Home

Niemand kent het gezicht van deze muzikanten, maar iedereen kent hun geluid

Van veel nummers kennen we iedere noot, iedere drumslag en ieder baslijntje. Maar wie ze heeft ingespeeld, is lang niet altijd bekend. Vier sessiemuzikanten achter wereldhits treden uit de anonimiteit.

is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.

Als hij over straat gaat, weet bijna niemand dat ze Lex Bolderdijk (74) weleens hebben gehoord, misschien wel meerdere keren per dag. Hij is een van de succesvolste gitaristen die Nederland heeft voortgebracht. Op het podium stond hij ook, maar zijn leven speelde zich vooral af in de studio’s: als dienstbare sessiemuzikant, de ultieme freelancer, oproepbaar voor iedereen.

Duizenden gitaristen wereldwijd spelen zijn solo’s na, noot voor noot. Nobody’s Wife van Anouk? Het werk van Lex Bolderdijk.

‘Ik heb die solo gewoon ter plekke geïmproviseerd, in de studio van George Kooymans in België, die het album produceerde. Hij zei: hier moet-ie komen, en dan speel je. Ik zei: zullen we voor de zekerheid nog een tweede take doen? Die is het geworden.’

Hoeveel albums hij heeft ingespeeld? ‘Geen idee joh, dat houd ik niet bij’, zegt Bolderdijk. ‘Ik heb die platen ook niet allemaal verzameld. Dan zou ik ook al die cd’s van BZN moeten hebben. Te gek hoor, die jongens waren tiptop en gezellig, ze wisten precies wat ze wilden. Maar ik zei eerlijk: ík zou die cd’s niet kopen, hoor.’

Zeker in de jaren zeventig, tachtig en negentig was een kleine groep muzikanten verantwoordelijk voor het merendeel van de Nederlandse hits. Ook bij veel bekende bands, zoals The Cats, werden de platen door sessiemuzikanten ingespeeld.

Door bassist Jan Hollestelle (78) bijvoorbeeld, die met zijn broer Hans (gitarist) tot de vroegste generatie ‘echte’ Nederlandse popmuzikanten in de studio behoorde. ‘We hadden een bandje, de Torero’s’, vertelt Jan Hollestelle thuis in Baarn. ‘De producers merkten dat we konden spelen, en dat we ook goed van blad konden lezen, omdat we klassiek waren opgeleid.’

Ook de baslijntjes van Jan Hollestelle heeft iedereen gehoord. Zijn eerste grote studioklus werd meteen een hit: Storybook Children van Sandra & Andres (1969). How Do You Do van Mouth and MacNeal werd ook in Amerika een megahit. Hij speelde voor Rob de Nijs (Zet een kaars voor je raam), Lenny Kuhr, Luv, de vroege Dolly Dots, Van Kooten en De Bie en Boudewijn de Groot. En ook met Falco (Rock Me Amadeus) ging hij de wereld over.

‘De leukste tijd was de eerste helft van de jaren zeventig’, zegt Hollestelle. ‘We kregen veel vrijheid toen, eigen input werd op prijs gesteld. We moesten het allemaal zelf uitvinden. De muzikanten, technici en producers voedden elkaar als het ware op.’

Hoe het leven van de studiomuzikant eruitzag? Volgens Bolderdijk, die in de jaren zeventig begon, zat hij ‘dag en nacht in zijn autootje’. ‘Negen uur de deur uit, sessie doen. Ook in het weekend. Eerst dacht ik: ik mag geen nee zeggen, want dan bellen ze niet meer. Ik durfde niet op vakantie. Je bent een gitaarhoer, je moet beschikbaar zijn. Later bleek dat ze me ook nog belden als ik zei dat ik pas maandag kon.’

De muziekwereld ziet er anno 2025 heel anders uit. Iedereen kan nu thuis opnemen, studio’s zijn luxe. ‘Alleen thuis opnemen, iets opsturen: daar vond ik niks aan’, zegt Bolderdijk. Konden Hollestelle en hij nog leven van enkel studiowerk, dat is nu voor heel weinigen weggelegd.

Maar hoe er in de jaren tachtig ook werd gevreesd dat de drumcomputer het werk van drummers overbodig zou maken, het zijn juist de drummers (vooruit, een select gezelschap) die het moeilijkst te vervangen blijken. Hans Eijkenaar (62) bijvoorbeeld, ziet weinig daglicht. ‘We zijn nog altijd niet weggevaagd door de techniek. Een drumtrack programmeren kost de meeste mensen dagen, terwijl ik alles in één of twee takes doe.’

Je kunt Eijkenaar horen op platen van Wolter Kroes (Ik heb de hele nacht liggen dromen) tot Kane (Damn Those Eyes). En ja, ook hij speelde op die eerste plaat (Together Alone) van Anouk.

Eijkenaar: ‘Hoe vaak producers niet hebben gevraagd of ik die break uit Nobody’s Wife nog een keer wil spelen, pfff... Dat doe ik niet hoor, dat is mijn eer te na. Ik verzin steeds iets nieuws.’

Hoeveel platen hij heeft volgespeeld, zou hij moeten kunnen zien aan de afrekening van de Sena, een organisatie die royalty uitkeert aan muzikanten die op plaatopnamen te horen zijn. ‘Maar dat overzicht is niet compleet’, zegt Eijkenaar. ‘Ik doe te veel om dat echt bij te houden.’

Het is een eenzaam bestaan: van de ongeveer vierhonderd albums heeft hij er driehonderd in zijn eentje ingespeeld. Voor de rest geldt dat de basis meestal met de bassist is gelegd. Als band alles tegelijk inspelen, gebeurt zelden nog.

Op basis van een demo maakt hij zijn eigen partij, want weinig producers beheersen nog de kunst van het uitschrijven van drumpartijen. ‘Ik let vooral op waar de zang zit’, zegt Eijkenaar. ‘Waar een stilte is, heb je de vrijheid en kan je iets leuks doen. Mensen onderschatten hoeveel invloed de drummer heeft: als ik harder speel of een accent geef, gaan andere muzikanten daarop reageren. Of ik met stokken of kwastjes speel: het eindresultaat zal radicaal anders zijn. Die keuzes in het begin zijn bepalend, dat geeft veel verantwoordelijkheid.’

Heeft hij ook ‘stiekem’ drums ingespeeld bij bands die een drummer hadden die eigenlijk niet zo goed speelde? ‘Dat heb ik een keer of twintig meegemaakt. Niet iedereen voelt zich comfortabel in een studio en mensen die beginnen kunnen dan blokkeren, terwijl de studio veel geld kost en zij anders de boel ophouden. Waarom zou je een paar dagen met iemand aanmodderen als iemand anders het in een middag kan doen? Meestal zie je mijn naam dan niet staan bij de credits, dan wordt de sessiemuzikant genoemd onder het kopje ‘Met dank aan’.’

Lex Bolderdijk, gitarist

Dat is ’m: dé gitaar waarop Lex Bolderdijk muziekgeschiedenis schreef met de solo van Nobody’s Wife. De kenners zien het natuurlijk meteen: een blonde Fender Esquire (‘een beest’) uit 1957 met een extra halselement. Zijn akoestische gitaar (een Takamine) die op de plaat te horen is, staat achteloos in de hoek. Zangeres Anouk (Teeuwe) duidt hij aan met ‘de artiest’. Botsende karakters.

‘Maar een te gekke zangeres’, zegt Bolderdijk. ‘Meestal zingen zangers bij een opname een guide in, een take die later wordt vervangen, zodat de muzikanten weten waar ze zitten. Maar zij gaf meteen 100 procent, daar kregen wij energie van. Ik vind het wel apart dat de gitaristen in haar band die solo zo precies naspelen. Ze kunnen zelf toch ook wat leuks verzinnen? Maar als ik dan hoor dat-ie tot het lesmateriaal behoort op de conservatoria, vind ik dat toch wel mooi.’

Jan Hollestelle, bassist

Nauwelijks voor te stellen: toen Jan Hollestelle als 13-jarige voor het eerst een basgitaar aanraakte, was het instrument pas tien jaar op de markt. Hoe je erop moest spelen, lag nog open. Waarop hij trots is? Zijn bijdrage aan de lp Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot, bijvoorbeeld. Ingespeeld op deze bas: een Fender Precision uit 1959.

Hollestelle heeft de bas sinds begin jaren zeventig. ‘Ik vond het leuk om een sprekende partij te maken. Soms kreeg je die ruimte niet, dan speelde ik gewoon wat er stond.’

In 2001 – hij speelde inmiddels ook bij het Metropole Orkest – nam hij een andere muzikale afslag. Na al die avonden van hoge volumes en fluitende oren wilde hij ‘muziek zonder stekkers’. Inmiddels speelt hij vooral barokmuziek. ‘En ik heb een akoestische basgitaar en een contrabas gebouwd, dat gaf veel voldoening.’

Ronald Kool, toetsenist

Toetsenisten hebben een andere rol in de sessiewereld, zegt Ronald Kool (56). Veel producers spelen immers zelf hun toetsenpartijen, dus moet de toetsenist het naar verhouding meer van optredens hebben. De laatste jaren legt Kool zich steeds meer toe op arrangeren, zelfs voor het Concertgebouworkest. Toch is ook zijn discografie niet mis.

Zijn opmars begon vanuit de kleinkunst, in de band van Karin Bloemen. Hij bedacht de ‘hook’ op de piano van Bloemens begrafenis-hit Geen kind meer. Maar hij speelde ook met René Froger, Candy Dulfer en (daar hebben we haar weer) Anouk (onder meer op Hotel New York). En hij zat drie jaar in Kane.

De synthesizer die hij bijna altijd meeneemt naar sessies, is deze Minimoog. ‘Ik heb hem ooit op de kop getikt op de Utrechtse Oudegracht voor een optreden met Kane in Tivoli. Dit geluid prikt overal doorheen, of je nou rock, hiphop of r&b speelt.’

Hans Eijkenaar, drummer

‘Ik stel me niet op als al te volgzame drummer, ik ben geen ambtenaar’, zegt Hans Eijkenaar. Producers boeken hem graag om zijn grote geluid. ‘Je wordt altijd gestereotypeerd naar een bepaalde plaat die je hebt gemaakt. Het is te vergelijken met casting. Producers en artiesten denken: wat voor type heb ik nodig? En ik speel 20, 25 procent harder dan de gemiddelde drummer.’

Toch is een van zijn grootste hits Ik heb je lief van Paul de Leeuw. ‘Dat kwam alleen omdat zijn eigen drummer, Marcel Serierse, op vakantie was. Hij baalt daar nu nog van.’

Maar hoe goed de sessiemuzikanten ook zijn, je krijgt pas een hit als het nummer en de zang goed zijn, zegt Eijkenaar. ‘Als het nummer zwak is, heeft het niet veel zin om ons in te huren. Goede nummers ingespeeld door mindere muzikanten maken meer kans dan andersom. Met goede muzikanten hoor je alleen pijnlijker dat het nummer zelf niet werkt. Wij hebben goed materiaal nodig om te kunnen floreren.’

Meer magazine

Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next