Gemiddeld monogamer dan meerkatten en juist iets minder monogaam dan bevers: de mens behoort tot de 9 procent van meest monogame zoogdieren. Dit blijkt uit een studie die donderdag verschijnt.
is verslaggever van de Volkskrant.
Een Cambridge-onderzoeker analyseerde stambomen en oud DNA van ruim honderd menselijke gemeenschappen die leefden van het neolithium tot de 20ste eeuw en van zeventig andere diersoorten. Daarbij keek hij naar het percentage ‘volle’ en ‘halve’ broers en zussen.
Nul procent volle broers en zussen geldt daarbij als volledig polygaam: in een populatie van een bepaalde diersoort heeft dan niemand een volle broer of zus. Honderd procent volle broers en zussen duidt juist op volledige monogamie. De mens scoort 66 procent op die schaal, is vanaf donderdag te lezen in het wetenschappelijk tijdschrift Royal Society B.
Daarmee vallen we uit de toon bij andere aapachtigen: de eerstvolgende primaat op de lijst, de langstaartmakaak, scoort 18 procent. Minst monogame primaat is de kuifmakaak, met maar 0,8 procent volle broers en zussen. Maar de grote winnaar op het prijzenpodium der polygamie is het Soay schaap, met een score van 0,6. Het Californische hertenmuis is met 100 procent het meest monogaam.
Ondanks dat mensen vrij monogaam uit de bus komen, is niet gezegd dat we dat van oorsprong ook zijn, zegt genetisch genealoog aan de KU Leuven Maarten Larmuseau, die niet was betrokken bij de studie. ‘Daarvoor is het DNA uit de archeologische vondsten te jong. Het is namelijk vrijwel allemaal van na de agrarische revolutie. Waarschijnlijk zijn sociale relaties ontzettend veranderd met de komst van persoonlijk bezit, toen mensen het nomadische bestaan achter zich lieten.’
Gezien het feit dat alle andere mensapen juist polygaam zijn, vermoedt de auteur van het artikel dat vroegere exemplaren van Homo sapiens dat ook waren. Verklaring voor de overgang naar overwegend monogame relaties zou de trage groei van kinderen en de enorme energiebehoefte van hun grote hersenen kunnen zijn, waardoor een betrokken tweede ouder bij de opvoeding geen overbodige luxe is.
Bovendien zijn de gebruikte DNA-monsters te Europees om iets te zeggen over de gehele mensheid, zegt Larmuseau. Te meer omdat uit eerdere, veelal antropologische onderzoeken blijkt dat de mate van monogamie onder mensen grotendeels door cultuur wordt bepaald. Dat bevestigt ook het huidige onderzoek, waarin de monogamiescore varieerde van 26- tot 100 procent in verschillende gemeenschappen.
Larmuseau vraagt zich daarom af hoe veelzeggend de gemiddelde score van 66 procent is. ‘Deze wijze van stamboomonderzoek is interessant, ik ga daar zeker op door. Alleen kun je mijns inziens beter uitspraken doen over relaties in een specifieke populatie. Bijvoorbeeld over de vraag hoe het komt dat monogamie in westerse samenlevingen zo genormaliseerd is.’
Die terughoudendheid is des te belangrijker omdat de kwestie van menselijke monogamie gevoelig ligt, zegt Larmuseau: een bevinding als deze kan worden ingezet voor politieke doeleinden. Bijvoorbeeld om het idee van het heteroseksuele monogame koppel als ‘natuurlijk’ (en al het andere als ‘onnatuurlijk’) kracht bij te zetten. ‘Wat oermensen deden wordt vaak gezien als leidraad voor een goed leven. Dat is te kort door de bocht: we zijn sindsdien verder geëvolueerd.’
Overigens meet de broer-zussenindicator alleen de ‘reproductieve monogamie’: queer relaties en seks met voorbehoedsmiddelen bleven buiten het zicht. Ook valt niet uit te sluiten dat halfbroers en -zussen ontstaan door opeenvolgende monogame relaties.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant