Home

De studiebol van de klas ging niet studeren, maar kreeg een goede baan. Dat bleef een pijnpunt

Echt studeren kwam er niet van toen Babette haar vwo-diploma haalde en direct in een goedbetaalde baan rolde. Een serie over mensen die spijt hebben van hun beslissing.

Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.

Babette (60, hoofd personeelszaken):

‘Ik was het type leerling dat na een proefwerk riep dat ze het zo moeilijk vond en vast een slecht cijfer zou halen, om vervolgens een 9 te krijgen. Als kind wilde ik per se naar het atheneum. Hoge cijfers halen was voor mij heel belangrijk en daar deed ik mijn uiterste best voor. Ik was bepaald geen flierefluiter. Omdat ik een bijbaantje in de bediening had, wilde ik naar de Hogere Hotelschool in Den Haag. Maar toen ik mijn eindexamen had gehaald, zat ik net in mijn new waveperiode en zag het opeens niet meer zitten om daar tussen de kakkers te verkeren. Het werd toegepaste huishoudwetenschappen, een studie die goed aansloot bij mijn vakkenpakket, een mix tussen alfa- en bètavakken. Vrij snel had ik in de smiezen dat ik er helemaal niks aan vond.

In die periode zag ik een advertentie in de krant staan van een groot landelijk bedrijf dat programmeurs zocht. De minimale eis was vwo. Zonder verwachtingen solliciteerde ik, en tot mijn stomme verbazing werd ik meteen aangenomen. Mijn plan was daar tijdelijk te werken en ondertussen wat extra vakken te halen om daarna econometrie of scheikunde te gaan studeren.

We werden met een groep van twintig jonge mensen aangenomen. Het was de tijd van de werkloosheid en de rest had allemaal gestudeerd, er zaten een geoloog en een orthopedagoog tussen. Ik was verreweg de jongste. Omdat we een opleiding van een paar maanden moesten volgen om te leren programmeren, moest je voor minimaal drie jaar blijven. Ik tekende de arbeidsovereenkomst. Hoewel ik plezier in mijn werk had, en er ook goed in bleek te zijn, kreeg ik vrij snel spijt dat ik niet had gestudeerd.

Korte nachten

Mijn hele vwo-klas studeerde en ik ging nog regelmatig met mijn oude klasgenoten op stap. Als iemand vroeg wat ik studeerde, draaide ik eromheen. Ik schaamde me dat ik al werkte. De zeldzame keer dat ik er voor uitkwam dat ik een baan had, werd er vol ongeloof op gereageerd: ‘Jij? Als er íemand zou gaan studeren, dachten we dat jij het zou zijn. Je was altijd de studiebol van de klas!’ Voor mij waren het korte nachten want ik moest de volgende ochtend vroeg op mijn werk verschijnen, terwijl zij in hun studentenhuizen de hele dag in bed lagen.

Omdat ik af wilde van de spijt en de schaamte begon ik een studie bedrijfsinformatica aan de avond-heao. Het paste goed bij mijn werk als programmeur. Ik fietste drie avonden per week helemaal naar het andere eind van de stad om college te volgen. Het eerste jaar ging het nog wel, mijn propedeuse haalde ik. Maar in het tweede jaar brak het me op. Steeds vaker viel ik op de bank in slaap. Ik vroeg aan mijn baas of ik misschien een dag minder mocht werken. Daar konden ze niet aan beginnen, stel je voor dat iedereen dat zou willen. Terwijl ik bepaald geen opgever ben, stopte ik met de studie.

Ondertussen maakte ik promotie op mijn werk van programmeur naar systeemanalist. Ik kreeg weer een dure opleiding waardoor ik opnieuw voor drie jaar moest tekenen. De automatisering verdiende goed, ik had zeker voor mijn leeftijd een hoog salaris. Mijn ouders waren trots op mij. Hoewel het een serieuze en interessante baan was, bleef het gevoel van spijt knagen. Ik had geen papiertje. Ik herinner me dat ik in die tijd met een vriendin op vakantie was naar een Grieks eiland. Op het strand ontmoetten we een stel jongens. Toen één van hen vroeg wat we deden, antwoordde mijn vriendin dat ze studeerde. Ik jokte erachteraan dat ik ook studeerde. Om de vraag voor te zijn wat ik dan precies studeerde, vroeg ik wat zij deden. De knapste van het stel antwoordde dat hij systeemanalist wilde worden. Op dat moment dacht ik: ‘Wat ben je nou helemaal aan het doen, Babette, jij bént systeemanalist!’

Impostersyndroom

De spijt bleef me achtervolgen. Toen ik 26 jaar was, ik woonde inmiddels samen, besloot ik naast mijn werk naar de Open Universiteit te gaan om sociale wetenschappen te studeren. Het was erg pittig, maar ik werkte er hard voor en haalde drie vakken. Tot ik werd gevraagd om in de eredivisie hockey te komen spelen. Die kans krijg ik nooit meer, dacht ik, en stopte met mijn studie. Ik heb een jaar eredivisie gespeeld. Daarna kon ik niet de moed meer opbrengen om weer een studie op te pakken. Op mijn werk ging het prima, ik veranderde van bedrijf, verschoof van de IT naar de hr-kant. Objectief gezien maakte ik een mooie carrière, volgde allerlei trainingen en cursussen, maar ik had last van het impostersyndroom. Ik dacht: wat ik kan, kan iedereen, want ik heb niet gestudeerd.

Diep in mij huisde de overtuiging, en waar die vandaan komt weet ik niet, in ieder geval niet van mijn ouders, dat als je niet aan de universiteit hebt gestudeerd, je niet bij het beste groepje hoort. En bij dat groepje wilde ik horen. Als je nieuwe mensen ontmoet wordt vaak gevraagd wat je hebt gestudeerd, een soort van geijkte manier om je te introduceren. Ik laat het vaak weg en meestal valt dat ook helemaal niet op. Maar voor mijzelf is dat altijd weer een besefmoment. Het moment dat ik de spijt dat ik niet gestudeerd heb weer zo nadrukkelijk voel.

Toen mijn dochters het huis uit gingen, besloot ik dat het tijd was af te rekenen met dertig jaar spijt. Ik gaf me op voor een master. Het was zwaar omdat ik het allemaal in de weekenden moest doen. Elke vrijdagmiddag dacht ik: waar ben ik ook alweer gebleven? Voor alle vakken moest je onderzoeken doen of essays in het Engels schrijven. Het zwaarste was de scriptie waarmee de master moest worden afgerond. Die klotescriptie noemde ik het hier thuis. Bloed, zweet en tranen heeft het me gekost. Maar het is gelukt. Na drieënhalf jaar ontving ik mijn mastertitel.

Diep ingesleten

Aanvankelijk heerste er een gevoel van euforie. Ik was heel trots op mezelf en iedereen vond het geweldig. Maar toen het stof was neergedaald, kwam ik erachter dat het gevoel van spijt niet was verdwenen. Blijkbaar is spijt iets dat ik me zo eigen had gemaakt dat het moeilijk was om los te laten. Schaamte en spijt zijn gevoelens die je voor een deel kunt rationaliseren, maar voor een deel ook niet. Het heeft te maken met je eigen overtuigingen. Dingen die je jezelf hebt verteld en blijft vertellen. Ik heb mezelf zo vaak de mindere gevoeld dat het gevoel van ‘fuck, ik heb niet gestudeerd’ misschien te diep is ingesleten.

Mijn omgeving vindt het alleen maar knap hoe ik carrière heb gemaakt zonder diploma. En dat ik naast mijn baan een academische graad heb gehaald. Mensen vragen hoe ik dat voor elkaar heb gebokst. Waarom lukt het mij niet om dat perspectief te hanteren? Ik schaam me ervoor dat ik nog steeds spijt heb. Er zijn veel grotere problemen in deze wereld dan niet gestudeerd hebben, terwijl ik een prima baan heb, notabene een functie voor hoogopgeleiden. Met een studie had ik hier ook kunnen belanden. Ik ben heel blij met mijn leven, wat zeur ik nou? En dan klinkt toch weer een venijnig spijtstemmetje: als ik vroeger gestudeerd had, was ik misschien wel gepromoveerd.’

Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Babette gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next