeloze stroom elektrische fietsen, de vastgoedwaanzin die zich een weg woekert door alle overgebleven authenticiteit.

We weten het, vreselijk. Maar dit boek is meer dan een kritisch portret van de tijdgeest, of een klassesatire.

In bijna al het werk van De Moor krijgt het realisme een mythische laag. Ze lijkt hier een betovering uit te spreken over het Amsterdam dat we kennen, hult het in duistere sferen. Dat zit in mooie, naargeestige beelden – een magere poes die kronkelt tussen een paar benen, een heupprothese die glinstert op een vensterbank, een ‘zwamachtig’ oude fauteuil – maar vooral in het vervreemdende bewustzijn van de verteller, dat zich steeds verder vernauwt.

De suggestie wordt al snel gewekt dat Joost zijn lezer toespreekt vanaf een plek waar hij zich schuilhoudt, of opgesloten zit. Een plek vol oude boeken die zijn manier van praten infecteren. Op een soms 19de-eeuws aandoende toon doet hij het verhaal van zijn neergang uit de doeken. ‘Het is van belang dat u blijft luisteren, want alles houdt met elkaar verband. Niets in dit verhaal is toeval, zelfs de naam van mijn vak niet. Ik ben de bandagist, de man van verwikkelingen.’

Zwammend vanuit zijn hol is hij een directe afstammeling van de verteller uit Aantekeningen uit het ondergrondse van Dostojevski, die hij regelmatig citeert en waaraan het boek zijn motto ontleent. ‘Ik ben een zieke man... Ik ben een boze man. Een onsympathieke man’, begint Dostojevski’s verteller, de ‘man uit het ondergrondse’ in zijn bedompte kelderwoning in Sint-Petersburg. Vanuit dat donker richt zijn bittere monoloog zich op de moderne bovenwereld, waar de ratio regeert.

Ook Joost beklaagt zich vanuit zijn isolement over de vooruitgangsdrift die de stad in zijn greep heeft, de vluchtigheid van het digitale bestaan, de zelfzuchtigheid van de stedelingen. Ook Joost constateert dat het verlangen om de mensheid van elk vuil en leed te bevrijden in etterende wonden resulteert. Niet alles kan in het licht leven, er zit ook genot in wreedheid. Maar de essentie van wat hij deelt met de Man uit het ondergrondse is zijn gespletenheid, de dubbele tong waarmee hij zijn bovengrondse, geslaagde medemens benijdt én minacht.

Historische mazzelaars met een half grachtenpand

Aan de oppervlakte van de roman speelt behalve de gentrificatie ook het generatieconflict. De opgezwollen benen die Joost zwachtelt zitten regelmatig vast aan boomers, de historische mazzelaars die in hun eentje halve grachtenpanden bezet houden. Huizen met oude kroonluchters, abstracte kunst aan de muur en enorme boekenkasten, waar de bovenetages door de kreupele oudjes nooit meer betreden worden.

Haast dakloze Joost vervloekt hen vaak, vindt ze stinken, walgt van de lauwe borreltjes die ze hem aanbieden en kan zelfs enig sadisme niet onderdrukken – hier en daar bindt hij zo’n necrotiserend boomerpootje nét iets te strak af.

Tegelijkertijd lezen zijn klaagzangen over het moderne leven soms ronduit als boomertalk – ach ja, de mensen praten niet meer met elkaar in het openbaar vervoer! Ze hebben allemaal van die witte dingetjes in hun oren! Dat soort werk.

Het klopt ook wel, want in zijn toenemende woonwanhoop constateert Joost – net uit zijn flatje gezet, bivakkerend bij een vriend – dat hij zal moeten ‘verboomeren’ om deze strijd te kunnen winnen.

Hoe doet men dat, verboomeren? Er komt de nodige nostalgie bij kijken, dat ten eerste. Zo wordt een werkbezoek aan een oude kroegbaas in de Jordaan, die Joost in zijn gesloten bruine café met kanten gordijntjes een kopstootje voorzet, een kitschtafereel dat niet onderdoet voor zo’n schilderij met een huilend jongetje. De kroegbaas schuift een cd’tje in de stereo en haalt uit een oude sigarettenautomaat een pakje Caballero – o, die goeie ouwe tijd. ‘Kenny Rogers vulde de ruimte, de rook achterna, ons in een analoge nevel achterlatend.’

Maar het echte boomerschap zit in de boekenkast. In concentratie kunnen opbrengen voor de wereldliteratuur. ‘We moeten niet reizen, maar lezen’, zegt Joost tegen een vriend die de stad besluit te verlaten om een digitale nomade te worden. Naarmate Joost het contact met zijn medemens verliest, hoort hij steeds luider de stemmen van zijn vrienden Dostojevski, Dickens, Kafka en Márquez.

Joost verboomert tot hij letterlijk ingegraven zit in boeken. Daarmee komt hij tragisch genoeg, net als zijn aan huis gebonden patiënten, symbool te staan voor de Grote Verschansing die door corona is ingezet en de geesten nooit meer helemaal verlaten heeft.

De literatuur lijkt hem niet te kunnen redden. Die belooft verbanden aan te brengen, betekenis te geven aan het ontbindende weefsel van de samenleving en de wereld van het kille toeval te ontdoen. Maar het literaire temperament van de verteller, zijn neiging om overal die verbanden te zien, ontaardt gaandeweg. Metaforen en symboliek schieten door in betrekkingswaan en paranoia.

Als een complotdenker begint Joost geheime netwerken te vermoeden tussen zijn patiënten. Ze praten over hem. Zijn beleving van tijd en ruimte verwatert, zoals dat ook gebeurt bij zijn dementerende boomers.

Onze generatie is te laat, voelt hij steeds heviger, we moeten de tijd stilzetten. Het is de enorme verdienste van deze roman dat De Moor je volledig meeneemt in deze waanzin, die ze geleidelijk als een schimmelnetwerk over de stad laat verspreiden.

In de weergave van dat verwarde bewustzijn ontstijgt – of beter, ontduikt – De bandagist de oppervlakkigheid van de gangbare analyses over maatschappelijke kloven.

De roman gaat ondergronds en laat voelen hoe de minachting – die socioloog François Dubet onlangs in de Volkskrant de dominante sociale en politieke emotie noemde – niet meer alleen van boven naar beneden werkt, maar in een steeds ongelijkere samenleving alle kanten op kan schieten.

Het is onontkoombaar als de wet van Laplace, die Joost in zijn achterhoofd houdt wanneer hij benen verbindt: om de druk aan de ene kant te verlichten, moet de druk ergens anders worden opgevoerd.

Marente de Moor: De bandagist. Prometheus; 301 pagina’s; € 24.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next