De Engelse fotograaf Martin Parr is zaterdag op 73-jarige leeftijd overleden. Hij was sinds 1994 lid van fotopersbureau Magnum Photos. Daarnaast stond Parr bekend om zijn documentaires en zijn series over de Britse stranden en consumentisme.
Weinig praatlustig, bescheiden en vaak in slobbertruien gekleed; wie Martin Parr ontmoette, zou niet snel vermoeden dat in deze lange Engelsman een van de invloedrijkste fotografen ter wereld schuilde. Niet alleen was hij internationaal vermaard door zijn humoristische werk, hij verschafte ook het genre van het fotoboek veel aanzien. De veelzijdige Parr, die de paus van de fotografie werd genoemd, overleed zaterdag op 73-jarige leeftijd.
Parr wist al jong wat hij wilde worden dankzij zijn grootvader, een amateurfotograaf. Na een opleiding fotografie in Manchester behoorde hij tot een groep Britse talenten die vooral documentair werk schoot, in zwart-wit. Hij toonde zich een meester in het observeren, welhaast ridiculiseren van mensen. Toen hij in de jaren zeventig een serie maakte over de inwoners van het pittoreske dorp waarin hij woonde, vereeuwigde hij vooral de typisch Britse truttigheid.
Zijn doorbraak beleefde hij met The Last Resort (1986), een boek vol ironische snapshots van het strandleven in het niet al te welvarende New Brighton, vlakbij Liverpool. Parr was, in navolging van experimenterende Amerikaanse en Britse collega’s, ook kleurenfilm gaan gebruiken. Zijn in felle tinten gedrukte foto’s zijn grappig en ontluisterend tegelijk.
Op een van de bekendste beelden staat een puber in een volle ijssalon naar de borsten van de jonge vrouw te staren die hem net van drie hoorntjes heeft voorzien en nu verveeld in de lens kijkt. Parr werd door critici voyeurisme en wreedheid verweten, maar zijn werk is ook een onderzoek naar de klassenmaatschappij in zijn land. The Last Resort is inmiddels niet meer weg te denken uit de canon van de Britse fotografie.
Hij wist humor te combineren met subtiele kritiek. Zie bijvoorbeeld Small World (1996), waarin hij al vroeg de schaduwkanten van het massatoerisme belichtte, en Common Sense (1999), dat met zijn close-ups van etenswaren (niet zelden junkfood) commentaar levert op de consumptiemaatschappij.
Parr was niet bang om dicht op zijn onderwerp te kruipen – letterlijk. Veel foto’s in het boek Life’s a Beach (2013), dat luierende strandgangers over de hele wereld toont, zijn van akelig dichtbij geschoten. Dat heeft beelden opgeleverd die hilarisch zijn door hun genadeloosheid. Je moet ‘onbevreesd’ zijn om een goede fotograaf te kunnen worden, zei hij geregeld in interviews.
Hij was niet bang om ook zichzelf voor schut te zetten. In Autoportrait (2000) bundelde hij de portretten die hij tijdens zijn vele reizen van zichzelf had laten maken door plaatselijke studiofotografen. Veelal had hij zich moeten verkleden of was er virtueel iets geconstrueerd – op een in Rusland gefotoshopte prent staat Parr bijvoorbeeld naast president Poetin, beiden in een judopak. Het boek is een parade van tenenkrullend werk en juist daardoor zo goed. Autoportrait bleek, net als ander werk van hem, voorspellende waarde te hebben; het verscheen vlak voordat het selfietijdperk losbarstte.
Parr was ongelooflijk productief. Elk jaar kwamen er meerdere boeken met zijn werk uit. Tezamen beslaan die vele meters plankruimte. Tomeloze ijver legde hij ook aan de dag bij zijn andere grote liefhebberij: het verzamelen van fotoboeken. In veertig jaar tijd bracht hij twaalfduizend stuks bij elkaar. De aanschaf daarvan financierde hij met de goedbetaalde klussen die hij deed voor reis- en modebladen. ‘Pure prostitutie’, noemde hij die schnabbels. ‘Het kan me niet schelen wat mensen met deze foto’s doen.’
Zijn verzameldrift leidde tot een gezaghebbende publicatie. Samen met de fotohistoricus en -criticus Gerry Badger bracht Parr de belangrijkste fotoboeken in kaart die in de wereld zijn gepubliceerd. The Photobook: A History, dat tussen 2004 en 2014 in drie kloeke delen verscheen, werd een bijbel voor verzamelaars. Als Parr op een beurs werd gespot met een nieuw fotoboek, dan ontstond daar niet zelden een run op.
In 2017 verkocht hij zijn hele collectie aan Tate, het kunstmuseum in Londen. Dankzij het ontginningswerk van Parr en Badger nam de belangstelling voor fotoboeken enorm toe – en daarmee ook de prijs van gezochte exemplaren.
Je zou denken dat Parr met al deze bezigheden nauwelijks tijd over had voor andere zaken. Niets is minder waar. Hij legde ook verzamelingen aan van de meest idiote objecten, zoals voorwerpen gedecoreerd met Russische ruimtehonden, horloges met afbeeldingen van de Iraakse dictator Saddam Hoessein en saaie postkaarten. Daarover maakte hij weer boeken en zelfs een tentoonstelling, Parrworld.
Hij stelde ook exposities en boeken samen over het werk van andere fotografen en maakte films, zoals een documentaire waarin hij mensen vroeg wat het betekent om Brits te zijn. In eigen land werden zijn idents beroemd; de korte filmpjes die hij met een heel team schoot en waarin de identiteit en diversiteit van Britten centraal stonden. Die werden door BBC1 uitgezonden tussen de programma’s door.
Parr was daarnaast decennia lid van Magnum, het beroemde fotografencollectief, al was er intern verzet geweest tegen zijn toelating. Zijn werk zou te ironisch zijn. Dat bracht later wel het meeste geld op van alle aangesloten fotografen, zo beweerde hij zelf. Hij schopte het tot president van het collectief.
In 2017 stopte hij met die erebaan omdat hij zich wilde concentreren op een ander project. Hij stichtte in dat jaar in zijn woonplaats Bristol, in het zuidwesten van Engeland, de Martin Parr Foundation. Door middel van een gratis toegankelijke tentoonstellingsruimte en bibliotheek wilde hij de fotografie promoten die in Groot-Brittannië en Ierland is gemaakt.
In een interview met de Volkskrant vertelde hij dat Britten weinig met zijn vak op hebben; Parrs foto’s krijgen volgens hem meer aandacht in Frankrijk en Nederland dan in eigen land. Hij liet werk van vele collega’s in zijn stichtingsgebouw zien.
Dankzij Parr ontstond in Bristol zelfs een heus fotografiecentrum. De vermaarde Royal Photographic Society verhuisde van Londen naar een pand tegenover de Martin Parr Foundation en het Bristol Photo Festival werd opgericht. Parr werd de artistiek directeur van de eerste editie in 2021. Maar dat ging onverwacht niet door.
Twee jaar eerder was hij op een anoniem twitteraccount beschuldigd van racisme. Hij zou een boek hebben samengesteld met werk van de in 2006 overleden Gian Butturini, een Italiaanse fotograaf. Daarin was een foto van een zwarte vrouw geplaatst naast een foto van een gorilla in een kooi. Op het twitteraccount verschenen beelden van een protest bij een museum in Londen waar op dat moment een grote Parr-tentoonstelling werd gehouden.
De campagne, die in 2020 vaart kreeg door de wereldwijde Black Lives Matter-protesten, bleek het werk te zijn van een jonge, zwarte vrouw (en mogelijk vooral van haar vader, hij deed het woord toen de Volkskrant een reconstructie van de zaak maakte).
De actie bleek weinig doordacht: Parr had London by Gian Butturini, zoals het fotoboek heette, helemaal niet samengesteld - al vermeldt de kaft dat wel. De heruitgave was een kopie van het in 1969 verschenen werk waaraan een voorwoord van Parr was toegevoegd. Bovendien werd duidelijk dat Butturini de twee foto’s opzettelijk naast elkaar had gezet. De Italiaan, die sociaal zeer geëngageerd was, wilde daarmee juist aandacht vragen voor de achterstelling van zwarten in Londen.
Toch bood Parr excuses aan. Hij nam het zichzelf blijkens een verklaring kwalijk dat hij, in zijn enthousiasme om het antiquarisch geworden boek heruitgegeven te krijgen, niet was aangeslagen op de ‘racistische’ combinatie van de twee foto’s. De mediastorm ging echter niet liggen en Parr moest aftreden als artistiek directeur van het nieuwe fotofestival in zijn stad.
Daarna kreeg hij ook nog de toorn over zich heen van de nabestaanden van Butturini. In een poging om zijn carrière te redden, concludeerde de Italiaanse familie, had hij zich van de collega gedistantieerd over wiens werk hij eerder zo geestdriftig was geweest - hij had tijdens een bezoek aan de nabestaanden zelfs foto’s gekocht.
Parr weigerde commentaar en trok zich terug uit de publiciteit. Het leek of zijn loopbaan een fatale slag was toegebracht. Maar de kwestie waaide voorbij. Musea toonden zijn werk weer, de Martin Parr Foundation slaagde er weer in tentoonstellingen te organiseren en voor het eerste Bristol Photo Festival mocht Parr in het voornaamste museum van Bristol een expositie over Britse fotografie samenstellen. Hij kreeg in 2021 zelfs een hoge onderscheiding, waarmee zijn rehabilitatie compleet was.
In dat jaar werd bij hem kanker geconstateerd. Hij dacht dat zijn laatste uur had geslagen, maar de behandeling sloeg aan. Zijn bewegelijkheid was daarna enigszins beperkt, maar hij bleef fanatiek doorgaan met zijn werk.
Nu hij is overleden, zijn er geen zorgen over waar zijn fotografische nalatenschap moet worden ondergebracht. Toen hij in 2017 de Martin Parr Foundation oprichtte, had hij dat meteen ook maar geregeld. Zijn omvangrijke archief kwam in het gebouw van zijn stichting te liggen. ‘Fotografen zijn heel slecht in bedenken wat er met hun artistieke erfenis moet gebeuren’, zei hij toen tegen deze krant. ‘Het is goed dat ik het doe zoals ik wil dat het gedaan wordt.’
Martin Parr was ook een groot kenner van de Nederlandse fotografie. Zo stelde hij een boek over Ed van der Elsken samen en hielp hij Hans van der Meer financieel met het publiceren van zijn beroemd geworden fotoboeken over voetbalvelden. Parr werkte ook jarenlang samen met de Nederlandse fotograaf Ruben Lundgren, die al lang in Beijing woont. Zij lieten in 2015 samen The Chinese Photobook het licht zien, een overzicht van de belangrijkste fotoboeken die sinds 1900 in of over China zijn uitgegeven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant