Home

Michel Foucault was een volstrekt originele denker die altijd nadacht op het scherpst van de snede

Filosofie Michel Foucault was zonder twijfel een van de grootste denkers van de twintigste eeuw. Hij bevroeg schijnbaar vanzelfsprekende verschijnselen zoals seksualiteit, het schoolsysteem en het gevangeniswezen. Nooit nam hij daarbij genoegen met bestaande antwoorden, ook niet die van hemzelf.

Michel Foucault in Parijs, in 1984.

De academische filosofie mag vandaag de dag gedomineerd worden door Angelsaksische analytische denkers, maar de Fransman Michel Foucault (1926-1984) is nog altijd de meest geciteerde filosoof in de geesteswetenschappen. Ook buiten de universiteit blijft hij mensen aanspreken. Het is niet moeilijk in te zien waarom. Soms lijkt zijn werk abstract, maar Foucault kan meeslepend en verrassend schrijven over heel concrete ervaringen die in onze dagelijkse levens spelen: seksualiteit, lichamelijke en geestelijke ziekte en gezondheid en de macht die in instituties als het onderwijs, de medische zorg en de economie over mensen wordt uitgeoefend. Hij heeft fascinerende bladzijden gewijd aan de geboorte van de moderne kliniek (met name onder Boerhaave in Leiden), en aan de moderne psychiatrie. Ook gaf hij al in 1979 colleges over de geschiedenis van het neoliberale economische denken, die nog altijd niets aan actualiteit hebben ingeboet.

Michel Foucault, Archeologie van het weten. (L’archéologie du savoir). Vert. Jeanne Holierhoek. Boom, 278 blz. €34,90

Foucault is met name sterk in het zichtbaar maken van vormen van macht die met wetenschappelijke kennis zijn verbonden, maar hij is geen scepticus of antivaxer die wetenschappelijke waarheid ontkent. Evenmin is hij een marxistisch angehauchte ideologiecriticus die schijnbaar ware en objectieve wetenschappelijke kennis probeert te ontmaskeren als bourgeoisideologie, en dus als onwaar.

Volgens Foucault – en dat is het radicale van zijn positie – is wetenschap juist een vorm van macht in zoverre ze waar is. Dat punt is zo radicaal en origineel dat het, ook veertig jaar na zijn dood, nog niet is ingezonken: het valt evenmin in te passen in het naïeve liberale geloof in wetenschappelijke objectiviteit en rationaliteit als in marxistische maatschappijkritiek. Zijn analyses maken het mogelijk om medische ingrepen als elektroshock, lobotomie of lockdowns te analyseren, en bekritiseren, als vormen van macht over of geweld tegen lichamen, zonder in sceptische twijfel over de geldigheid van medische kennis te vervallen. Coronasceptici hadden Foucault dus niet zonder meer aan hun kant gevonden. 

Daardoor blijft Foucaults werk nog altijd iets ongrijpbaars houden. Die ongrijpbaarheid irriteert sommige lezers. Met enige regelmaat zie je dan ook pogingen om hem op één punt onderuit te halen of te cancelen. Zulke aanvallen zijn vaak even gemakzuchtig als malicieus. Zo noemen linkse tegenstanders hem een closet-neoliberaal (onzin), en volgens rechtse vijanden was hij een maoïst (onzin) en verwelkomde hij geestdriftig het regime van ayatollah Khomeini in Iran (ook onzin) of had hij tegen betaling seks met minderjarige jongens (een perfide leugen). Maar lezers die bereid zijn hun eigen vooroordelen op te schorten of ter discussie te stellen, kunnen veel aan Foucault hebben.

Behagen in ongrijpbaarheid

Foucault zelf schepte een zeker behagen in zijn ongrijpbaarheid. Toen een student hem vroeg of hij een filosoof of een historicus was, antwoordde hij: „geen van beide”. Zijn werk valt ook niet te assimileren tot enerzijds het liberale humanisme en anderzijds de dialectiek van Hegel, Marx en hun volgelingen van de Frankfurter Schule. Eerder kun je zijn insteek ‘anti-humanistisch’ noemen. Dat klinkt nogal eng; maar er zit een coherente methodologische, filosofische en politieke visie achter.

Filosofisch gezien, betoogt Foucault, is de mens als transcendentaal (voorafgaand aan empirische beperkingen), autonoom en radicaal vrij subject niet het eeuwige en tijdloze fundament van alle kennis: dat subject behoort bij typisch moderne denkvormen. Methodologisch gezien berust ‘de mens’, als object van wetenschappelijke kennis, op conceptuele aannames die pas in de negentiende eeuw zijn ontstaan, en die ook weer kunnen – en volgens Foucault zullen – verdwijnen. Politiek gezien zijn in de twintigste eeuw juist de gruwelijkste misdaden tegen individuele mensen gepleegd uit naam van het heil of de bevrijding of emancipatie van de mensheid als geheel.

In De woorden en de dingen (1966) traceert Foucault de recente verschijning van ‘de mens’ met de opkomst van de moderne menswetenschappen; en in het nu vertaalde Archeologie van het weten (1969) probeert hij de geschiedschrijving van deze wetenschappen te bevrijden van alle humanistische aannames. Zodoende analyseert hij wetenschappelijke kennis hier niet langer als de uitdrukking van een onderliggend bewustzijn, maar als het product van ‘anonieme’, dat wil zeggen subjectloze vormingsregels.

Anders gezegd: hij spreekt niet langer over kennis in termen van mentale toestanden, maar in termen van ‘discoursen’, ofwel gestructureerde groepen van uitspraken: zo bezien zijn taaluitingen niet het werk van een scheppende of sprekende mens, maar het resultaat van abstracte en anonieme regels, die de vorming van discoursen beheren. Dat levert stevige en uitdagende leeskost op, maar Foucault nodigt zijn lezers uit om op een fundamenteel andere manier over de mens en de geschiedenis te denken.

Spreken is handelen

Wat probeert Foucault nu precies in dit veeleisende, maar lonende boek te doen?  Op een eerste niveau is het een methodologische discussie die, uitgaand van de geschiedschrijving van de longue durée of ‘lange duur’ van de historicus Fernand Braudel, zich keert tegen Hegels en Marx’ visie dat de geschiedenis één continue ontwikkeling kent. In De woorden en de dingen (1966) had Foucault al de nadruk gelegd op de discontinue geschiedenis van disciplines zoals taalkunde, biologie en economie: die geschiedenis vertoont geen gestage kennisgroei, schrijft hij, maar ‘breuken’ of ‘mutaties.’

Dat argument vertoont interessante overeenkomsten met wat wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn ‘wetenschappelijke revoluties’ noemt. De moderne biologie, economie en taalwetenschap gaan volgens Foucault letterlijk over heel andere dingen dan ogenschijnlijke voorgangers in zeventiende eeuw zoals natuurlijke historie, de analyse van rijkdom en de studie van woorden. De Archeologie van het weten werkt die methodologische nadruk op discontinuïteit verder uit.

Op een tweede niveau voert Foucault hier een discussie met zijn marxistische leermeester Louis Althusser, die in de jaren zestig probeerde de hegeliaanse en marxistische dialectiek te ontdoen van de laatste idealistische en humanistische aannames. Volgens Althusser is Hegels humanisme van Geist en bewustzijn een restant bourgeoisideologie dat in een waarlijk wetenschappelijke theorie van de samenleving niet thuishoort.

Foucault deelt de kritiek op dit humanisme, maar ontwikkelt een alternatief dat geen enkele concessie aan het marxistische vocabulaire doet. Hier geen verwijzingen naar Marx en Engels, laat staan Lenin, Mao of Stalin zoals in die tijd gebruikelijk was, en geen discussies over productiemiddelen of klassenstrijd. Zodoende is Archeologie van het weten ook een radicale verwerping van het marxistische denken over geschiedenis.

Maar het boek heeft nog een derde niveau: een dialoog met de analytische taalfilosofie. Je ziet hier duidelijke sporen van Ludwigs Wittgensteins beschrijving van taalgebruik als een praktijk of ‘taalspel’, en van de zogeheten taalhandelingstheorie van de filosofen J.L. Austin en John Searle. Die convergentie met analytische taalfilosofie mag verrassend zijn – ze verraste ook Foucault zelf. Begin jaren zeventig ontmoette hij Searle aan de universiteit van Berkeley in Californië. Ze bleken gemeen te hebben dat ze werkten aan een soort taalhandelingstheorie; taal en spreken beschouwden beiden als een vorm van handelen.

Inderdaad wil Foucault in Archeologie van het weten laten zien dat „spreken het verrichten van een daad is – en wat anders dan het uitdrukken van je gedachten” (een zin die in Holierhoeks Nederlandse vertaling niet helemaal uit de verf komt.). Hij probeert de regels te beschrijven van daadwerkelijk gedane uitspraken en van de effecten die uitspraken kunnen hebben, een beetje zoals Searle de regels formuleert voor taalhandelingen zoals dopen, beloven en een eed afleggen.

Zodoende voltooit Foucault in dit boek de ‘talige wending’ die hij in eerdere boeken al had ingezet: steeds radicaler herformuleert hij vragen over kennis en bewustzijn in termen van taal en taalgebruik. In een duidelijke toespeling op Nietzsche concludeert hij dat we na de dood van God niet moeten geloven dat de mens een veel langer leven beschoren is: net zoals Nietzsche God afwijst als fundering van de moraal, zo verwerpt Foucault de mens en het bewustzijn als het fundament van het weten, en als de oorsprong van het spreken.

Moraal van bureaucraten

Archeologie van het weten is het laatste nog bij leven van de auteur verschenen boek dat in het Nederlands is vertaald. Jeanne Holierhoek heeft een heroïsche poging gedaan om Foucaults elegante maar veeleisende Frans om te zetten in leesbaar Nederlands. Foucault schrijft uitgesproken mooi, maar moeilijk; gezien die enorme uitdagingen is Holierhoeks vertaling alleszins leesbaar en soepel. Wel zijn sommige vertaalkeuzes betwistbaar. Zo wordt énoncé hier onvertaald gelaten, terwijl ‘uitspraak’ toch vrijwel alle nuances van het Franse woord vat.

De woordenlijst achterin het boek, samengesteld door Machiel Karskens en Henk Oosterling, zal niet-specialisten en beginnende lezers niet veel verder helpen: ze legt Foucaults centrale begrippen uit in nóg abstracter filosofisch jargon, dat soms ronduit misleidend is. Zo is discours voor Foucault geen „talige uiteenzetting van het denken.” Hij bestrijdt juist uit alle macht het idee dat taal een uitdrukking van mentale toestanden is. Een gemiste kans.

Archeologie van het weten had het beginpunt kunnen zijn van een nieuw wetenschapshistorisch vakgebied; maar toen het uitkwam, hadden Foucaults ideeën zich alweer verder ontwikkeld: hij begon nu kennis te onderzoeken in samenhang met specifieke vormen van macht – een project dat zou leiden tot meesterwerken als Discipline, toezicht en straf en De geschiedenis van de seksualiteit – een serie waarvan de invloed op later historisch onderzoek moeilijk overschat kan worden.

In de laatste jaren, met name sinds het vrijgeven van Foucaults literaire nalatenschap een jaar of tien geleden, is duidelijk geworden dat Foucaults denken nog rijker en complexer was dan lange tijd is gedacht. Zijn archief omvat zo’n honderd verhuisdozen vol uitgetikte lezingen, aantekeningen en zelfs afgeronde manuscripten van nooit gepubliceerde boeken. Daarvan worden nu jaarlijks gemiddeld zo’n drie boeken uitgegeven.

Het verbazingwekkende is dat elk van die uitgaves weer verrassingen oplevert. De eerste van deze nieuwe publicaties was Bekentenissen van het vlees (2018), het vierde en vooralsnog laatste deel van de Geschiedenis van de seksualiteit; vorig jaar kwam een omvangrijk boek met colleges over Nietzsche uit; inmiddels zijn ook zijn verzamelde radiogesprekken uitgegeven als Entretiens radiophoniques 1961-1983. Hier geen gemakzuchtig gebabbel zoals bij Nederlandse praatprogramma’s, maar fascinerende dialogen en regelrechte hoorcolleges over filosofie, literatuur, theater, geschiedenis en meer. Foucault schudt ze moeiteloos uit zijn mouw en presenteert ze zonder haperen.

Deze nieuwe golf publicaties maakt duidelijk dat Foucaults denken voortdurend in beweging bleef. Elk boek dat hij schreef was – ook voor hemzelf – een ontdekkingsreis. Die volstrekte originaliteit verklaart zowel de moeilijkheid als de fascinatie van zijn werk – een fascinatie die hij ook vier decennia na zijn dood blijft uitoefenen. Steeds opnieuw bevraagt hij alledaagse en schijnbaar vanzelfsprekende gegevenheden zoals taalgebruik, seksualiteit, het schoolsysteem en het gevangeniswezen. Nooit neemt hij genoegen met bestaande antwoorden – ook niet met zijn eigen eerdere antwoorden.

In de inleiding van Archeologie van het weten vraagt een denkbeeldige lezer hem vertwijfeld waarom hij in dit boek nu alwéér van opvatting is veranderd. Foucaults antwoord: „Vraag me niet wie ik ben en zeg me niet dat ik dezelfde moet blijven: dat is een moraal van bureaucraten en toezichthouders die onze papieren controleren, maar die ons onze vrijheid moeten laten wanneer het op schrijven aankomt.” Foucault schreef letterlijk om iemand anders te worden. Dat kunnen maar weinig filosofen hem nazeggen en het maakt hem tot een van de grootste denkers van de twintigste eeuw.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next