Home

Als je de herziene Canon van Amsterdam mag geloven, wortelt bijna álles in het kolonialisme

Amsterdam bestaat 750 jaar en de canon van de stad is compleet herzien, met vooral veel aandacht voor kolonialisme en slavernij. Moet zo’n verzameling vensters op het verleden een afgewogen stand van de wetenschap zijn, of een project van bevlogen ‘empowerment’?

is kunsthistoricus

Het gedoe begon allemaal met Pim Fortuyn.
Die pleitte voor de terugkeer in de klas van de ouderwetse leraar met ouderwetse autoriteit, inclusief de autoriteit van wat die leraar zou moeten overbrengen: het verhaal van een groots en samenhangend Nederlands verleden.

De gemiddelde Nederlander moest weer wat historisch bewustzijn krijgen.

Inspelend op Fortuyns gedachten schreven zijn politieke tegenstanders Jan Marijnissen en Maxime Verhagen in 2006 een pamflet in Trouw, ‘Red ons historisch besef’, waarna de minister van Onderwijs met een voorstel voor een Nationaal Historisch Museum kwam, dat zou worden gestructureerd volgens de vijftig ‘vensters’ van de Canon van Nederland.

De commissie-Van Oostrom stelde in 2006 die canon samen en noemde dat een overzicht van ‘wat iedereen in elk geval zou moeten weten van de geschiedenis en cultuur van Nederland’,‘de goudgerande basiskennis van de Nederlandse geschiedenis’.

Het onderwijs moest er zijn voordeel mee doen, want de jeugd – o, de jeugd – wist natuurlijk niets meer van de geschiedenis.

Architect Francine Houben ontwierp alvast een gebouw voor het Nationaal Historisch Museum, maar – kleine sprong vooruit – daar kwam niks van terecht. De subsidie werd in 2008 alweer weggepoetst, het gebouw werd niet gebouwd, maar die Canon stond – en had flinke gevolgen.

Een uitdijend panorama

Over het Nederlandse landschap voltrok zich een uitdijend panorama van lokale canons: de canon van Zuid-Holland, Friesland, Zeeland, Limburg, en Curaçao, van de Nederlandse natuur (wél de paardenbloem, niet het madeliefje) en de Nederlandse ‘boerennatuur’, de Nederlandse Sport, Joods Nederland, de geneeskunde, de Bijbel, de Nederlandse literatuur, de gemeenten Meijel, Rotterdam, Putten, Leeuwarden, Katwijk, Zoetermeer en het Hoogheemraadschap Rijnland.

En, in 2008, de canon van Amsterdam: de complete geschiedenis van de stad in vijftig korte episoden. Het was bedoeld als ‘inspirerend fundament’, bijdrage aan ‘gedeeld burgerschap’ en aan ‘didactische vernieuwing’.

Die canon is nu, zeventien jaar later, compleet herzien. Bij de presentatie begin november bleek dat slechts 22 van de oorspronkelijk vijftig ‘vensters’ zijn behouden, en de teksten zijn volledig herschreven.

Het project was opnieuw een opdracht van het college van burgemeester en wethouders; de herziening werd uitgevoerd ‘zonder last of ruggespraak’ door een groep van negen verstandige mensen: de hoogleraren Bart Wallet en Geertje Mak, de kunsthistoricus Tom van der Molen, de historici Paul Knevel, Tayfun Balçık, Mirjam Hoijtink, Mark Ponte en Naomi Nagtegaal, en de andragoog Jules Rijssen, die ook ‘netwerkverzamelaar’ is bij erfgoedinstelling Imagine IC.

Het college bemoeide zich er formeel niet mee, zei wethouder Rutger Groot Wassink bij de presentatie, en de burgemeester evenmin, maar het project sluit goed aan bij de stemming in het stadhuis, waar geschiedenis al langer aandacht heeft. De gemeente gaf in 2019 zelf een bundel artikelen uit over het slavernijverleden, en de burgemeester maakte er in 2021 officieel excuses voor.

En op zich is een herziening logisch, want de geschiedvorsing heeft de afgelopen zeventien jaar niet stilgestaan. Nieuwe terreinen worden blootgelegd in vrouwen-, gender- en lhbti-geschiedenis, koloniale geschiedenis, slavernijgeschiedenis, economische, medische en ecologische geschiedenis, enzovoort. Digitalisering van archieven maakt ondertussen veel ruimer bronnenonderzoek mogelijk.

De herziening is wel bijzonder grondig: maar 22 van de vijftig vensters van 2008 zijn dus behouden, waardoor je je toch afvraagt waarom zoiets nog een canon wil heten. Het begrip ‘canon’ veronderstelt immers een zekere vastigheid.

‘Het geheel van zaken, werken, personen enz. die algemeen als belangrijk worden erkend, zodat iedereen ze eigenlijk zou moeten kennen’, zegt Van Dale.

Een onmogelijke taak

De samenstelling van zo’n lijst is natuurlijk een onmogelijke taak. De keus voor het ene had ook de keus voor het andere kunnen zijn – iedereen heeft zijn mening.

De commissie noemt de canon dan ook liever een ‘verkenningstocht’, zeker niet ‘een in marmer gehouwen verzameling van te kennen gedenkwaardigheden’.

Dat is een tikje flauw, vind ik – noem het dan geen canon – maar dat is niet het probleem. Dat is de vraag: waar ís deze canon eigenlijk voor?

Is het een manier om in vijftig kernachtige hoofdstukjes de ‘goudgerande basiskennis’ van de geschiedenis van de stad weer te geven en de kennis van de jeugd bij te spijkeren? Of is het een middel om veronachtzaamde aspecten van die geschiedenis zodanig erkenning, waarde en lading te geven, dat veronachtzaamde delen van de bevolking zich in de lijst kunnen herkennen?

Is het, kortom, een afgewogen stand van de wetenschap, of is het een project van bevlogen ‘empowerment’?

De commissie is blijmoedig doorgeschoten naar het tweede. Ze heeft een canon geproduceerd waarin inzichten uit vrouwen-, gender- en lhbti-geschiedenis sterker naar voren komen, waarin aandacht is voor waterhuishouding en ecologie, en waarin nieuwe vensters zijn opgenomen gebaseerd op recent onderzoek, bijvoorbeeld over Vlooienburg, ‘de eerste multiculturele wijk van Nederland’, geïnspireerd door het gelijknamige boek van Maarten Hell.

Een ander nieuw venster is ‘Gelovige Weldoeners’, waarin de grote veranderaars Samuel Sarphati en Pieter van Eeghen worden opgevoerd.

Dat is allemaal te prijzen.

De herziening wordt echter gedomineerd door inzichten uit de koloniale en slavernijgeschiedenis. Ook die zijn in zichzelf relevant, daar kan geen misverstand over zijn. De doorwerking ervan in de samenleving vanaf de late 16de eeuw is sterker dan alleen de werkzaamheden van de VOC en de WIC. Het is volstrekt terecht dat dat in een historisch overzicht aandacht krijgt.

Maar: je kunt het ook overdrijven.

Kort door de bocht

Wie onbevangen de vensters leest, zou de indruk kunnen krijgen dat de economie van Amsterdam in de 17de en 18de eeuw geheel was gebaseerd op de exploitatie van koloniën in Suriname, Guyana en de Antillen. Dat was niet zo, maar de suggestie is overal.

Ik bleef haken achter een regel in het venster over de grachtengordel. De canoncommissie schrijft daar: ‘In de zogenaamde Gouden Bocht […] verrijzen de grootste en statigste grachtenpanden. Ze worden grotendeels gebouwd met handelskapitaal, verdiend met de handel in onder meer cacao, suiker, koffie en tabak – verbouwd op plantages waar tot slaafgemaakten het zware werk verrichten.’

Dat is niet per se onjuist, maar het is zeer onvolledig. In sommige opzichten doet het de zwarte kant zelfs tekort: er woonden in die Bocht ook echte slavenhandelaars dus, zoals Paul Godin, die het pand aan de Herengracht liet bouwen wat nu de ambtswoning van de burgemeester is.

Maar cacao, suiker, koffie en tabak zijn echt niet het hele verhaal van de Gouden Bocht. Als ík die regel over de Gouden Bocht had mogen schrijven, dan had ik geschreven dat het kapitaal voor de bouw van die huizen deels afkomstig was uit de handel in cacao, koffie, en suiker, maar in hoofdzaak uit de handel in heel veel hout en ontzettend veel graan, en verder in wol, zijde, canvas, koper, ijzer, kanonnen, wijn, zout, walvistraan, potas, touw, zand, natuursteen, enzovoort.

De focus op de kennelijke doorwerking van een koloniale houding grenst soms aan het absurde.

Er is terecht aandacht voor de Blaeu-atlas, dat ontzagwekkend hoogtepunt van drukkunst en cartografie. Maar hier meldt de canon dat op sommige kaarten werd aangegeven dat er in het nog onbekende binnenland wel eens ‘menseneters’ zouden kunnen voorkomen. De makers van de Atlas droegen met hun vierduizend kaarten dus niet zozeer bij aan het vergroten van de kennis van de wereld, als wel aan de introductie van ‘stereotypen’ die nog altijd zouden ‘doorwerken’.

Dat betekent dan dat als de firma Blaeu met grote zorg een nieuw ontdekt stukje aarde liet vastleggen, ze vooral een koloniaal vooroordeel liet spreken.

Dezelfde negatieve lading heeft ook het ‘ondernemerschap’, in eigenlijk elk venster. Vrijwel standaard wordt dat gepresenteerd als de oorzaak van uitbuiting, roof van grondstoffen, onderdrukking en slavenhandel.

Dat is correct voor de activiteiten van de Oost-Indische en West-Indische compagnieën, maar niet voor, bijvoorbeeld, de veel omvangrijkere handel op de Oostzee. Godins buurman in de Gouden Bocht, Joseph Deutz (1624-1684), verdiende bijvoorbeeld zijn geld niet met cacao, maar met een monopolie op de uitvoer van pek en teer uit Zweden.

Dat is heel andere koek.

Tunnelvisie

Het gaat nadrukkelijk niet om de waarheid of relevantie van de koloniale geschiedenis – die staat buiten kijf. Het gaat om de balans met de rest, om het vermijden van tunnelvisie en het niet opzetten van oogkleppen, zoals dat historici betaamt.

Daar heeft de commissie steken laten vallen, en dus het vermoeden gewekt dat het de oren naar het bevlogen politiek discours in de hoofdstad heeft laten hangen.

Dat oogkleppen-effect is overal merkbaar. Het is mooi dat Piet van Eeghen (1816 - 1889) hier wordt erkend als weldoener, maar het zou netjes zijn geweest om te vermelden dat óók hij zijn kapitaal verdiende in de handel op West- en Oost-Indië, en dat ook hij bij zijn overlijden aandelen in Surinaamse plantages had.

Dat de opstanden van Boni in Suriname en Tula op Curaçao genoemd worden is relevant, maar er wordt geen woord gewijd aan de antikoloniale bewegingen in Indonesië, aan Diponegoro of Kartini. Is dat misschien een gevolg van het hardnekkige idee dat de trans-Atlantische slavernij ‘erger’ was dan de Aziatische – terwijl de slavenhandel daar in feite omvangrijker was? Was er misschien niemand in de commissie die oog had voor dat deel van de wereld?

Als de Amsterdamse canon van 2025 bedoeld is om de geschiedenis van bevolkingsgroepen die in de vorige canon niet aan bod kwamen zichtbaar te maken, en die veronachtzaamde bevolkingsgroepen daarmee een hart onder de riem te steken, dan is het project geslaagd. Als het de bedoeling was een evenwichtig overzicht te geven van de geschiedenis van alle Amsterdammers in hun 750 jaar, dan is het project mislukt.

De verstandige commissie koos voor het smalle, niet het brede; voor de marge, niet het midden. Ze heeft een canon geschreven die als modieuze en politiek geëngageerde visie spoedig achterhaald zal zijn. Daar zal vooral het vertrouwen in de historische wetenschap onder lijden.

Koen Kleijn is kunsthistoricus en publiceerde De grachten van Amsterdam – 400 jaar bouwen, wonen, werken en leven (2013).

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next