Home

Frans Weisz: veelfilmer met licht melancholische inslag en genadeloze zelfkritiek

Frans Weisz (1938-2025), filmregisseur Frans Weisz laat een enorm oeuvre na, variërend van arthouse tot reclamespots. Zijn leven, als zoon van een in Auschwitz vermoorde vader en als regisseur, stond in het teken van de Tweede Wereldoorlog.

Frans Weisz in 2002.

Frans Weisz was een zeer productief regisseur: „Niet filmen is voor mij niet leven”. In ruim een halve eeuw maakte hij publieksfilms, boekverfilmingen, toneeladaptaties, auteursfilms, documentaires, televisieseries en zo’n tweehonderd reclamespotjes. Zijn oeuvre had een licht melancholieke inslag, Weisz werd geprezen om zijn visuele finesse en fijnzinnige acteursregie: zijn acteurs wonnen vaak een Gouden Kalf voor rollen in zijn films.

Het leven van de in 1938 in Amsterdam geboren Frans Andor Benjamin Weisz stond in het teken van de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader Géza L. Weisz, een uit Berlijn gevluchte acteur, werd tijdens zijn onderduiktijd in Amsterdam verraden en in Auschwitz vermoord, zijn eveneens gedeporteerde moeder Sara overleefde het kamp. Zelf zat de jonge Frans tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken. Omdat zijn moeder manisch-depressief was, groeide hij na de oorlog op in pleeggezinnen en het Joods Jongenshuis. Deze oorlogservaringen werkten met name door toen hij het door Judith Herzberg geschreven Charlotte (1981) verfilmde. Weisz verfilmde ook Herzbergs toneeltrilogie over onverwerkt oorlogsleed: Leedvermaak (1989), Qui Vive (2001) en Happy End (2009).

In zijn vaders voetspoor wilde Weisz liefst acteur worden. In 1957 studeerde hij een jaar aan de Arnhemse toneelschool. Omdat hij zichzelf niet goed genoeg vond – twijfel speelde hem zijn hele leven parten – ging hij in 1958 naar de net opgerichte Nederlandse Filmacademie en later naar het Centro Sperimentale di Cinematografia in Rome. Hij hield in zijn werk altijd een Fellini-achtige fascinatie voor de theaterwereld, zoals goed te zien is in de Harry Mulisch-verfilming Hoogste tijd (1995), de Telefilm Storm in mijn hoofd (1999) en de toneelverfilmingen Entree Brussels (1978), Striptease (1979; beide van Hauser Orkater) en Een zwoele zomeravond (Het Werkteater, 1982).

Nouvelle vague

Terug in Nederland maakte hij Een zondag op het eiland van de Grande Jatte (1965), een in opdracht van de CPNB gemaakte korte film zonder dialoog, waarin verschillende Nederlandse schrijvers figureren, onder wie Remco Campert, Cees Nooteboom en Gerard Reve. De Staatsprijs winnende film opende in 1965 het Boekenbal en verwijst onder meer naar de Franse schilder Georges Seurat en de toen in zwang zijnde Franse filmstroming nouvelle vague. Ook Weisz’ speelfilmdebuut Het gangstermeisje (1966, naar een scenario van Remco Campert) werd sterk beïnvloed door de nouvelle vague én door de films van Federico Fellini. In een brief aan Campert schreef Weisz dat hij Het gangstermeisje zag „als liefdesverklaring aan het medium film”. Het is daarnaast autobiografisch: een deel van de handeling speelt zich af in Rome, waar Weisz studeerde. Kitty Courbois, met wie Weisz meermaals werkte, speelt de titelrol, zijn toenmalige partner Astrid Weyman heeft een belangrijke bijrol.

De film was in 1966 slechts een bescheiden succes. Een teleurgestelde Weisz zwoer nooit meer een arthousefilm te maken en richtte zich op publieksfilms als De inbreker (1972, met Rijk de Gooyer als meesterinbreker met het hart op de goede plaats), Naakt over de schutting (1973, opnieuw met De Gooyer) en Rooie Sien (1975, met Willeke Alberti als revue-artiest). Weisz filmde het door Alberti gevoelvol gezongen lied ‘Telkens weer’ in één schitterende take, waarbij de camera langzaam op haar gezicht inzoomt.

Imposante ‘totaalervaring’

Tussendoor maakte hij Expo ’70, een meerschermenfilm die in 1970 in het Nederlands Paviljoen op de wereldtentoonstelling van Osaka werd vertoond. Deze imposante ‘totaalervaring’ was op vijftien verschillende filmschermen in diverse formaten op meerdere verdiepingen van het gebouw te zien.

Toen eind 1975 de Heere Heeresma-verfilming Heb medelij, Jet! flopte, verzette hij opnieuw de bakens. Voortaan maakte Weisz persoonlijke films, waarvan Charlotte (1981), over de in Auschwitz omgebrachte Joodse kunstenares Charlotte Salomon (sterk gespeeld door Birgit Doll), de eerste was. Weisz’ meesterwerk werd in NRC geprezen om zijn „uitzonderlijke zeggingskracht”, de beelden om hun „ongekende schoonheid en dramatische kracht”.

Met zijn documentaire Leven? Of Theater? keerde Weisz in 2012 terug naar Salomons aangrijpende levensverhaal en haar bijna achthonderd uiterst beeldende gouaches. In de documentaire laat hij haar blik kruisen met die van zijn vader, in een fragment uit de korte film Jagd auf dich. Weisz in een NRC-interview: „Ik heb hem nooit gekend, het is mijn manier om dichter bij hem te komen. Charlotte woonde om de hoek waar hij Jagd auf dich (1930) filmde. De kans bestaat dat ze mijn vader gezien heeft.”

Weisz beschouwde Charlotte als een van zijn belangrijkste films: „Ik zou mijn leven kunnen indelen in de periode vóór Charlotte en na Charlotte.” Over Leedvermaak, naar Judith Herzbergs toneelstuk over de nawerking van de Holocaust in de levens van Joodse families, schreef Weisz in zijn in 2023 gepubliceerde dagboeken: „Charlotte ging over mijn vader, Leedvermaak over mijn moeder.”

Weisz pionierde met het maken van zowel reclamespotjes (voor zuivel en tabakmerk Drum) als televisieseries – in die dagen keken filmregisseurs nog neer op het medium televisie. Zo regisseerde hij in 1991 Bij nader inzien, naar J.J. Voskuil. De zesdelige serie gaat over het wel en wee van zes Amsterdamse studenten tussen 1946 en 1953, veertig jaar later kijken de vroegere vrienden terug op deze periode. Weisz kreeg er een Gouden Kalf voor Beste Regie voor, twee jaar eerder won hij dezelfde prijs voor Leedvermaak. Havinck, de sensitieve verfilming van Marja Brouwers’ gelijknamige roman, ontving in 1987 de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek. Na Bij nader inzien maakte hij nog de tv-serie Het jaar van de opvolging (1997).

De cirkel rond

Na een aantal zwakkere films besloot Weisz in 2018 zijn carrière met Het leven is vurrukkulluk, met zijn zoon Géza Weisz in een van de hoofdrollen. Hiermee was de cirkel rond, al in 1963 wilde Weisz het gelijknamige boek van Remco Campert, met wie hij later zijn speelfilmdebuut Het gangstermeisje maakte, verfilmen. Na het voltooien ervan kreeg Weisz de eerste verschijnselen van alzheimer, waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd door een ongeluk vlak voor zijn huis waarbij hij hoofdletsel opliep.

Zijn dagboeken wekken de indruk dat hij gebukt ging onder een minderwaardigheidsgevoel („Fellini word ik toch nooit”), met een genadeloze zelfkritiek die soms grensde aan zelfhaat: „weer niet gelukt een rauwe film te maken”. Al illustreerde dat falen ook zijn elfde gebod, „men zal in Nederland geen film willen maken”. Want altijd ontbrak het aan geld en de tijd om er iets werkelijk memorabels van te maken. Dat het Weisz vaak toch lukte gedenkwaardige films te maken, mag dan ook niet vergeten worden. Voor zijn verdiensten voor de Nederlandse film werd hij in 2018 geridderd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Frans Weisz overleed 7 december op 87-jarige leeftijd.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Film

De beste filmstukken interviews en recensies van de nieuwste films

Source: NRC

Previous

Next