Komiek Ronald Snijders (50) staat bekend om zijn absurde verzinsels, nu weer te lezen in Geen boek. Zijn werk draait niet meer alleen om onzin; vorig jaar vertelde hij voor het eerst zijn levensverhaal op het podium. ‘Ik wilde me afzetten tegen saaiheid.’
is verslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft over stand-upcomedy & cabaret en populaire cultuur.
Van de week viel schrijver en komiek Ronald Snijders (50) het zoveelste nieuwe Ronald Snijders-woord in: navulsinaasappel. ‘Ik moet de betekenis even precies formuleren: sinaasappel die je kunt hergebruiken met extra pakjes sap. Dan heb je ook nog navulstreng. Dat is iemand die nadrukkelijk verwacht dat anderen net zo zorgvuldig als hij de navulsinaasappel blijven navullen met sap.’
Het is dit soort talige nonsens waar Snijders – warrig kapsel, permanent licht verbaasde blik – al ongeveer twintig jaar om bekendstaat. Hij maakte tot nu toe zes cabaretvoorstellingen en schreef met Fedor van Eldijk een stapel boeken vol absurde verzinsels.
Hun zelfverzonnen woorden en betekenissen zijn gebundeld in De Alfabetweter en De AlfabetBeter, ‘neologismen voor mensen met humor’. De navulsinaasappel heeft de groslijst voor een volgende editie gehaald, vertelt Snijders bij de thee in een Amsterdams café. Van Eldijk en hij hebben duizend woorden nodig, ze zitten op de helft.
Afgelopen maand verscheen Geen boek, met verzameld werk uit drie Schrikkelkalenders – een scheurkalender die om de vier jaar verschijnt – en een titel waar ze hun lol mee op kunnen. ‘Als iemand deze feestdagen zegt, nou, ik heb liever geen boek, dan geef je dus Geen boek.’ Of: ‘Als je te veel bagage bij je hebt op vakantie, neem je als leesvoer Geen boek mee, dat scheelt weer.’
Als komiek sloeg Snijders vorig jaar een andere richting in. Na vijf theaterprogramma’s louter onzin te hebben verkocht, vertelt hij in Als mens voor het eerst echt gebeurde verhalen. Er komt alsnog een bulk dwaasheid aan te pas, en zijn nieuwe intenties leiden vanzelf tot verwarring. Toch is deze voorstelling vooral een serieus, eigenzinnig onderzoek naar zijn relatie met het publiek, en naar of en hoe hij zichzelf als artiest op een podium kan laten zien zoals hij écht is, als mens.
Hij deelt anekdotes over zijn weinig bijzondere jeugd, te beginnen met zijn geboorte. Ook zijn studententijd, opstartproblemen in de liefde en vroegere obsessie met André van Duin komen voorbij.
De recensies waren unaniem lovend, voor het eerst in zijn theaterleven. De Volkskrant schreef: ‘Voor wie niet zo van de woordspelerige humor is, is een bezoek aan Ronald Snijders nog altijd ‘betreden op eigen risico’. Maar voor de fans van Monty Python, André van Duin en Herman Finkers is het een aanrader om Ronald Snijders eens ‘als mens’ te leren kennen. Hij speelt hier namelijk een van zijn beste voorstellingen.’
Snijders kreeg in de oudejaarsconference van collega Micha Wertheim een klein rolletje als zijn body double, omdat mensen hun uiterlijk maar door elkaar blijven halen. ‘Ik krijg al jaren regelmatig complimenten voor zijn werk.’ Bij de opname leerde hij Wertheims vaste regisseur Gijsbert van der Wal kennen, die hij voor Als mens om advies vroeg. ‘Ik dacht, ik moet eens een keer kijken hoe het bij mij gaat, als ik doe wat andere cabaretiers doen en persoonlijke, waargebeurde verhalen vertel.’
Van der Wal moedigde hem aan om zonder gek stemmetje, op rustige toon zijn levensverhaal te vertellen. ‘Ik was tijdens de try-outs nog helemaal niet zeker van mijn zaak op het moment dat ik het over mezelf ging hebben.’
Waar was je onzeker over?
‘Weegt de werkelijkheid op tegen het alternatief van een bedachte, absurde wereld? Is het interessant genoeg? Als je op een podium gaat staan, is de beginvraag toch vaak: welk verhaal wil je vertellen? Ik had nooit echt een verhaal. Ik ben niet van de meningen, of van het herkenbare. Het hoeft van mij nergens op te slaan.’
Waarom had je nu wel een verhaal?
‘Ik voelde na Een avond met mij dat die voorstelling het einde was van een ontwikkeling. Of in ieder geval tot dan toe. Ik wilde uit een ander vaatje tappen.
‘Het idee om mijn levensverhaal als materiaal te beschouwen, ontstond nadat ik mijn moeder naar mijn geboorte had gevraagd. Een geboorte is wel een beginpunt, natuurlijk. Ik wist dat het een moeilijke en pijnlijke bevalling was, vanwege een enorme stuitligging. Dat was kennelijk zoiets bijzonders dat de arts in het ziekenhuis allemaal artsen in opleiding liet meekijken. Er was dus bij mijn geboorte al een publiek aanwezig. Het eerste wat van mij naar buiten kwam was mijn scrotum. De dokter zei ook: ‘Daar zal je ’m hem hebben, de zak.’’
Niet. Toch?
Grinnikt. ‘Dat laatste grapje kon ik natuurlijk niet laten liggen.’
Bevalt het om verhalen te vertellen?
‘Ik sta veel zelfverzekerder op het podium dan de vijftien jaar ervoor. Ik kan niet zo goed kijken naar de tv-registratie van Een avond met mij. Ik vind de energie veel te hoog. Ik voel de onrust.
‘In de echt gebeurde stukken in Als mens zit veel humor, maar een ander soort humor. Het is lieve humor, humor waar vertedering van uitgaat. Dat is iets nieuws voor mij, om liefde te voelen vanuit het publiek.
‘Ik dacht hiervoor altijd dat ik op het podium een ongrijpbaar figuur moest zijn die hier is neergedaald, zich overal over verbaast en er zijn eigen logica op na houdt. De absurdist, tussen aanhalingstekens, kon niet iemand zijn met een normaal leven, met een vriendin of kinderen.’
Wat heeft dit inzicht jou opgeleverd?
‘Eigenlijk vraag je nu: wat ga je hierna doen?’
Nee?
‘O. Voor mij is dat wel de vraag: wil ik hiermee verder? Ik weet het nog niet. Voor de zomer speelde ik wat try-outs met nieuw materiaal dat weer volledig uit onzin bestaat. Toen ik na de zomer terugkeerde bij mijn oude programma, dacht ik wel: wat fijn dat hier zo veel in zit. Ik ga in Als mens door veel verschillende sferen heen. Mijn arsenaal is vergroot.
‘Sommige collega’s zeiden: nu kun je niet meer terug. Ik snap wel wat ze bedoelen: het is makkelijker meegaan in absurdisme dat alle kanten op vliegt als je een normaal verhaal als bodem hebt.’
Maar je twijfelt.
‘Nou ja, op een zeker moment in mijn leven heb ik deze manier van kijken en maken ontdekt. Dat is niet een bron die zomaar ineens is uitgeput. Het is mijn variété.
‘Iemand die ik hoog heb zitten is Herman Finkers. Ik weet niet of programma vier van Herman Finkers nou zoveel anders is dan programma acht. Het is méér van hem, en ik vind het allemaal even leuk. Ik hoop dat ik dat ook kan. Niet dat ik mezelf met hem wil vergelijken hoor, maar ik doe het nu toch.’
Wat zegt die sterke neiging naar onzin over Ronald Snijders als mens?
Zogenaamd getergd: ‘Pijn!’ Na even nadenken: ‘Ik denk dat het teruggevoerd kan worden op Amersfoort: een gelukkige jeugd, een saaie, strenge, stoffige school. Je moest er zelf wat van maken, zeg maar. Met het schrijven van volledig ontsporende teksten, en daar lol in hebben, wilde ik me afzetten tegen saaiheid. Mijn absurdisme was een vorm van anarchisme.’
Is dat nog steeds zo?
‘Ja. Het is diep puberaal.’
Waar zet je je nu tegen af?
‘Ook tegen de reacties op mijn werk. Ik weet dat mijn werk soms als te flauw of te melig wordt gezien. Ik zet me daartegen af door er gewoon mee door te gaan.’
Vind jij zelf weleens iets te flauw?
‘Ja. Dan zeg ik tegen Fedor: ‘Dit is te flauw.’ En dan antwoordt Fedor: ‘Sinds wanneer is flauw een argument?’
‘Het is een dunne lijn, het onderscheid tussen goed flauw en slecht flauw. Niet uit te leggen. Er wordt soms neergekeken op de woordspeling. Waarom dát nou zo is...
‘Freek de Jonge krijgt in zijn programma’s nog steeds vaak de hardste lach op een woordspeling. Ik denk dat mensen er behoefte aan hebben, een duidelijke clash van twee niet te verenigen betekenissen binnen één woord.’
Waarom kijken andere mensen juist neer op woordgrappen?
‘Die mensen verwachten misschien dat er een oplossing voor het kernafval wordt aangedragen, maar dan komt er een woorddingetje dat geen diepere waarheid blootlegt. Dat vinden ze dan plat, maar voor mij opent het een nieuw perspectief. Als je dingen omkeert, stel je het meest basale ter discussie en kijk je er weer fris tegenaan.
‘Het absurdisme gaat er uiteindelijk over dat het leven geen zin heeft. Daar gaat ook troost van uit. Dat het niet erg is, dat het leven geen zin heeft. Als we het allemaal niet zo belangrijk maken, kunnen we luchtiger leven.
‘Ik hou ook van het surrealisme, het dadaïsme. Ze kantelen allemaal iets van de rede, met z’n vaste patronen. Ik vind het leuk om daarvan af te wijken, of er een ander patroon overheen te leggen, nog meer raadsels te maken.’
Het absurdisme lost niks op, maar het is wel een oplossing voor een komiek zonder engagement.
‘Het is voor mij zoals het universum van Gummbah. Dat is een afgesloten universum, waar de dingen net even anders gaan. Het ‘echte’ universum waar wij nu zijn, is beangstigender, omdat we het niet kunnen overzien. In dat afgesloten universum is overzicht, want daar slaat alles als een tang op een varken. Waarom een tang? Waarom een varken? I don’t know! Doet er niet toe.
‘De andere vluchtroute zou satire zijn, maar satirici hebben het moeilijk op dit moment. Als je een ideaal hebt dat je wilt verdedigen, namelijk een wereld die er wél toe doet, kom je terecht in een woke omgeving waarin je heel zinnige dingen zegt, maar het verliest van de absurditeit van de werkelijkheid. De wereld wordt steeds gekker, daar kun je bijna niets tegenoverstellen. Ik geef het je te doen.’
Je bent begonnen als schrijver die zijn teksten voorlas. Zijn er grappen die beter werken op papier dan op een podium?
‘O, zeker. Ik begin altijd met voorlezen, tijdens de eerste try-outs. Dan merk je dat meteen.’
Hij haalt een tekst aan uit Geen boek. ‘Hier een overzicht van de jaren tachtig’, luidt de titel. Wat volgt is een opsomming van jaartallen: 1980, 1981, 1982, 1983, 1984, 1985, 1987, 1988, 1989. Eronder het zinnetje: ‘Het jaar dat ontbreekt, is 1986. Voor de rest is de lijst volgens mij nu aardig compleet.’
Snijders: ‘Dat is een grap die alleen op papier werkt. Je denkt, oké, ik heb dit nu gelezen, ik ben toch weer dertig seconden dichter bij de dood. Dit heeft mij niks opgeleverd, alleen maar oponthoud. In het theater zou deze tekst niet werken.’
Wanneer is voor jou de avond geslaagd?
‘Als mensen ontzettend gelachen hebben, en zich achteraf afvragen: maar waarom eigenlijk? Dat vind ik het hoogst haalbare, dat je op een gegeven moment niet meer weet waar je om aan het lachen bent.
‘Ik weet niet of ik daar nou zo goed in ben hoor, in het opwekken van die ultieme slappe lach. Daarvoor maak ik te veel grapjes die hoofdelijk zijn. De beste slappe lach komt voort uit het irrationele. Dan ben je los van alles.’
Dat is niet de navulsinaasappel?
‘Nee! Het is ongrijpbaarder dan een navulsinaasappel.’
Gijsbert van der Wal zei: Ronald weet volgens mij nog niet half wat voor een goede acteur hij is.
‘Ik heb ook met een andere regisseur gewerkt. Die zei: je bent geen acteur, want je transformeert niet. Ik ben een autodidact, dus ik doe maar wat. Ik heb geen technisch reservoir aan middelen.’
Is dit onzekerheid of bescheidenheid?
‘Dit is: het niet weten. Inmiddels heb ik een publiek. Dat vind ik erg leuk, dat er een publiek is dat echt voor mij komt. Dat publiek wil óók die verzonnen woorden. Ik denk niet dat ik een voorstelling kan spelen zonder een lijstje woorden erin.
‘Ik ben er proefondervindelijk achter gekomen dat ik met mijn publiek niet één week lang Carré kan vullen, maar de kleine zalen zitten vol, en de middenzalen vaak ook. Daar ben ik blij mee.’
Ben je bang dat dat publiek het niet meer leuk vindt als je de onzin verder loslaat?
‘Ik vind het zelf ook gewoon leuk, dat die woorden een soort van levenswerk zijn. Dat Fedor en ik straks aan het eind van ons leven een enorm woordenboek hebben gemaakt. Dat we de taal hebben opgerekt, en daarmee de werkelijkheid.’
Ronald Snijders en Fedor van Eldijk: Geen boek. De Harmonie; 303 pagina’s; € 24,95.
Tot maart toert Ronald Snijders nog met Als mens. Daarna gaat hij verder met try-outs voor een nieuwe voorstelling, Leven met humor.
Op 30 december treedt hij op tijdens De Nacht van het Absurdisme in de Amsterdamse popzaal Paradiso. Dat wordt een avond met absurde bijdragen van artiesten uit allerlei kunst- en cultuurhoeken, onder wie schrijver en dichter Joost Oomen, rapper Extince, Rembo Theo Wesselo, fotograaf Jan Dirk van der Burg en comedians Stephanie Louwrier en Katinka Polderman.
Snijders zal er zijn gedicht De soundcheck van een drumstel voordragen, in drie delen. ‘Deel één: ik draag het gedicht voor. Deel twee: een drummer, Bram Knol, gaat het gedicht drummen. Volgens mij is dat nog nooit vertoond, dat een drummer een gedicht drumt. Deel drie gaat waarschijnlijk mislukken: heel Paradiso dicht. De drummer drumt het gedicht, het publiek en ik scanderen het. Het zou natuurlijk leuk zijn als het lukt, maar het zou nóg leuker zijn als het eindigt met een domper.’
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant