Met de James Webb-ruimtetelescoop is de verste ster ooit gezien. Dat wil zeggen: de krachtige supernova-explosie waarmee die ster zijn leven beëindigde, ruim 13 miljard jaar geleden.
is wetenschapsjournalist. Hij schrijft voor de Volkskrant over sterrenkunde.
‘Een baanbrekende observatie,’ zegt astronoom Hendrik van Eerten van de Universiteit van Bath, die zelf niet bij het onderzoek was betrokken, over de waarneming. De James Webb-telescoop, gelanceerd op eerste kerstdag 2021, is de grootste en gevoeligste ruimtetelescoop ooit. Hij ziet de zwakke straling van objecten op miljarden lichtjaren afstand. Het licht van die objecten heeft er dus miljarden jaren voor nodig gehad om de aarde te bereiken. Daardoor kijken sterrenkundigen terug in de tijd, tot kort na de oerknal, waarmee het heelal 13,8 miljard jaar geleden ontstond.
Op 14 maart registreerde de Chinees-Franse satelliet Svom een uitbarsting van energierijke gammastraling in het sterrenbeeld Maagd. Zulke gammaflitsen ontstaan onder andere wanneer extreem zware sterren aan het eind van hun korte leven uit elkaar spatten en daarbij een zwart gat achterlaten – een klein object met zo veel zwaartekracht dat er zelfs geen licht uit kan ontsnappen.
De Europese Very Large Telescope in Chili bestudeerde de ‘nagloeier’ van de gammaflits. Zo ontdekten sterrenkundigen dat de straling 13,1 miljard jaar door het uitdijende heelal heeft gereisd. Maar pas dankzij de metingen van Webb, op 1 juli, weten astronomen zo goed als zeker dat het hier om een krachtige supernova-explosie ging.
James Webb zag niet alleen de langzaam uitdovende sterexplosie, maar ook het zwakke schijnsel van het kleine, compacte sterrenstelsel waarin de catastrofale ontploffing plaatsvond.
‘Deze waarneming laat zien dat we Webb kunnen gebruiken om individuele sterren te vinden uit de tijd dat het heelal nog maar vijf procent van zijn huidige leeftijd had’, aldus onderzoeksleider Andrew Levan van de Nijmeegse Radboud Universiteit in een persverklaring. Levan en zijn collega’s publiceerden hun bevindingen op 9 december in het vakblad Astronomy & Astrophysics.
In 1998 lukte het voor het eerst om een gammaflits te ‘koppelen’ aan een supernova, op een veel kleinere afstand van ‘slechts’ 125 miljoen lichtjaar. Opmerkelijk genoeg lijken de twee explosies veel op elkaar, hoewel de ene in het pasgeboren heelal plaatsvond, en de andere betrekkelijk recent.
Sterren die in de jeugd van het heelal ontstonden, hadden andere eigenschappen dan hedendaagse sterren: ze waren bijvoorbeeld zwaarder, en hadden een andere samenstelling. ‘Blijkbaar komen ze ondanks die verschillende begincondities toch op een vergelijkbare manier aan hun eind,’ zegt gammaflitsexpert Joshua Bloom van de Universiteit van Californië in Berkeley. ‘Als dit resultaat bevestigd wordt door toekomstige Webb-waarnemingen, is het een opwindende ontdekking.’
Door in de toekomst meer extreem verre supernova’s op te sporen, hopen Levan en zijn collega’s een beter beeld te krijgen van de levensloop van zware sterren in de prille jeugd van het heelal. Hun aanvraag voor de benodigde waarnemingstijd met de James Webb-telescoop is inmiddels gehonoreerd. ‘Het is duidelijk een kwestie van tijd voordat er vergelijkbare waarnemingen worden verricht van andere gammaflitsen en hun mogelijke supernova’s’, aldus Van Eerten.
Van het zwarte gat dat bij de verre explosie is achtergebleven, hebben we overigens niets te duchten. Door de uitdijing van het heelal in de afgelopen miljarden jaren bevindt het zich inmiddels op bijna 30 miljard lichtjaar afstand.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant