De laatste bladzijde De Surinaams-Nederlandse onderwijzer en socioloog Henry Dors was zijn tijd ver vooruit met de ‘dekolonisering’ van het onderwijs. Achter zijn scherpe pen ging een vriendelijke, intellectuele man schuil die „loyaal aan zwart én wit” was.
Henry Dors in 2018.
Het was onversneden racisme dat het Utrechts Nieuwsblad in augustus 1965 publiceerde. De briefschrijver, ene M.P.H. van Houweninge, ging tekeer tegen de „grote groepen (overigens grotendeels waardeloze) buitenlanders” in Nederland – in het bijzonder de ‘rijksgenoten’ (Surinamers en Antillianen) in de grote steden. Van hen „werken er ongeveer 26% als souteneur over twee, soms drie vrouwen”, aldus Van Houweninge. Vijftig procent „heeft een baantje, doch ziet er [op] min of meer onwelriekende manier iets bij te verdienen”.
In de stroom afkeurende reacties die volgden, viel één brief in het bijzonder op. Die was van „H. Dors, hoofd ener school”. Op vriendelijke doch besliste toon weerlegde hij de cijfers in „dit naar rassenvooroordeel riekende ingezonden stuk”. Hij bood de briefschrijver aan ,,hem in contact te brengen” met rijksgenoten „die op een positieve wijze – dus geheel anders dan inzender – tot de bloei van onze maatschappij bijdragen.” En mocht deze daar niet in geïnteresseerd zijn, dan had hij een ander advies: „Waarom begint hij niet aan de oprichting van een Nederlandse afdeling van de Ku Klux Klan?”
Dit was typisch Henry Dors: conflicten proberen op te lossen door vriendelijkheid en kennis van zaken, hoe onaangenaam de ander zich ook uitdrukte. Zijn hele leven zou de Surinaamse Nederlander Dors – onderwijssocioloog en politicus – aandacht blijven vragen voor institutioneel racisme en stereotypering van zwarte mensen. Hij was een gedreven activist, maar van het intellectuele soort. „De straat ging hij niet op”, zegt zijn vrouw Agnes Steen. „Hij had zijn woorden.”
Dors groeide op in Paramaribo, de oudste van vijf kinderen. Zijn moeder was alleenstaand en werkte als wasvrouw, zijn vader speelde geen grote rol in zijn leven. Het gezin was zo arm dat Dors als tiener langs de deuren moest om sinaasappels te verkopen. School was dé manier om uit de armoede te komen. Dors kon goed leren en was ijverig: nog voordat hij de mulo had afgerond, had hij al een diploma voor hulponderwijzer op zak. „Dat leidde wel eens tot wrijving met de leerkrachten”, zegt Steen. „Hij kon een behoorlijke betweter zijn.”
Henry Dors in 1972 met schoolkinderen uit de Amsterdamse Bijlmermeer.
Zijn hele leven zou Dors een onderwijsman blijven. Eerst in Nederland, waar hij na de kweekschool opklom tot hoofdonderwijzer („hoofd ener school”) in Utrecht. Daarna terug in het – nog niet onafhankelijke – Suriname, waar hij een poging deed om het onderwijs te ‘dekoloniseren’ maar na twee jaar alweer moest vertrekken omdat het er voor hem als voorstander van de onafhankelijkheid te gevaarlijk werd.
Begin jaren zeventig streek Dors neer in Amsterdam-Zuidoost. Hij kreeg er de leiding over het ‘Bijlmerproject’, dat van overheidswege was opgezet om het basisonderwijs in de wijk te verbeteren. In het nieuwe stadsdeel woonden veel immigranten – vooral, maar lang niet alléén Surinamers – en de scholen waren daar niet op voorbereid, wat leidde tot een bedroevend laag onderwijsniveau. Met een aantal maatregelen, onder meer het instellen van een ‘sluisklas’, wist Dors de leeromstandigheden op de Bijlmerscholen in korte tijd aanzienlijk te verbeteren.
„Het onderwijs in de Bijlmer sloot in die tijd totaal niet aan op de culturele achtergrond van de kinderen”, zegt voormalig stadsdeelbestuurder Helen Burleson, die haar loopbaan begon als medewerker van het Bijlmerproject. „Dus dat probeerden we te veranderen.” Onderwijs, geloofde Dors, moest ook helpen bij emancipatie. Die gedachte was terug te voeren op zijn eigen schooltijd in Suriname, waar hij helemaal niets over zijn land en cultuur had geleerd maar wel álles over kolonisator Nederland. Burleson: „Henry wees ons op het feit dat je mensen op die manier eigenlijk hun waardigheid afpakt.”
In 1987 promoveerde Dors in de sociale wetenschappen, op een proefschrift over „vriendschap en sociale relaties in multi-etnisch samengestelde schoolklassen”. Dat onderzoek bracht hem vanzelf bij thema’s als negatieve stereotypering en discriminatie. Hij was zijn tijd vaak ver vooruit. In de jaren zeventig sprak Dors al over ‘institutioneel racisme’ – een term die pas tegen het einde van zijn leven ingang zou vinden in het publieke debat. Ook bepleitte hij al decennia geleden excuses van de Nederlandse regering voor het slavernijverleden.
Over de figuur van Zwarte Piet zei hij in 1990, twintig jaar voor de oprichting van Kick Out Zwarte Piet, in een interview met NRC: „Die tackelen we wel, dat is een kwestie van een paar jaar, dan houdt het op.” En als PvdA-deelraadslid in Amsterdam-Zuidoost stelde hij eind jaren negentig voor om niet langer het woord ‘allochtoon’ te gebruiken in beleidsstukken – een voorstel dat met algemene stemmen werd aangenomen. De huidige generatie zwarte activisten ziet hem als wegbereider, vertelt Dors’ vrouw Steen. „Toen we vorig jaar langs gingen bij de Black Archives, spraken ze daar over hem als ‘dé meneer Dors’.”
Henry Dors in 1984, tijdens een van zijn talloze lezingen.
In zijn eigen gemeenschap had Dors niet louter vrienden. Hij was kritisch over Surinaamse Nederlanders die – anders dan hijzelf – te weinig hun best deden om een plek te veroveren in de Nederlandse samenleving en bleven hangen in nostalgie naar hun geboorteland. „Henry omschreef zichzelf altijd als ‘Nederlander van Afro-Surinaamse afkomst’. Hij vond: je bent nu hier, dan moet je ook een bijdrage leveren”, zegt Helen Burleson. „En dan had hij ook nog een witte vrouw”, zegt Steen, die Dors midden jaren zeventig via het Bijlmerproject leerde kennen. „Sommige Surinamers noemden hem een bounty, iemand die zijn afkomst verloochent. Maar Henry zei altijd: ik ben loyaal aan zwart én wit.”
Tot ver na zijn pensionering bleef Dors boeken schrijven en lezingen geven, ingezonden brieven sturen en instanties bellen. Uitgevers van schoolboekjes met raciale stereotyperingen kregen een brief van hem, net als avonturenpark Hellendoorn dat een racistisch plaatje van Afrikaanse ‘kannibalen’ op een reclamefolder zette. „Ik kan me herinneren dat hij een keer vreselijk boos was toen het Bijlmer Sportcentrum een reclame op de gevel had met alleen witte mensen erop”, zegt Ronald Janssen, in de jaren negentig stadsdeelbestuurder in Amsterdam-Zuidoost.
Er was veel ten goede veranderd qua gelijkheid tussen wit en zwart, vond Dors toen NRC hem zeven jaar geleden interviewde. „Diversiteit is gewoner geworden.” Hij vond zwarte mensen in Nederland „verder geëmancipeerd, bewust van hun mogelijkheden, mondiger”. De grote Black Lives Matter-demonstraties, het de facto einde van Zwarte Piet en de slavernij-excuses van kabinet en koning moesten toen nog komen. „Dat vond hij geweldig”, zegt Steen, „al is er van de genoegdoening nog weinig terechtgekomen”.
Dors laat vijf kinderen na, uit een samengesteld gezin: drie van hemzelf uit een eerder huwelijk en twee van Steen, uit háár eerste huwelijk, die Dors als hun vader beschouwden. „De zwarte kinderen vonden allemaal een witte partner, de witte kinderen allemaal een partner van kleur”, zegt Steen. Lachend: „Dus op het persoonlijke vlak was de integratie van minderheden volledig geslaagd.”
In deze rubriek elk weekeinde een portret van iemand die recent is overleden.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC