Home

Onder die laag symptomen van zijn dementie was Henk er nog wel degelijk

Anne voelde zich schuldig toen haar man, die leed aan dementie, naar het verpleeghuis moest. Maar het bleek een nieuwe start. ‘In het verpleeghuis kon hij ontspannen. En wij kregen een nieuw soort intimiteit.’

interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine

Anne Bannink (71, gepensioneerd hoofddocent taalkunde aan een universiteit): ‘Toen Henk op zijn 75ste onverwacht slecht scoorde bij een geheugentestje op internet, dacht ik: alzheimer, dat kunnen we aan. Maar Lewy body-dementie, de diagnose die volgde, bleek een ander verhaal. Henk kreeg wanen. Het begon met mensen op het duinpad als hij aan het hardlopen was; hij zag ze in de verte staan, maar als hij dan dichterbij kwam, waren ze weg. Later speelde het ook thuis: zag hij zijn zonen opeens in de hoek, terwijl die allang het huis uit waren.

‘Van mij kende hij drie versies: Anne 1, 2 en 3. Anne 1 was zijn wettige echtgenote, Anne 2 was ik zoals ik fysiek bij hem was, in bed of in de kamer. Anne 3 had verschillende gedaantes: het meisje dat het eten klaarmaakte, of de mevrouw van de ANWB. Ik ging erin mee, anders leverde het veel te veel stress op. Dus als we naar een weekendhuisje gingen en hij zich afvroeg of dat wel mocht van Anne 1, opperde ik: bel haar even. En dan zei ik aan de telefoon dat het goed was. Daarna was hij gerustgesteld.

‘De computer snapte hij niet meer, de stiltefunctie van zijn piano, één knopje, kon hij niet meer bedienen. Elke dag moesten we de financiën doornemen om zijn zorgen daarover weg te nemen, daarin was hij heel dwingend. Als hij ’s avonds om 9 uur naar bed ging, moest ik mee. Om de paar uur werd hij wakker en dan moest ik voorkomen dat hij in zijn onderbroek naar de buren liep, want dáár was zijn huis. En als hij meende dat de buitenlamp stuk was, moest ik daar meteen naar kijken, anders werd hij razend. Ik ontdekte een heel zorgzame, geduldige kant van mezelf in die tijd. Ik moest hem beschermen en zo gelukkig mogelijk houden. Boos werd ik niet, nee, hij kon er immers niets aan doen.

Visitegedrag

‘Henk was 54 en ik 44 toen we elkaar ontmoetten, we hadden allebei al kinderen uit een eerdere relatie. We hebben altijd een ongelooflijk gelukkig huwelijk gehad, een totaalhuwelijk noemde ik het. Het was echt potje-dekseltje: we reisden samen, we hadden een zeilboot, we konden enorm lachen en onze gesprekken hielden nooit op. Henk was muzikaal, sportief, schreef een roman na zijn pensioen; hij was mijn grote liefde en mijn beste vriend. Maar door zijn dementie begon ik hem kwijt te raken. Als de kinderen er waren, of vrienden, was hij op zijn best, dat noemen ze visitegedrag in de zorg. Als mantelzorger word je eenzaam, want niemand maakte hem mee zoals ik.

‘Ik voelde me ellendig en schuldig toen Henk naar het verpleeghuis moest. Terugkijkend is dat volkomen onnodig, maar toen dacht ik: het verpleeghuis is de hel op aarde, het einde van alles, een afvalputje, je doet iemand wég. Allemaal niet waar, weet ik nu. Maar dat is toch het beeld dat we krijgen ingeprent. Liever euthanasie dan het verpleeghuis – hoe vaak lees je niet zoiets?

‘De eerste paar maanden was hij onrustig, maar daarna werd hij een lieve en gezellige patiënt. De wanen verdwenen. Ons contact werd heerlijk, het was een nieuwe start. Ik verklaar het zo: thuis kwam er bezoek dat hem anders kende, daar stond zijn computer met een half boek dat op hem wachtte, hij moest van alles, terwijl hij het niet meer snapte en kon. In het verpleeghuis kon hij ontspannen. Hij hoefde niets meer. En wij kregen een nieuw soort intimiteit.

Een missie

‘Lange gesprekken gingen niet meer, maar iets als: ‘Dat met die studenten...’ ‘Ja, dat was een leuk project, hè?’, was voor ons een volkomen bevredigend gesprek. We begrepen elkaar. We maakten tochtjes op de duofiets en dan konden we vreselijk lachen om iets kleins, een oud grapje dat we herhaalden, dat was er allemaal nog. Of ik zette hem onder de douche en ging hem scheren, we bezochten een concertje in het verpleeghuis en dan hadden we een topmiddag. Dit was zijn nieuwe thuis en daarvan wilde ik deel uitmaken, dus aan allerlei activiteiten deed ik mee.

‘John de Wolf, de voormalig voetballer, zei laatst op tv: mijn moeder herkent me niet meer, dus ik ga niet meer op bezoek. Stond ik met iemand in de gang te praten, dan herkende Henk me óók niet. Maar liep ik, zoals altijd, met gespreide armen naar hem toe, dan kwam er een brede lach op zijn gezicht. Over mensen met dementie wordt vaak gedacht: ze zijn gek, of: ze zíjn er niet meer, maar onder die laag symptomen van zijn ziekte was Henk er nog wel degelijk.

‘Dus nu heb ik een beetje een missie: met dementie in een verpleeghuis wonen ís niet de hel die er vaak van wordt gemaakt. Ik heb er twee boekjes over geschreven: Zonder en Wind tegen, en ik praat er wel eens over op een podium. Natuurlijk was het ingewikkeld: ik rouwde óók om Henk, terwijl hij er nog was. Maar er was ook nog veel van de oude Henk over. Als hij dood had gewild in plaats van naar een verpleeghuis, hadden we twee heel gelukkige jaren gemist.

Bijna eufoor

‘Eind maart 2024 kreeg hij last van een oude liesbreuk. Opereren was een risico: van de narcose zou hij een vreselijk delier kunnen krijgen, er was kans op een stoma, hij zou flink achteruit gaan. Ik stond naast zijn bed met zijn zoons te overleggen toen we hem hoorden: ‘Laat me maar gaan.’ In de ambulance terug naar de verpleeghuis keek hij naar de blauwe lucht en zei toen tegen me: ‘Mooie bomen.’ Het leven gaat door, zei hij daarmee eigenlijk: blijf de schoonheid, zien, geniet ervan. Tot op het laatst was hij nog zorgzaam voor mij.

‘Ik was en ben zo trots op hem, ik was na zijn dood soms bijna eufoor. Tegelijkertijd ben ik diep verdrietig. Ik was zielsgelukkig met hem en hij is er niet meer, dat is een ramp, daar kan ik kort over zijn. Maar dan lees ik Beladen huis van Christien Brinkgreve en denk ik: dat lijkt me nog veel ingewikkelder, rouwen als je elkaar al zo kwijt bent geraakt.

‘In Henks verpleeghuis ben ik gebleven als vrijwilliger. De meeste bewoners zijn heel makkelijk gelukkig te maken: samen eten, drinken, verhalen vertellen, zingen, het gaat op die plek om de essentie van het leven. Het doet me goed om daar te zijn. Als ik het vergelijk met de veertig jaar dat ik me staande moest houden op de universiteit met al het gekonkel en het gedoe daar, denk ik: dit is mijn nieuwe leven, laat mij maar in het verpleeghuis zijn.’

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next