Begin jaren negentig maakte Johann Olav Koss de dienst uit in de schaatswereld. Daarna zette de meervoudig olympisch kampioen zich in voor goede doelen. Voor het 25-jarig jubileum van de door hem opgerichte organisatie Right to Play is de Noor (57) een dag in Nederland.
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
Op een koude woensdagmiddag struikelt het ene schaatsicoon over de uitspraak van de naam van een ander. ‘De Djap? De Hap Edens skatingrink? Sorry.’
Toen Johann Olav Koss (57) eerder deze dag in Amsterdam poseerde langs de Jaap Eden IJsbaan – ‘natuurlijk’ – voor een fotosessie, werd hij meteen gestrikt voor een selfie met een recreant.
Het is inmiddels ruim dertig jaar geleden dat Koss zijn grootste faam verwierf in een knalrood glimmend schaatspak. Met zijn indrukwekkend gespierde dijen brak hij vanaf begin jaren negentig wereldrecords en veroverde hij Europese en wereldtitels. In 1994 werd hij in eigen huis met drie keer goud en verbluffende tijden de koning van de Winterspelen van Lillehammer.
Ook al is hij inmiddels 57 en leeft hij grotendeels in de luwte, hij wordt nog steeds regelmatig herkend. Spottend lachje: ‘Maar die benen zijn er niet meer. Tenminste, er zijn nog wel spieren, maar het is niet meer hetzelfde als toen.’
Koss is voor een bliksembezoek in Nederland. Right to Play, de door hem opgerichte internationale organisatie die zich inzet voor de ontwikkeling en gezondheid van het kind in achtergestelde gebieden, bestaat 25 jaar. Die avond ontmoet hij supporters tijdens de jaarlijkse quiz van het goede doel. Een dag later zal hij in de vroege ochtend doorvliegen naar Zwitserland, want ook daar wordt het jubileum gevierd.
Maar eerst neemt hij tijd voor een interview. Vragen beantwoordt hij regelmatig met een wedervraag. Op de vraag hoe het gaat zegt hij in één ademteug: ‘Goed, dank je, hoe gaat het met jou?’ Over de laatste wereldbekerwedstrijd van 2025, die dit weekend in het Noorse Hamar wordt gereden: ‘Ga jij?’
En, tegen het einde van het gesprek: ‘Wat vind jij van Jutta?’ – doelend op Jutta Leerdam de Nederlandse schaatsster met miljoenen volgers op social media.
Interviews geeft de Noor vrijwel nooit, daar heeft hij geen behoefte aan. ‘Ik leef een erg relaxed, mediavrij leven. Het was natuurlijk belangrijk toen ik schaatste, en om te helpen bij de groei van Right to Play. Nu doe ik dit interview vanwege het jubileum van de organisatie. Thuis doe ik dat soort dingen niet. Ik vind het prima zo.’
Bij de wereldbekerwedstrijd in Hamar gaat hij kijken. Of hij de Winterspelen van Milaan in februari zal bezoeken is nog onzeker. ‘Ik had geen reden en heb geen tickets. Maar Joey Cheek, de Amerikaanse olympisch kampioen van 2006 op de 500 meter, mailde me. ‘Het is twintig jaar geleden dat ik won. Ik wil dit vieren in Milaan, kom je?’
‘Toen dacht ik: wow, dat is een leuk feestje. Maar ik weet nog niet of ik het doe. Het is duur. Het is moeilijk een verblijfplaats te vinden; het is gekkenwerk. Misschien moet ik eens kijken naar het Holland Heineken Huis?’
Koss voelt zich geen schaatser meer. Dat komt vooral doordat hij nooit meer schaatst, vermoedt hij. Thuis in Oslo, waar hij – na een jarenlang verblijf in Toronto – sinds 2019 met zijn vrouw en vier kinderen woont, liggen ergens drie paar schaatsen, die hij nooit aanraakt.
Wat was de laatste keer dat je je schaatsen aandeed?
‘Toen ik in 2010 het Noorse nationale team coachte bij de Spelen van Vancouver.’
Midden in het seizoen, vlak voor de Winterspelen in Canada, was de toenmalige hoofdcoach Peter Mueller ontslagen wegens een vertrouwensbreuk. Koss werd drie maanden voor de Spelen gevraagd de langeafstandsgroep te begeleiden.
‘Een fantastische ervaring. Ergens in mijn achterhoofd zat altijd de gedachte: misschien wil ik ooit eens coach zijn. Deze kans leek ideaal: slechts drie maanden coachen, en ik was ook direct op de Winterspelen. De meeste sporters met wie ik in die korte tijd werkte, verbeterden zich met 8 à 10 seconden op de 5 kilometer. Dat vond ik geweldig.
‘Maar ik realiseerde me ook: dit past mij niet het best. Ik werkte daarvoor met Kofi Annan, met VN-agentschappen, sprak over vredesafspraken met kinderen; ik vloog tweehonderd dagen per jaar naar verschillende werelden. En toen zat ik ineens tussen zes verwende topsporters die zich de helft van de tijd verveelden – wat niet verkeerd van ze was, maar de wereld van de topsport is erg klein.’
In de zomer van 1993, zes maanden voor zijn grote successen op de Winterspelen van Lillehammer, was Koss in Eritrea als ambassadeur voor een campagne rond kinderen in oorlogsgebieden.
‘Ik had mijn fiets en trainingskleding mee en dacht: ik ga wat kinderen helpen – niet wetende dat ze uiteindelijk vooral mij zouden helpen. Ik had het altijd vanzelfsprekend gevonden dat elk kind kon spelen. Dat het overal is zoals dit’, zegt hij, terwijl hij door het raam naar een voetbalveld wijst. ‘Overal velden, altijd ergens een vrijwilliger.
‘Maar in Eritrea zag je vooral restanten van de oorlog: afgebrande tanks, kogelgaten, uitgebrande huizen en rondlopende kinderen.
‘Er was een groep jongens van rond de 7 jaar. Een van hen was heel populair. Toen ik hem vroeg waarom, lachte hij en zei: ‘Kun je het niet zien? Ik heb lange mouwen.’ Hij deed zijn shirt uit en knoopte er een bal van. Een veldje, een coach of sportattributen hadden ze nooit gehad. Maar zo konden ze voetballen in de straten van de sloppenwijken van Asmara.
‘Toen deed ik een belofte: ik kom terug en breng spullen mee.’
En hoe hebben ze uiteindelijk vooral jou geholpen?
‘Destijds was ik de leider van het Noorse mannenteam. Ik werd gepamperd, alles werd voor mij gedaan. Je denkt als topsporter echt dat je bevoorrecht bent. Soms was ik niet dankbaar genoeg, besefte ik toen. En ik vroeg me rond die tijd af: waarom schaats ik? Ik was minder gemotiveerd. In Eritrea besefte ik hoe belangrijk sport is voor de opvoeding van een kind. Het kan zelfvertrouwen opbouwen, je kunt er zo veel van leren.
‘Ik ontmoette die kinderen, kreeg een doel en vloog naar huis terwijl ik dacht: het maakt niet uit wat er bij de Spelen gebeurt, ik kan helpen, op een manier zoals niemand anders dat kan, door mijn status als sporter. Ik weet niet of ik anders zo veel had gewonnen, want niets is sterker dan het hebben van een doel. Daar in Eritrea raakte ik weer gemotiveerd.
‘In 1994 stopte ik als schaatser. Ik had alles gewonnen wat ik wilde, had wereldrecords gebroken. Ik wilde niet meer al die trainingen doen, ik was klaar. Ik verzamelde in Noorwegen 13 ton aan sportattributen, vulde een vliegtuig en vloog terug naar Eritrea.
‘Ik ben trotser op wat Right to Play bereikt heeft dan op wat ik heb gedaan op het ijs.’
Koss is inmiddels een paar jaar geleden teruggetreden uit het bestuur van Right to Play. Wel is hij er nog steeds bij betrokken als ambassadeur. Dat de organisatie zo lang zou bestaan, had hij bij de oprichting nooit verwacht. Geweldig, stelt hij. Maar zelf was hij toe aan iets anders.
Wat doe je nu?
‘Ik probeer nieuwe bedrijven op te bouwen; ik heb wat investeringen en werk met start-ups. Lange tijd werkte ik bij Right to Play in Toronto, maar in 2019 wilde ik onze kinderen ook graag wat Noorse ervaring meegeven. Een stukje van mijn achtergrond, niet alleen de Noord-Amerikaanse waarmee ze bekend waren.’
Weten jouw kinderen wat je bereikt hebt als schaatser?
‘Zeker, maar het interesseert ze niet echt. Ze hebben het niet meegemaakt. De derde schaatst een klein beetje, de oudste twee vinden voetbal geweldig en de vierde is nog te jong: hij is pas 8 en weet nog niet wat hij wil. Ze hoeven van mij ook niet hetzelfde te doen als ik. Het belangrijkste is dat ze bewegen.’
Je schaatst zelf dus niet meer, maar sport je nog wel?
‘Ik fiets, doe een beetje aan hardlopen en soms wat krachttraining. Jarenlang vond ik fietsen saai, dus deed ik dat niet. Maar toen ik mijn kuit een jaar of drie geleden blesseerde, kon ik even niet hardlopen. Ik installeerde de Zwift-app (waarmee je vanaf de hometrainer in een virtuele wereld kunt fietsen, red.) en nu vind ik het geweldig.’
Hij begint te lachen bij de gedachte aan alle uren die hij doorbrengt op een stilstaande fiets. ‘Ik ben gek. Buiten fietsen is mooi, maar ik heb vier kinderen en dan blijft er niet veel tijd over.’
Volg je het schaatsen nog?
‘Schaatsen wordt in Noorwegen niet eens meer bij de publieke omroep uitgezonden, dus ik kijk naar de uitslagen. De ISU (de internationale schaatsbond, red.) heeft een fout gemaakt door de uitzendrechten in Noorwegen te verkopen aan Viaplay, waar op dat moment niemand naar sport keek. Noorwegen is klein, het is belangrijk om bij de publieke omroep te verschijnen, want anders is er zo veel competitie.
‘Toen de Nederlander Jan Dijkema, de toenmalig president van de ISU, jaren geleden in Hamar was, zei ik tegen hem: je moet dit terugdraaien, je maakt het schaatsen in Noorwegen kapot. Van een half miljoen kijkers gingen we naar veertigduizend. En niemand schreef meer over schaatsen, niemand gaf er nog om, dus zo verdween de sport uit kranten, van sociale media.’
Nu is er een nieuwe president.
‘Maar nu is het te laat. Het afgelopen EK allround werd gewonnen door Sander Eitrem; Peder Kongshaug werd tweede. Daar is dan wat aandacht voor. Maar de nationale televisie wil het niet meer uitzenden. Ze laten de hele tijd biatlon en crosscountry zien, elk weekend. Je wordt echt moe van al dat biatlon.’
Raakt dat jou?
‘Ik ben een oude man, voor mij maakt het niets uit. Maar het doet ertoe voor de jonge, getalenteerde schaatsers. Zonder dat soort aandacht krijg je ook geen sponsoring. De inkomsten van de bond lopen terug. Dat werkt door in het hele systeem; coaches kunnen niet voltijd betaald worden. Gelukkig worden de ijsbanen in Hamar en Stavanger gefinancierd door de overheid.’
En het Noorse schaatsen is weer wat succesvoller, doet dat jou iets?
‘Ze doen het fantastisch. Peder Kongshaug, de regerend wereldkampioen op de 1.500 meter, heeft eerder dit seizoen het prijzengeld aan de kaak gesteld. Dat is ongeveer hetzelfde als twintig jaar geleden, ontdekte hij. Hij is slim, hij keek naar de begroting van de ISU, zag hoeveel geld er binnenkwam en op de bank stond en sprak zich uit. Het is goed voor de sport dat iemand dat doet.
‘In mijn tijd was de aandacht gigantisch, ik had dankzij sponsors een salaris dat hoger was dan wat ze nu krijgen. Ik had het veel beter dan zij tegenwoordig.’
Er is veel veranderd, weet hij tegelijkertijd. In zijn tijd kon hij zijn privéleven in de luwte houden, wat hem beviel. Nu volgt hij Jordan Stolz op Instagram, vertelt hij. ‘Een geweldige schaatser.’
En je begon over Jutta Leerdam, volg je haar ook?
‘Ik volg haar niet op sociale media, daarvoor ben ik er niet handig genoeg mee. Maar natuurlijk ken ik haar. Ze is groot, en ze is samen met die big guy’, zegt hij, doelend op Leerdams verloofde, de Amerikaanse YouTube-ster en bokser Jake Paul.
‘Vanuit mijn perspectief, en ik kijk van buitenaf, lijkt het kunstmatig. Ik zie twee hoofdrolspelers die twee werelden samenvoegen en daarin hun eh... onderlinge chemie bespelen. Dat is heel anders dan in mijn tijd. Dan vraag ik me af: zou dat niet stuklopen, als zij zou stoppen met schaatsen en in zijn wereld terechtkomt?
‘Tegelijkertijd vind ik het knap hoe ze sociale media en schaatsen combineert. Daarmee doet ze heel veel goeds voor het huidige schaatsen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant