Home

‘The New Yorker’ is 100 jaar: het iconische blad vernieuwt continu en blijft toch trouw aan tradities

Al honderd jaar is The New Yorker, met zijn iconische covers, een soort intellectuele fetisj waarmee lezers dwepen. En ook al gaat het met zijn duizenden woorden lange artikelen lijnrecht in tegen de huidige TikToktijdgeest, toch floreert het blad. Hoe kan dat?

is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.

In 2008 sprak Evan Osnos, toen correspondent China van The New Yorker, in hotel Shangri-La in Hongkong met Zhang Yin, een kartonmagnaat en een van de rijkste mensen van China. In zijn artikel over haar wilde Osnos de bank waarop ze zat beschrijven. ‘Ik dacht dat hij van zijde was, maar dat wist ik niet zeker’, zegt hij telefonisch vanuit zijn auto in de buurt van Chicago. ‘Misschien was hij wel van kunstzijde of nylon.’

Osnos woonde destijds in Beijing, maar korte tijd later ging zijn vriendin, inmiddels zijn vrouw, naar Hongkong. ‘Ik heb haar toen gevraagd of ze misschien naar die kamer in dat hotel wilde gaan om een foto van de bank te maken. Ze dacht dat ik gek was, maar deed het toch. Helaas kon ik ook uit de foto niet opmaken welk materiaal het was.’

Dus belde hij de technische dienst van het hotel. De medewerker daarvan wist het etiket te traceren. ‘Hij vertelde me dat het iets van 70 procent zijde was, 20 procent iets anders, ik weet het niet meer. Intens tevreden schreef ik dat op, maar ja, uiteindelijk werd het door de eindredacteur toch geschrapt.’

(Na afloop van het telefoongesprek blijkt dat de verwijzing naar het zijden materiaal van de bank nog wel in het artikel staat. ‘Perfect’, mailt Osnos, ‘de anekdote is nog beter geworden, dankzij het factchecken.)

Het DNA van het blad

Zijn werkwijze, zegt Osnos, toont de filosofie aan van The New Yorker. ‘Het DNA van het blad is: we komen zo dicht bij de waarheid als menselijkerwijs mogelijk is.’

Was dat in dit geval nodig? Osnos erkent dat hij ietwat overijverig te werk ging. ‘Maar het laat wel zien dat we zo precies mogelijk proberen te zijn.’

Dat betaalt zich uit. Terwijl veel legendarische bladen – Time Magazine, Rolling Stone, Esquire, Newsweek, Harper’s Magazine, Vanity Fair – het moeilijk hebben, floreert The New Yorker: de wereldwijde oplage is 1,3 miljoen. Er wordt, naar eigen zeggen, winst gemaakt.

En dat terwijl het blad, dat elke week ruimte maakt voor fictie en poëzie, lijnrecht ingaat tegen de TikToktijdgeest. Van de lezer wordt een flinke spanningsboog verlangd. In het recentste nummer staan, advertenties uitgezonderd, vier foto’s. Er staan net zoveel artikelen in van meer dan vijfduizend woorden. Een daarvan gaat over Amerikanen die hun land vanwege de politieke situatie hebben verruild voor Nederland. (‘Op het Europese vasteland staan Nederlanders soms bekend als de Amerikanen van Europa, vanwege hun lengte, luide stemmen en botte manieren’, schrijft de journalist.)

Intellectuele fetisj

De 100ste verjaardag van The New Yorker, een intellectuele fetisj waarmee lezers lustig dwepen, wordt opgeluisterd met een documentaire op Netflix. In The New Yorker at 100, sinds vorige week te zien, gidst voice-over Julianne Moore de kijker door de geschiedenis van het blad. Journalisten worden gevolgd en toonaangevende freelancers geïnterviewd.

‘Als je je naam in The New Yorker ziet, voelt dat als de grootste egotrip denkbaar’, zegt schrijver en actrice Molly Ringwald in de documentaire. ‘Ik zou zeggen dat ik daar opgewondener over was dan ik zou zijn als ik een Oscar had gewonnen. Maar ik heb nog nooit een Oscar gewonnen, dus dat weet ik niet zeker.’

Als New York qua intelligentsia een dorp is, schreef The Guardian dit jaar, ‘dan is The New Yorker de kerk en zijn de schrijvers ervan een seculiere priesterkaste.’

Ook de journalisten spreken met sacrale toewijding over hun werkgever. ‘Ik werk nu zeventien jaar voor The New Yorker’, zegt Osnos. ‘Soms heb ik moeite me te herinneren waar ik eindig en het tijdschrift begint.’ Lachend: ‘Ooit zal ik moeten herontdekken wie ik ben.’

Gewijde stilte

Als de Volkskrant afgelopen mei de redactie bezoekt, op de 23ste verdieping van het One World Trade Center in het zuiden van Manhattan, heerst er een gewijde stilte. Vanwege de voorjaarsvakantie is het rustig. Onder een systeemplafond werken redacteuren in rommelige cubicles met uitzicht op de Hudson. Hoofdredacteur David Remnick zit in zijn kantoor te vergaderen.

De beroemde, geïllustreerde covers, die in de stad op straat als ansichtkaarten en posters worden verkocht, hangen aan de muren, net als een houtsnijwerk van een 19de-eeuwse dandy die verveeld kijkend door een monocle een vlinder bestudeert. Deze karikatuur, zijn naam is Eustace Tilley, stond op de eerste cover en is sindsdien de mascotte van het blad. De boodschap erachter: we zijn verfijnd, maar nemen onszelf niet al te serieus.

Factcheckers

In enkele afgesloten ruimten werken chefs van deelredacties. Een van hen is Fergus McIntosh. De Brit – gebreide, roodbruine spencer over een wit T-shirt, spijkerbroek, witte sportschoenen – leidt een instituut dat in Nederland niet bestaat en waar The New Yorker misschien wel het beroemdst om is: dat van de factcheckers. ‘We zijn met 29’, zegt hij. ‘Daarmee zijn we de grootste redactie.’ Na een stilte: ‘Al moet je dat checken.’

McIntosh heeft net contact gehad met een redacteur omdat hij een boekrecensie niet fair vond. Ja, ook meningen worden gecheckt. ‘Als ik schrijf dat het weer in New York vandaag verschrikkelijk is, terwijl de hele dag de zon schijnt, zou ik geen onwaarheid opschrijven, want ik geef een mening, maar die zou wel tot vragen leiden.’

Vuistregel is dat factcheckers contact opnemen met iedereen over wie iets geschreven wordt – of iemands naam nu wordt genoemd of niet. Komiek David Sedaris schreef eens over een schrijver die hij bewonderde dat ze een facelift had gehad. Tot grote onvrede van Sedaris, die de naam van de schrijver in zijn stuk achterwege had gelaten, legde de factchecker ook dit detail aan haar voor. McIntosh vindt dat terecht. ‘Als was gebleken dat zij geen facelift had gehad, was dat relevant geweest. Als we zeggen dat we non-fictie publiceren, moet het non-fictie zijn.’

In The New Yorker vergeleek Sedaris gefactcheckt worden door The New Yorker met ‘in je reet geneukt worden door een warme thermosfles’. McIntosh heeft vaak met Sedaris gewerkt. ‘David zou nooit een heel verhaal verzinnen, maar hij kan wel een paar details verkeerd hebben’, zegt hij. ‘Hij schreef ooit dat schapen van een bepaald ras allemaal meer dan 60 kilo wegen. Ik heb dat toen nagevraagd bij de landbouwvoorlichtingsdienst en ze wogen bijna allemaal minder dan 60 kilo. Door die correctie zullen de paar lezers die van het gemiddelde gewicht van dit type schaap op de hoogte zijn, niet afgeleid raken.’

McIntosh noemt het irritant dat zijn afdeling bij interviews met sterren steeds vaker met hun agenten te maken krijgt. ‘Maar niet altijd. Ik heb een keer zes à zeven uur aan de telefoon gehangen met acteur Adam Driver.’

The New Yorker factcheckt om meerdere redenen. ‘Vooral omdat het in ons eigen belang is’, zegt McIntosh. ‘We beschermen onszelf er juridisch mee. Het is goed voor onze reputatie. Maar er zit ook een ethisch aspect aan. Als we iets over je publiceren, ook al is het iets positiefs, willen we jou daarover horen.’

Volgens de overlevering – de eigen factcheckers hebben twijfel gezaaid over het waarheidsgehalte van dit verhaal – is de afdeling opgericht in 1927 na publicatie van een stuk over de dichter Edna St. Vincent Millay. Er zouden zo veel fouten in hebben gestaan dat haar moeder de redactie was binnengestormd en met een smaadzaak had gedreigd.

Grote cocktailparty

Twee jaar daarvoor was het blad opgericht door het echtpaar Harold Ross en Jane Grant. Zij wilden tijdens de roaring twenties, toen schrijvers en kunstenaars massaal naar New York trokken, lezers helpen met die ene, terugkerende vraag: wat gaan we vanavond doen?

Hoofdredacteur Ross, een high school dropout uit Colorado, wilde zich richten op de stedelijke elite, bleek uit een brief die hij aan adverteerders stuurde. ‘The New Yorker wordt níét gemaakt voor het oude vrouwtje in Dubuque. Het blad houdt zich niet bezig met haar denkbeelden.’ Dubuque is een plaatsje in Iowa.

De eerste jaren stond het blad vooral bekend om de illustraties en cartoons. Teleurgesteld schreef Ross in een brief in 1925 dat hij had gehoord dat zijn schepping werd omschreven als ‘het beste tijdschrift voor mensen die niet kunnen lezen’.

The New Yorker zag de wereld als een grote cocktailparty. Toen de Grote Depressie in 1929 begon, werd die grotendeels genegeerd. De apolitieke houding van het blad veranderde door het opkomende fascisme in Europa. In 1936 schreef Janet Flanner een driedelig profiel over Adolf Hitler. Eerste zin: ‘Als dictator van een land van voortreffelijke worsten, sigaren, bier en baby’s, is Adolf Hitler vegetariër, geheelonthouder, niet-roker en celibatair.’ De term ‘profiel’, voor een journalistieke schets van een persoon, was eerder gemunt door New Yorker-journalist James Kevin McGuinness.

Aanmerkingen

Het lokale blad kreeg pas echt een mondiaal bereik in 1946. Toen besloot Ross een volledig nummer te wijden aan één artikel over de atoombom op Hiroshima – zelfs de cartoons moesten wijken omdat hun aanwezigheid naast zo’n onderwerp ongepast zou zijn.

Albert Einstein was zo onder de indruk van het blad, waarin journalist John Hersey de ervaringen beschrijft van zes overlevenden, dat hij duizend exemplaren ervan uitdeelde. Ross noemde ‘Hiroshima’ ‘zonder twijfel het beste journalistieke verhaal van mijn tijd, en misschien wel aller tijden’.

Vooraf had hij nog wel een en ander erop aan te merken, is te lezen in The New Yorker and the World it Made, een boek van Ben Yagoda uit 2000. Toen Hersey een man beschreef die roeide met een ‘slanke bamboestok’, schreef Ross in de kantlijn: ‘Mijn god, als die heel slank is, had hij die boot er nooit mee kunnen roeien. Lijkt me tamelijk belachelijk.’ Het werd een dikke bamboestok.

Bij een zin waarin iemand over ‘straat’ liep, schreef hij: ‘Ik zou denken dat dit meervoud moet zijn, ‘straten’, het is onwaarschijnlijk dat ze zich gedurende meerdere blokken tot één straat beperken, ze zullen ook kruisende straten zijn ingegaan.’

Journalisten werden geregeld gek van al zijn opmerkingen. Lezers mochten nooit in het ongewisse worden gelaten. Als een man een hoed afnam, moest eerder vermeld zijn dat hij er eentje droeg, schrijft Brendan Gill in zijn memoires Here at The New Yorker uit 1975. Het woordje ‘the’ mocht alleen worden geplaatst voor een zelfstandig naamwoord als het bestaan daarvan al eerder was vastgesteld, schrijft Yagoda.

Toen Vladimir Nabokov in 1950 in een verhaal over zijn jeugd schreef over ‘de klik van de notenkraker’, schreef Ross: ‘Waren de Nabokovs een familie met maar één notenkraker?’

Op de hoogte

Ross overleed in 1951 aan kanker, op zijn 59ste, en werd opgevolgd door zijn secondant, William Shawn. Ook hij was veeleisend, blijkt uit voorbeelden die Yagoda beschrijft in zijn boek. ‘Een verbluffend stuk historische verslaggeving’, schreef Shawn bijvoorbeeld bij een stuk over de president van General Motors. ‘Een geweldig profiel. Hieronder een paar vragen.’ Er volgden er 178.

Maar in tegenstelling tot Ross, over wie Gill in 1975 al schreef dat hij bekendstond om racistische en homofobe opmerkingen, werd Shawn door zijn redacteuren verafgood. Yagoda schat in zijn boek dat er tussen de zestig tot tachtig boeken aan hem zijn opgedragen. Onder leiding van Shawn, die een politieke, progressieve koers bepleitte, verschenen tussen 1962 en 1966 vier non-fictieklassiekers die waren begonnen in het blad: Silent Spring van Rachel Carson, Eichmann in Jerusalem van Hannah Arendt, The Fire Next Time van James Baldwin en In Cold Blood van Truman Capote.

Er verscheen niet alleen maar zware kost, zegt Ben Yagoda telefonisch vanuit zijn huis bij Philadelphia. ‘In ‘Goings On About Town’, een rubriek over het nachtleven, ging het over jazzconcerten, Broadwaymusicals, een optreden van Bobby Short in Café Carlyle of de recentste tentoonstelling in The Museum of Modern Art.’

En dat terwijl veel abonnees niet eens in New York woonden. ‘Zij konden niet eens naar al die shows toe, maar ze konden er wél van op de hoogte blijven’, zegt Yagoda. ‘Wie The New Yorker las, was sophisticated.’

In 1976 tekende Saul Steinberg wat een van de beroemdste covers zou worden: View of the World from 9th Avenue. Te zien is hoe de stereotypische New Yorker de wereld beziet: die stopt zo ongeveer voorbij de Hudson.

Wars van commercie

Onder William Shawn was The New Yorker wars van commercie. Toen de acteur Mel Brooks in 1977 vroeg of het profiel over hem in dezelfde week kon uitkomen als zijn nieuwe film, High Anxiety, weigerde Shawn dat. Zijn lezers, zo meende Shawn, zouden het vulgair vinden als een New Yorker-stuk als vorm van pr zou kunnen worden gezien, schrijft journalist Michael Grynbaum in zijn dit jaar verschenen boek Empire of the Elite. Het artikel over Brooks verscheen uiteindelijk tien maanden na de film.

In de jaren tachtig werd het blad steeds meer een curiosum. Terwijl glitterjurken en glamrock de cultuur bepaalden, publiceerde The New Yorker een stuk van 31 pagina’s over maïs, als startschot van een vijfdelige serie over voedselgewassen. De oplage steeg nauwelijks meer en de advertentie-inkomsten daalden binnen twee jaar met 40 procent.

In 1987 werd Shawn, na 36 jaar hoofdredacteurschap, aan de kant gezet. Onder zijn vervanger, boekenuitgever Robert Gottlieb, ging het niet veel beter. ‘The New Yorker is niet langer een seculiere religie’, schreef oud-redacteur Hendrik Hertzberg in 1989 in een blad. ‘Het is nu slechts een tijdschrift.’

Cultuurshock van jewelste

Een cultuurshock van jewelste vond plaats toen Gottlieb in 1992 werd vervangen door de Britse Tina Brown. Haar adagium ‘make the sexy serious and the serious sexy’ nam ze mee van Vanity Fair, haar vorige werkgever, naar The New Yorker. Redacteur Anthony Lane schreef in 1998 dat toen hij een stuk pitchte over een toneelstuk over de Britse dichter A. E. Housman (1859-1936), ze daar even over moest nadenken. ‘Is Housman hot?’, vroeg ze toen.

Brown vermengde high- en lowbrow, zegt journalist Ian Buruma, die in het jaar van aantreden van Brown zijn eerste stuk voor The New Yorker schreef. ‘Er waren nog steeds gedegen reportages en literaire artikelen, maar het ging ineens ook over moord en filmsterren. Oudere lezers vonden dat vulgair, maar Brown maakte het blad er wel een stuk levendiger door.’

Visuele tradities

Ze brak ook met visuele tradities. Onder haar leiding verschenen voor het eerst regelmatig foto’s in The New Yorker. Alleen bij artikelen overigens en niet op de covers – aan dat heilige huisje durfde zelfs Brown niet te tornen.

‘Maar ze wilde de omslagen wel vernieuwen’, zegt tekenaar Joost Swarte telefonisch vanuit zijn atelier in Haarlem. ‘Daarvoor keek ze naar een groepje jonge tekenaars dat publiceerde in het grensverleggende tijdschrift Raw Magazine.’

Swarte tekende voor Raw Magazine, dat werd bestierd door een vriend van hem, de Amerikaan Art Spiegelman, en diens Franse vrouw Françoise Mouly. Die laatste werd al snel door Brown als artdirector naar The New Yorker gehaald. ‘Rond 1998 waren ze bij The New Yorker gecharmeerd van een ex-libriszegeltje dat ik had getekend’, zegt Swarte. ‘Ze vroegen of ik iets dergelijks tot een omslag kon maken.’

Hij tekende uiteindelijk een ode aan het lezen: een man met een boek, zittend op een stoel van boeken, met naast hem een meubel dat uit boeken en bladzijden bestaat. Na publicatie heeft Swarte de cover opgehangen. ‘Ja natuurlijk, wat denk je? Dan ben je natuurlijk apetrots. Al mijn helden, zoals Saul Steinberg, hebben erin gestaan, dit is het hoogst haalbare.’

Inmiddels heeft Swarte meer dan tien omslagen getekend, de laatste daarvan afgelopen zomer. ‘Bij The New Yorker geven ze je een onderwerp waar je je eigen invulling aan kunt geven, je bent geen uitvoerder’, zegt hij. Net als bij geschreven stukken blijft het blad wel fanatiek betrokken in alle stadia van de voorbereiding. ‘Maar hun opmerkingen zijn altijd goed.’

In 2015 waren er problemen op de Chinese beurs, waardoor ook de Amerikaanse koersen onderuitgingen. ‘Ik had toen een muis met een lange staart getekend die omlaag liep, richting een dikke rode poes die China moest voorstellen’, zegt Swarte. ‘Ineens kreeg ik een telefoontje. We hebben een probleem, zeiden ze, de Amerikaanse koersen zijn hersteld. Hoe gaan we dat oplossen? Toen heb ik gauw een muis getekend die van schrik opspringt, waardoor die grafiek een opwaartse beweging maakt.’

Journalistieke halfgod

Tegen die tijd was Tina Brown allang geen hoofdredacteur meer. In 1998 was ze gestopt om samen met Harvey Weinstein – toen bekend als geroemd filmproducent, nu veroordeeld verkrachter – Talk Magazine te beginnen. (Dat flopte snel. Later omschreef ze deze stap als ‘waarschijnlijk de domste carrièremove die iemand ooit heeft gemaakt’.)

Ze werd opgevolgd door David Remnick. Destijds was hij vooral de oud-correspondent Rusland van The Washington Post die een Pulitzerprijs had gewonnen met zijn boek Lenins laatste adem.

Inmiddels wordt Remnick, niet alleen bij The New Yorker, gezien als journalistieke halfgod. Net zo makkelijk schrijft hij over bokser Muhammad Ali, zangeres Mavis Staples, schrijver Aleksandr Solzjenitsyn als politicus Barack Obama. Toen hij over die laatste De brug (2010) schreef, een 672 pagina’s tellende biografie, nam hij daar geen schrijfverlof voor op – hij deed het in de avond- en ochtenduren.

‘Soms vraag ik me weleens af’, zegt Ben Yagoda, ‘of er drie David Remnicks zijn.’

‘Er zijn er veertien’, zegt David Remnick lachend tijdens een videogesprek vanuit zijn kantoor – tijdens het bezoek van de Volkskrant aan zijn redactie was hij druk. Serieuzer: ‘Omdat ik niet met vakantie ga, kan ik doen wat ik leuk vind: met een kladblok op pad gaan en stukken schrijven.’ Met vakantie gaan is ingewikkeld, zegt Remnick, omdat hij en zijn vrouw een 26-jarige dochter hebben met een ernstige vorm van autisme. ‘We kunnen niet zomaar op een vliegtuig naar Amsterdam stappen.’

Humaan

Het relatief platte dat The New Yorker onder Tina Brown had, zegt Ian Buruma, ‘waar je de voor- en nadelen van kunt zien’, heeft Remnick gladgestreken. ‘Onder hem verschijnen veel goede reportages, vooral over Israël en de Verenigde Staten, en literaire artikelen.’

Ook is The New Yorker politieker geworden. ‘We kunnen onze ogen niet sluiten voor de wereld waarin we leven’, zegt Remnick. Schrijven over politiek wordt moeilijker, zegt hij. ‘Steeds vaker moeten we write-arounds publiceren, profielen waarbij we om de hoofdpersoon heen schrijven, hem of haar zelf niet spreken. Ik vond het prima als dit bij stukken over Xi Jinping of Vladimir Poetin gebeurde, maar nu gaan ze over Kash Patel, het hoofd van de FBI, of Pam Bondi, de minister van Justitie. Deze mensen minachten de pers.’

Remnick wil vooral dat zijn tijdschrift humaan blijft. ‘Ik kan niet voor Nederland spreken, maar ons publieke discours is wreed en gemeen, vol kleinerende bijnamen. Daarvan wil ik geen onderdeel zijn.’

Negatieve associaties die lezers bij The New Yorker hebben, bleek volgens Ben Yagoda uit enquêtes, is het schuldgevoel dat het blad bij ze oproept als de ongelezen nummers zich opstapelen. De artikelen zijn nu minder lang dan vroeger, maar nog steeds lang. In de recentste editie staat een stuk over de Britse neuroloog Oliver Sacks van ruim negenduizend woorden (dit stuk telt er ongeveer drieduizend).

‘Ik snap het’, zegt Remnick. ‘Ik lees nu, niet voor het eerst, Sense and Sensibility van Jane Austen. Het boek is hilarisch, maar zelfs ik, een professionele lezer, moet mijn verdomde telefoon in een andere kamer leggen om tot bladzijde 3 te komen. Toch wil ik ervoor blijven pleiten dat lezen een ongelooflijk lonende bezigheid is.’

Toekomst

Zijn voorganger, Tina Brown, zei onlangs in een interview dat tien jaar een mooie termijn is voor een hoofdredacteur. Remnick is inmiddels 27 jaar bezig. Het speculeren over zijn opvolger – ook Evan Osnos wordt genoemd – is in volle gang.

Gevraagd naar zijn toekomst zegt Remnick lachend: ‘Met alle respect: het lijkt me ongepast om zomaar iets in de Nederlandse pers aan te kondigen. Ooit komt er een tijd. Maar de man die tegenover je zit, is gezond, enthousiast en houdt zo veel van The New Yorker dat hij het nooit zou willen beschadigen.’

Er zijn voorbeelden van hoofdredacteuren die te lang zijn aangebleven, zegt hij. ‘William Shawn, waarschijnlijk de beste hoofdredacteur van de 20ste eeuw, is daar een van. Zijn fout wil ik niet herhalen.’

Remnick koestert de toewijding van zijn redactie. ‘We zijn niet zo groot’, zegt hij. ‘Bij The New York Times werken tweeduizend mensen. Wij doen het met, denk ik, 10 procent daarvan. En ik wil niet opscheppen, maar afgelopen jaar hebben we drie Pulitzerprijzen gewonnen. Voor een tijdschrift is dat ongehoord.’

Hij is ervan overtuigd dat The New Yorker ook over honderd jaar nog bestaat. ‘Natuurlijk weet je dat niet zeker. Life Magazine, een visueel tijdschrift, was enorm belangrijk, maar is uiteindelijk failliet gegaan na de komst van televisie. Daarom is verandering ook zo cruciaal. Daarom hebben we podcasts en video’s en een website die iedere dag wordt bijgehouden. We zijn niet meer wat we waren toen ik begon. We zijn heel anders en toch hetzelfde. Een instituut als dit tijdschrift is een wonder.’

Uitgelichte covers
van Joost Swarte

‘De laatste jaren is er in New York steeds vaker sprake van zomerse hittes en de verwachting is dat die erger gaan worden. Daardoor kreeg ik het idee om als personage de zon te tekenen die de stad in een pannetje verwarmt. Maar toen ik hem vorig jaar naar The New Yorker had gestuurd, was het ineens klaar met de warmte. Dus heeft de redactie hem een jaartje laten liggen en verscheen hij deze zomer.’

‘Deze was voor een zomernummer dat gewijd was aan liefdesverhalen. Ik ben dan geneigd te denken: is er ook een andere kant van de medaille? En kunnen we die dan ook laten zien? In de liefde kan het natuurlijk ook verkeerd gaan. Dus heb ik de stapel boeken waarop het stel staat zodanig getekend dat de tedere omhelzing ook in een enorme duikeling kan eindigen.’

‘Denk je aan de zomer, dan denk je aan zon en vakantie en dat soort dingen. Maar in New York, met al die mooie, hoge gebouwen, denk je ook aan de schaduw. Daar kwam het idee uit voort om een schaduwrijke stad te tekenen, met een lichtstreep die als een spotlight tussen gebouwen schijnt, op een figuurtje dat zit te lezen.’ Door het vakblad Communication Arts is de cover bekroond met een Award of Excellence.

Nabokov, Murakami en Smith gebundeld

The New Yorker heeft een bundel gepubliceerd met daarin de beste fictieverhalen die de afgelopen honderd jaar in het blad zijn verschenen. Fictieredacteur Deborah Treisman maakte de selectie. ‘In totaal zijn er zo’n 13 duizend verhalen verschenen bij ons. Ik heb ze niet allemaal gelezen, maar wel een groot deel daarvan.’ Het was ‘gruwelijk moeilijk’, zegt ze, om de lijst uiteindelijk tot 78 te kortwieken.

J.D. Salinger, Vladimir Nabokov, Dorothy Parker, John Updike, Philip Roth, Jorge Luis Borges, Cynthia Ozick, Haruki Murakami, Susan Sontag, Annie Proulx, David Foster Wallace, George Saunders en Zadie Smith zijn een aantal van de gelukkige schrijvers wier stukken het hebben gehaald. ‘Ik wilde niet dat er alleen maar meesterwerken in zouden komen’, zegt Treisman. ‘Ik wilde dat het boek representatief is voor de geschiedenis van het tijdschrift.’

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next