Vóór alles wilde Frans Weisz acteur worden, maar het lot besliste anders. Zondag overleed de drievoudig Gouden Kalf-winnaar op 87-jarige leeftijd.
schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
De laatste keer dat Frans Weisz in het openbaar verscheen, was op 19 september 2023. De grote zaal van EYE Amsterdam zat tjokvol, en wat er gevierd werd was het verschijnen van zijn memoires: Dagboek van een filmmaker – een kloek boek van 592 pagina’s, bezorgd door oud-filmjournalist Harry Hosman.
Van een toespraakje kwam het helaas niet meer. Frans Weisz – maker van zulke uiteenlopende films als Het gangstermeisje, De inbreker, Charlotte, Leedvermaak, Hoogste tijd en de succesvolle tv-serie Bij nader inzien – was op dat moment 85 jaar oud, en leed al geruime tijd aan alzheimer.
Wel maakte de grote kleine man van de Nederlandse film met gevouwen handen en een bijpassend knikje zwijgend een dankgebaar. De dramatische scène miste zijn uitwerking niet. Staande ovatie, terwijl de filmer, ondersteund door zijn zoon Géza Weisz, het podium afschuifelde. Zondag overleed hij op 87-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam.
‘Ik film omdat ik 1 meter 58 ben’, had Frans Weisz eens half gekscherend geantwoord bij een alomvattende enquête onder Nederlandse filmmakers waarin gevraagd werd naar hun beweegredenen. Beetje zelfspot, goeie grap, maar achter de luim ging ook ernst schuil.
Vóór alles had hij bij het toneel gewild, maar dat pakte uit als een onbeantwoorde liefde. Al na een jaar werd hij in de zomer van 1957 van de Arnhemse toneelschool gestuurd. Zelf dacht hij nog de nieuwe Ko van Dijk te zullen worden, maar zijn docenten vertelden hem: ‘Wat je aan lengte tekortkomt, heb je aan talent niet méér.’
In opperste paniek sloot hij zich op in het leslokaal. Een leraar die wel sympathie voor hem kende, haalde hem over de deur te openen, en gaf hem wat geld ‘om met de bus een nieuw leven in te rijden.’
Volgende halte: de in 1958 zojuist opgerichte Nederlandse Filmacademie in Amsterdam, onder leiding van gentleman-docent Jan Marie Peters. Middels een advertentie werden aspirant-studenten gerekruteerd, en Weisz meldde zich bij het kantoortje aan de Van Eeghenstraat. Tot zijn eigen verbazing bleek hij de allereerste student te zijn. De 20-jarige Frans zat bij de film.
Uit zijn dagboek: ‘Vrijdag 28 november 1958. God, ik ben gelukkig. Laat het zo!’
Wat volgde was een loopbaan van bijna veertig jaar, vol pieken en dalen. Dertig titels telt zijn filmografie – een hele reeks aan kunstfilms, publieksfilms, boekverfilmingen, toneelbewerkingen, documentaires en televisieseries, plus de niet genoemde honderden reclamespotjes die hij draaide om de zaak deels te kunnen financieren. Van alle geploeter werd hij niet altijd even gelukkig, zacht gezegd – zo blijkt wel uit zijn dagboek.
Het begin was veelbelovend. Nadat hij met een beurs van het ministerie van OKW (Onderwijs, Kunst en Wetenschappen) tussen 1960 en 1962 had mogen studeren aan de gereputeerde filmschool Centro Sperimentale di Cinematografia in Rome, debuteerde hij in 1964 met de opdrachtfilm Een zondag op het eiland van de Grande Jatte – bedoeld voor een project ter leesbevordering van de CPNB.
Het gegeven: in twintig minuten komt het beroemde, gelijknamige pointillistische Parijse schilderij van Georges Seurat uit 1886 tot leven, al waren de opnames dan eigenlijk bij kasteel Groeneveld in Baarn, en werd er gedraaid in zwart-wit. Onder de figuranten treffen we gearriveerde schrijvers aan als Jan Cremer, Harry Mulisch, Hugo Claus, Adriaan Morriën en Remco Campert.
Het filmpje leverde Weisz een waarderend stuk op van de toenmalige Algemeen Handelsblad-recensent Jan Blokker, die in hem wel iets van een ‘filmauteur’ herkende, het begin van een levenslange vriendschap.
Nadat Een zondag op het eiland van de Grande Jatte in Berlijn ook nog eens de Zilveren Beer had gekregen, werd Weisz in de filmwereld gelanceerd als een pionier van het Nederlandse equivalent van de nouvelle vague, de destijds in kunstkringen zo leidende Franse filmstroming. Dat legde nogal een zware druk op zijn schouders, want zijn eerste lange speelfilm moest hij nog maken, realiseerde hij zich met een schok.
Met een slechts half voltooid scenario van Remco Campert in de hand, waagde hij zich voorjaar 1966 op verzoek van producent Jan Vrijman aan Het gangstermeisje. De even zwijgzame als mysterieuze Kitty Courbois (1937-2017) kreeg de hoofdrol, al gaf ze achteraf toe weinig te hebben begrepen van deze nouvelle vague à la Neerlandaise.
Vaststaat dat het gaat over een schrijver (die verdacht veel op Remco Campert lijkt) met een writer’s block. Hij reist vanuit Amsterdam naar het Zuid-Franse Menton om op adem te komen, maar daar raakt hij verstrikt in zijn eigen waanbeelden. Weisz, later in zijn dagboek: ‘De mystificaties hebben de film moeilijker gemaakt dan de bedoeling was.’
Na een handvol welwillende recensies (Ellen Waller in het Algemeen Handelsblad: ‘Het gangstermeisje is Frans Weisz’ geslaagde meesterproef, nog niet zijn meesterwerk’) was het nieuwsgierige publiek erop afgekomen, maar toen de teller stopte was er van het filmbudget van een half miljoen gulden nog niet de helft terugverdiend.
Misschien was Nederland nog niet helemaal klaar voor een eigen variant op de nouvelle vague, bedacht Weisz zich. ‘Je maakt in Nederland meer kans op het winnen van de Lotto dan op het afleveren van een succesvolle, artistiek verantwoorde speelfilm.’
Entree: de publieksfilm. In wat we nu zijn gaan zien als de gouden jaren van de Nederlandse cinema – met hits als Blue Movie en Turks Fruit – kon Weisz ondanks zijn artistieke aspiraties moeilijk achterblijven, zo legde zijn studievriend en producer Rob du Mée (1935-2003) uit.
Samen maakten ze de luchtige misdaadfilm De inbreker (1972) met Rijk de Gooyer in de rol van Glimmie – de spreekwoordelijke gisse gabber met een gouden hart die de Amsterdamse Wallen als werkterrein heeft. Leuk om nog eens terug te zien. Vanwege Rijk de Gooyer, maar ook voor het inmiddels vervlogen tijdsbeeld dat door de film werd vastgelegd. Dat Amsterdam bestaat allang niet meer.
Met De inbreker – losjes gebaseerd op een vergeten novelle van de Limburgse auteur August Defresne – boorde de regisseur een heel nieuw publiek aan, liefst 663.664 bezoekers in totaal.
En al had hij aanvankelijk dan liever Charles Aznavour in de hoofdrol gehad (Rijk vond hij nogal plat, was zelfs een beetje bang voor hem, maar dat viel achteraf allemaal reuze mee), elke avond scheurde Frans Weisz in zijn 2CV langs bioscoop Calypso aan de Marnixstraat in Amsterdam waar de film draaide. Dan toeterde hij luid naar de caissière. Zij stak haar duim op, en wees op het bordje: alweer uitverkocht!
En de tandem Weisz-Du Mée ging nog even door, met de publieksfilms Naakt over de schutting (1973), Rooie Sien (1975) en Heb medelij, Jet! (1975). Die laatste komedie – met Johnny Kraaykamp en Piet Römer – zou de ondergang worden van Rob du Meé, zijn Parkfilm ging failliet.
Niet tot groot verdriet van Frans Weisz trouwens, want zijn hart lag er toch al niet in. ‘Tijdens de opnames van Heb medelij, Jet! kreeg ik het gevoel op een doodlopende weg te staan. Ik was zo somber dat ik het liefst met m’n auto tegen een boom was gereden. Zodat ik er van af was.’
Zes jaar stilte volgde, maar in 1981 kwam de regisseur met wat in retrospectief zijn belangrijkste film genoemd mag worden: Charlotte. Belangrijk om meerdere redenen.
Om te beginnen had Weisz besloten alleen nog films te maken die hij zelf zou willen zien. Nooit geen concessies meer. Ten tweede bracht het tragische levensverhaal van de Berlijnse Joodse kunstenaar Charlotte Salomon – ze werd op 10 oktober 1943 in Auschwitz vermoord – hem terug bij zijn eigen wortels.
Weisz’ leven stond in het teken van de Tweede Wereldoorlog. Zijn ouders Géza en Sara werden tijdens hun onderduiktijd in Amsterdam in 1944 verraden en naar Auschwitz gedeporteerd, waar alleen moeder het overleefde.
Tussen zijn 3de en 8ste levensjaar werd Fransje liefdevol opgenomen in een plattelandsgezin in Sevenum. Dagboekcitaat: ‘Achter op de bagagedrager van de man die me brengt, mijn eigen Verzetsheld, gewikkeld in een deken, als betrof het een Bijbels tafereel, zo stel ik het mij voor – nee, zo wás het – rijden we op de fiets helemaal naar Limburg.’
Kinderogen beleven zo’n duistere tijd anders. De kleine Frans liep op klompen, leerde koeien melken, ging met het paard naar de smid, hij mocht de kersen uit de bomen plukken – hij had er eigenlijk een toptijd. Wel moest hij zich verstoppen toen Duitse soldaten naar onderduikers kwamen zoeken, maar de aanvoerder (‘Die oorlog is toch al verloren’) kneep een oogje toe.
Het historisch besef over het familieleed kwam pas veel later. Iets ervan kon hij kwijt in het aangrijpende Charlotte – naar een scenario van Judith Herzberg – , alsook in het door het oorlogsverleden verscheurde gezin uit Leedvermaak (1989, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Herzberg).
Uiteindelijk zou die laatste titel het vertrekpunt vormen voor een filmtrilogie: na Leedvermaak volgden nog Que Vive (2001) en Happy End (2009). Het was de eerste keer dat een Nederlandse regisseur met zo’n drieluik kwam.
Frans Weisz had zijn eigen toon en timbre gevonden, en dat ontging ook de VPRO niet. Hoewel hij tv-producties binnen de kunsthiërarchie ver onder speelfilms vond staan, draaide hij wel de zesdelige hitserie Bij nader inzien – naar de generatieroman van J.J. Voskuil.
Het scenario was van Jan Blokker en Leon de Winter, en de reeks werd bevolkt door een all-star ensemble, onder wie Pierre Bokma, Jeroen Willems, Rijk de Gooyer, Loes Wouterson, Anneke Blok, Coen Flink, Porgy Fransen, Saskia Temmink, Willem Nijholt, Rick Launspach, Kitty Janssen, Marcel Musters… nou ja, wie deed er eigenlijk niet mee? Zo’n ensemble aan te kunnen sturen bracht Frans Weisz pas werkelijk in zijn element.
30 juli 1990 (54ste draaidag): ‘Steeds meer sympathie voor de cast […].’
Meer dan enig andere Nederlandse regisseur gaat deze drievoudige Gouden Kalf-winnaar de geschiedenis in als de filmmaker die zijn acteurs op handen droeg. Waarschijnlijk toch ook, omdat Frans Weisz er zelf een had willen zijn.
BEKNOPTE FILMOGRAFIE FRANS WEISZ
Een zondag op het eiland van de Grande Jatte (1964)
Het gangstermeisje (1966)
De inbreker (1972)
Naakt over de schutting (1973)
Rooie Sien (1975)
Heb medelij, Jet! (1975)
Charlotte (1981)
Een zwoele zomeravond (1982)
Havinck (1987)
Leedvermaak (1989)
Bij nader inzien (tv-serie, 1991)
Op afbetaling (tv-film, 1993)
Hoogste tijd (1995)
Een vrouw van het noorden (1999)
Que vive (2001)
Happy End (2009)
Finn (familiefilm, 2013)
Het leven is vurrukkulluk (2018)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant