De term vegaburger verdwijnt, als het aan het Europees Parlement ligt. Maar waarom eigenlijk? Een reconstructie van een symbolische – maar daarmee niet minder zwaarbevochten – cultuurstrijd over woordgebruik in het supermarktschap.
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.
In de kerstaflevering van de Britse comedyserie Yes Minister uit 1984 besluit de Europese Economische Gemeenschap op zekere dag tot standaardisering van de ‘euroworst’. De Britten moeten hun geliefde sausage daarom voortaan ‘buis met geëmulgeerd vetrijk restvlees’ noemen. Met ontzetting deelt de fictieve minister Jim Hacker de verklaring van de vermaledijde Brusselse pennenlikkers: ‘Blijkbaar zit er niet genoeg vlees in.’
De Britse comedyschrijvers hadden een vooruitziende blik – al zijn het niet producten met te weinig vlees, maar met helemaal geen vlees die Brussel veertig jaar later op de korrel heeft. Begin oktober stemde het Europees Parlement namelijk tot verrassing van veel buitenstaanders voor een verbod op vleesgerelateerde namen voor plantaardige producten.
Afgelopen woensdag stuitte het plan op verzet van lidstaten en werd een definitief besluit vooruitgeschoven. Maar wordt het voorstel alsnog aangenomen, dan heet de plantaardige braadworst binnenkort misschien wel ‘buis met gestructureerde soja en tarwe’.
Hoe is het zover gekomen? Wie zijn de drijvende krachten achter het verbod? En wat zegt het besluit over de stemming in de EU? De Volkskrant reconstrueerde de cultuurstrijd, die blijkt te zijn aangewakkerd door landbouwlobbyisten en een boerin met een missie.
Het Europese voorstel om de ‘vegaburger’ te verbieden, vindt zijn oorsprong verrassend genoeg in een succes voor diezelfde vegaburger. Het is 4 oktober 2024 en op het kantoor van de Franse vegetariërsbond Association Végétarienne de France (AVF) in Parijs kijken medewerkers vol spanning naar een livestream van het Europese Hof van Justitie. Dat doet die ochtend een beslissende uitspraak in een al jaren slepende juridische strijd die de AVF met de Franse overheid voert: mag een schijfvormig product bestaande uit plantaardige ingrediënten het label vegaburger dragen?
Als de rechter begint met het uitspreken van het vonnis, krullen de mondhoeken van de Franse vegetariërs aanvankelijk omhoog. Ze maakt gehakt van de argumenten van de Franse staat, die termen als ‘burger’ of ‘worst’ wilde voorbehouden aan vleesproducten, maar heeft nagelaten een wettelijke definitie ervan vast te leggen. Maar dan krullen de mondhoeken ook weer omlaag, want het Hof stelt dat Frankrijk hier überhaupt niet over gaat, maar de Europese Unie.
‘We wisten gelijk dat we een probleem hadden’, zegt Alix Mennella van de AVF. ‘We vreesden dat iemand dit in de EU zou aankaarten.’
Dat werd in 2020 al eens geprobeerd. Copa-Cogeca, de koepel van Europese landbouworganisaties en een van de invloedrijkste lobbyclubs in Brussel, probeerde Europarlementariërs destijds te overtuigen om vleesgerelateerde termen voor plantaardige producten te verbieden, met onder meer een postercampagne in Brusselse abri’s (‘Ceci n’est pas un steak’) en een flashmob voorafgaand aan de beslissende stemming. Volgens de organisatie leidt een term als sojasteak tot verwarring bij consumenten.
Tegelijkertijd kwam een tegenbeweging op gang van onder meer milieubeschermers en vegetariërsverenigingen. De Europese consumentenorganisatie BEUC liet onderzoek doen, waaruit bleek dat 69 procent van de consumenten geen problemen heeft met termen als vegaburger of sojaworst. Slechts een op de vijf vond dat ze verboden zouden moeten worden.
Het Parlement stemde uiteindelijk in meerderheid tegen een verbod. Het was voor Frankrijk reden de nationale wetgeving in te voeren die uiteindelijk strandde bij het Europese Hof van Justitie – het vonnis dat opnieuw richting de EU wees. Daar zijn de machtsverhoudingen na de parlementsverkiezingen van 2024 naar rechts verschoven.
Ook de lobbyorganisatie Farm Europe rook kansen. Vijf dagen na de uitspraak van het Hof begonnen zij met hun onlinecampagne Words Matter, waarmee ze Europese beleidsmakers vragen consumenten te beschermen tegen begripsverwarring. Hun inschatting: de nieuwe generatie Europarlementariërs is meer geneigd de landbouwlobby aan te horen. Het wachten is op het juiste moment, en iemand die het initiatief neemt.
Zo’n driehonderd tractoren rijden in de ochtend van 23 januari 2024 op de A68 richting Toulouse. De protesterende boeren hebben spandoeken op hun machines aangebracht met teksten als ‘Ons einde zal jullie honger zijn’, en ‘Jonge boer, hebben we een toekomst?’.
Het is de eerste landelijke actiedag van de boerenprotesten die Frankrijk weken in hun greep zullen houden, en die uiteindelijk overslaan naar Brussel. Ze hebben hun weerslag op de verkiezingsuitslag in juni, waar het Europees Parlement een ruk naar rechts maakt. Plotseling wil iedereen in Brussel gezien worden als boervriendelijk.
Een van de nieuwe Europarlementariërs was er die 23 januari bij op de A68: Céline Imart. In de buurt van Toulouse runt ze een akkerbouwbedrijf van 230 hectare. Haar profiel is atypisch voor een Franse boer: jong, vrouw, hoogopgeleid.
Naast boerin is de 43-jarige Imart ook bestuurslid en woordvoerder van verschillende boerenorganisaties, zoals de Algemene Vereniging van Maïsproducenten. Die is onderdeel van brancheorganisatie FNSEA, een drijvende kracht achter de Franse anti-vegaburgerwet. Daarnaast verschijnt ze met enige regelmaat op televisie om de grootschalige, hoogproductieve landbouw te verdedigen. Het levert haar de tweede plek op de kieslijst van de centrumrechtse Les Républicains bij de verkiezingen voor het Europees Parlement op.
In de nasleep van de boerenprotesten zwakt de EU onder meer de groene subsidievoorwaarden voor boeren af, en verdwijnt een voorstel over minder pesticidengebruik in de prullenbak. Ook komt de Commissie met een voorstel om de positie van boeren in de keten te versterken, bijvoorbeeld door contracten tussen boeren en hun afnemers verplicht te stellen. Nu leveren sommige boeren nog zonder contract, wat ze kwetsbaar maakt voor prijsschommelingen.
Zodra de Commissie een voorstel op tafel legt, gaan het Parlement en de lidstaten aan de slag om hun positie te bepalen. Het voorstel om de positie van boeren te verbeteren, wordt Imarts eerste grote klus in het Parlement. Als rapporteur schrijft ze het conceptrapport waarover de Europarlementariërs mogen stemmen, en zal ze onderhandelen met de Commissie en lidstaten over de definitieve tekst.
Als de landbouwcommissie van het Europees Parlement op 5 mei haar conceptrapport bespreekt, is de stemming positief. De Europarlementariërs die mee debatteren hebben ieder hun eigen stokpaardjes, maar in het algemeen kunnen ze zich goed vinden in de voorstellen van de Franse.
Daarna mogen de leden van de landbouwcommissie amendementen indienen, voorstellen om iets aan het conceptrapport te wijzigen. Als die op 14 mei worden gepubliceerd, blijkt dat Imart een amendement op haar eigen tekst heeft ingediend, en zodoende het wetsvoorstel wil gebruiken om iets totaal ongerelateerds te regelen: een verbod op vleesgerelateerde termen voor vegaproducten.
‘Ze heeft de schone schijn opgehouden’, denkt de Nederlandse Volt-Europarlementariër Anna Strolenberg, ook betrokken bij het wetsvoorstel. ‘Als ze dit direct in haar rapport had geschreven, was er veel meer discussie over geweest, en was er tijd geweest om een tegenbeweging op te zetten.’
In Imarts voorstel mogen alleen producten bestaande uit ‘de eetbare delen van dieren’ namen als ‘steak’, ‘schnitzel’, ‘worst’, ‘burger’ of ‘hamburger’ dragen. De lijst is niet uitputtend: ook andere, niet genoemde termen kunnen eronder vallen.
Imart beroept zich op het idee dat de termen leiden tot verwarring bij consumenten. ‘Sommige heel intelligente mensen maken misschien nooit fouten in de supermarkt, maar veel mensen uit mijn regio wel’, zegt ze tegen Politico. ‘Het verschil is voor hen niet altijd duidelijk.’ Tegenover Euractiv verwijt Imart ‘bepaalde ngo’s’ ervan ‘een ideologische kijk op voedsel’ te willen doordrukken.
In een interview met de milieukritische nieuwsbrief Agriculture et Environnement noemt Imart een heel andere motivatie: ‘Nu onze veehouderij in verval is, en zelfs in gevaar, is het essentieel dat we die beschermen.’ Imart reageerde niet op een interviewverzoek en schriftelijke vragen van de Volkskrant.
Jeroen Candel, universitair hoofddocent voedsel- en landbouwbeleid aan de Wageningen Universiteit, is niet verbaasd dat het initiatief voor het verbod uit Frankrijk komt. ‘In Frankrijk hebben veel boeren een relatief laag inkomen, en is het verzet tegen de Europese verduurzamingsagenda bovengemiddeld groot.’
In de landbouwcommissie worden nauwelijks woorden vuilgemaakt aan Imarts amendement. Een meerderheid van de commissieleden stemt voor het amendement. Ze zijn het ermee eens, of vinden het niet belangrijk genoeg om zich ertegen te verzetten. Ook de gehele tekst wordt goedgekeurd. Daarmee komen beide op de agenda voor de plenaire vergadering van het Parlement.
Landbouworganisaties en lobbyclubs draaien op volle toeren. Farm Europe neemt hierin het voortouw met de campagne Words Matter, geïntroduceerd kort na de uitspraak van het Hof van Justitie. In juni volgt een open brief aan Eurocommissarissen Olivér Várhelyi (Gezondheid) en Christophe Hansen (Landbouw), die worden gevraagd in te grijpen tegen ‘verwarring bij consumenten en oneerlijke concurrentie voor veehouders’.
Farm Europe presenteert zich als denktank. Medewerkers bekleedden in het verleden hoge functies binnen het Parlement en de Commissie.
Ook zo’n organisatie kan lobbywerk doen, weet Nina Holland, onderzoeker bij lobbywaakhond Corporate Europe Observatory. ‘Het is typisch Brussels dat de boodschap niet alleen komt van boeren of agribusiness, maar ook van een dergelijke denktank. Die meet zich een iets neutraler tintje aan, maar wordt gewoon gesponsord door pesticidenfabrikant Bayer.’
Uit Imarts openbare agenda blijkt dat ze nauwe banden onderhoudt met Farm Europe. Drie keer ontmoet ze vertegenwoordigers van de organisatie, op 21 januari, 4 februari en 9 juli. Geen andere organisatie spreekt ze vaker. De onderwerpomschrijving van de afspraken is algemeen: ‘landbouw’.
Ze is niet de enige Europarlementariër die de boodschap van Farm Europe te horen krijgt. Zo organiseert de denktank op 12 en 13 mei in een middeleeuws klooster op een klein uur rijden van Brussel het Global Food Forum. De abdij van La Ramée is die dagen een who’s who van de Europese landbouwsector, met Europarlementariërs, Commissieambtenaren, zakenmensen en lobbyisten. Ook Imart is aanwezig.
Dit soort evenementen is een speeltuin voor lobbyisten, vertelt Holland. ‘Ze krijgen er ruim de tijd om contact te leggen en relaties op te bouwen met Europarlementariërs. Bedrijven doen er vaak hun voordeel mee.’
Op het menu staan vegaburgers tijdens het Global Food Forum vermoedelijk niet, op de agenda wel. Op de ochtend van 13 mei, de laatste dag dat Europarlementariërs hun amendementen kunnen indienen op het conceptrapport van Imart, vindt een paneldiscussie plaats met als thema: ‘How to combine innovation with EU food values?’ Tegenstanders van vleesvervangers en kweekvlees beroepen zich dikwijls op traditionele voedselcultuur en -waarden.
Ook de dag voor de plenaire stemming over het voorstel laat Farm Europe van zich horen. In een mail aan Europarlementariërs noemt de denktank Imarts voorstel ‘essentieel voor het voorkomen van misleidende praktijken en het ondersteunen van de Europese veehouderij’. Farm Europe reageerde niet op vragen van de Volkskrant.
Tijdens de plenaire zitting van het Europees Parlement in Straatsburg op 8 oktober mogen alle Europarlementariërs stemmen over Imarts amendement. Een spannend moment, want het is geen gelopen race.
Imart kan rekenen op de steun van radicaal- en extreemrechtse partijen, goed voor een kwart van de stemmen. Maar juist in haar eigen fractie van christendemocraten – eveneens een kwart – rommelde het de voorgaande dagen. De Duitse fractievoorzitter Manfred Weber noemde het voorstel ‘totaal geen prioriteit’. Landbouwwoordvoerder Herbert Dorfmann, een Italiaan uit Zuid-Tirol, stemt zelfs tegen, en vertelt Politico: ‘Ik denk niet echt dat er een gevaar bestaat dat iemand een vleesworst wil kopen en een vegaworst krijgt.’
Toch zijn er uiteindelijk 355 voor- en 247 tegenstanders. Als de voorzitter bij het vegaburgeramendement de verlossende woorden ‘het is aangenomen’ spreekt, lacht Imart opgelucht en vouwt ze haar handen voor haar gezicht in dankbaarheid.
De vegaburger toont naast een politieke ook een geografische breuklijn. Duitse en Scandinavische christendemocraten stemmen tegen – in tegenstelling tot de meerderheid van hun fractie. Namens Nederland sluiten CDA en NSC zich bij hen aan, de BBB niet. Italiaanse, Spaanse en Portugese sociaaldemocraten stemmen juist voor, net als de meeste Franse liberalen.
Dat er nu wel een meerderheid is voor een verbod op de term vegaburger, is volgens Candel een gevolg van de ‘toenemende politisering van de groene transitie in de EU’. ‘Met name de christendemocraten zijn zich anders gaan positioneren. Ze hebben gezien hoe het CDA in Nederland heeft geleden onder de opkomst van de BBB.’
Na de stemming in de plenaire vergadering volgt de zogeheten triloog, waarin de Europese Commissie, het Parlement en de lidstaten met elkaar onderhandelen over de definitieve tekst. Daar loopt Imart tegen een probleem aan: de lidstaten hebben nog geen standpunt ingenomen over het voorstel om vleestermen te beschermen. Die hebben zich op 19 mei alleen over het Commissievoorstel gebogen, dat zich richt op de onderhandelingspositie van boeren. Imarts amendement is dan pas net gepubliceerd, of het een meerderheid haalt in het Parlement is nog volstrekt ongewis.
De vegaburgerkwestie is in juni op Tsjechisch initiatief kort ter sprake gekomen in de raad van landbouwministers. Zuidelijke en oostelijke lidstaten spraken hun steun uit, noordelijke hielden zich stil. Voor een stemming was het te vroeg. ‘Ik weet zeker dat we in de toekomst nog veel vaker op deze kwestie zullen terugkomen’, zegt de Poolse voorzitter ter afsluiting. Maar dat gebeurt niet.
Het onderwerp wordt pas urgent als het Parlement Imarts amendement aanneemt. De Duitse minister van Landbouw, een voormalig slager, pleit kort daarna openlijk tegen een verbod, omdat het zou leiden tot meer bureaucratie. Tijd om onderling tot een compromis te komen, is er niet.
In de onderhandelingen met de Commissie en de lidstaten is het vegaburgeramendement voor Imart een ‘rode lijn’, bevestigen twee betrokkenen aan de Volkskrant. Om het erdoorheen te krijgen, is ze bereid in te leveren op punten die de positie van boeren kunnen verbeteren, zoals wat er precies in de verplichte contracten moet staan tussen boeren en afnemers. Maar de Denen, die het voorzitterschap van de EU van de Polen hebben overgenomen, zijn onverbiddelijk: ze kunnen nergens mee instemmen zolang de lidstaten het onderling niet eens zijn.
Op woensdag 10 december lopen de onderhandelingen vast. Het gevolg is dat het hele wetsvoorstel, inclusief de voorstellen om de positie van boeren te verbeteren, wordt uitgesteld.
‘Er lag een goed voorstel voor boeren, maar Imart heeft het gekaapt met een zinloze discussie over vegaburgers’, vindt Volt-Europarlementariër Strolenberg. ‘Ontzettend zonde, landbouwers worden hier geen haar beter van.’
Ook onderzoeker Candel vindt het spijtig dat er zo veel tijd en energie wordt gestoken in de discussie over de benaming van vleesvervangers. ‘Het is een heel symbolische maatregel, om boeren te tonen dat er voor ze wordt gestreden. Maar het zal de transitie naar plantaardig niet afremmen, en daarmee ook voor veehouders weinig verschil maken.’
Ondertussen leidt de discussie af van waar het volgens hem echt om gaat: ‘de verdergaande ontmanteling van de verduurzaming van het Europese landbouwbeleid’, aldus Candel. ‘Het afzwakken van groene subsidievoorwaarden en het opgeven van de pesticidenrichtlijn zijn veel wezenlijkere veranderingen, waar niet dezelfde hoeveelheid aandacht voor is.’
Luister hieronder naar onze nieuwspodcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant