Bijdehante debutanten, onverwacht poëtische romans. Veel oorlog, Gaza en klimaat, moeilijke mannen en afgeserveerde mannen: het was een onstuimig jaar in boeken, net als in echte wereld.
Hoeveel relaties zijn er in crisis geraakt na het verschijnen van Beladen huis (Atlas Contact, januari) van socioloog Christien Brinkgreve?
Zonen Daan en Thomas schreven al romans geïnspireerd door het overlijden van hun vader, mediamens Arend Jan Heerma van Voss. Maar het was het weinig tot niets ontziende relaas van de weduwe dat naar de top van de bestsellerlijst marcheerde. Het verhaal gaat over een vrouw die zich buiten de deur als feminist beweegt, maar zich binnenshuis in het patriarchaat gevangen voelt. En passant introduceerde Brinkgreve de term ‘empathiekloof’: die tussen vrouwen die zichzelf wegcijferen voor hun huwelijk en mannen die onbekommerd hun humeur de vrije loop laten.
Deze week blikt katern Zondag terug op romantrends, de hete literaire hangijzers, opvallers en uitglijders. Volgende week is de officiële top tien aan de beurt: de tien beste boeken van 2025. Ga er maar voor zitten.
Het boek maakte in talloze leesclubjes heel wat los: waarom bleef ze bij hem? En: herkenden de (vrouwelijke) lezers hun eigen huwelijk hierin?
Ook mannen mailden Brinkgreve, vertelde ze in een van de vele interviews die ze gaf, met de vraag of ze hun relatiecoach wilde zijn. Misschien zijn er dus ook wat crises afgewend.
Eigenlijk had het CPNB de onthulling van de schrijver van het boekenweekgeschenk theatraler moeten aanpakken. Met een presentatrice op de rode loper die roept ‘En de winnaar is…!’, en dat dan die winnaar uit een kanon werd geschoten. Of skydivend op het Boekenbal was geland.
Dit keer was het schrijven van het Boekenweekgeschenk geen ereopdracht, zoals normaal, geen kroon op een carrière. Het was een wedstrijd; schrijvers mochten hun manuscripten anoniem insturen. De jury koos blind.
Het was, op boekenborrels, een fijn gezelschapsspel. ‘Ik heb gehoord dat die en die heeft ingestuurd…’ Wekenlang gingen namen rond, tot er een uit de hoge hoed kwam: Gerwin van der Werf was de winnaar, met De krater. Over de vader van de jonge Eden, wiens vader uit het leven stapte en zo – titelverklaring – een gapend gat achterliet.
In deze krant oordeelde Bo van Houwelingen: ‘Innemend vanaf de eerste pagina.’
‘De moeder aller comebacks’, zo schreef The Guardian over Dream Count (De Bezige Bij, maart) van de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie. Twaalf jaar liet de schrijver van Americanah (2013) haar fans wachten op een nieuwe roman. Haar debuut en het pamflet We Should All Be Feminists bezorgden haar een popsterrenstatus.
Op het International Literature Festival Utrecht sprak ze dit jaar voor een stampvolle zaal over haar boek. The Times oordeelde: een feministische Oorlog en vrede.
Maar: moeder boven moeder, want na twintig (!) jaar keerde de Indiase Booker Prize-winnaar Kiran Desai terug met een nieuw boek, dat meteen de shortlist van die prijs haalde. In het migratie-epos De eenzaamheid van Sonia en Sunny (De Bezige Bij, oktober), over de ambities van de Indiase middenklasse, spelen twee schrijvers de hoofdrol. Ze wonen allebei in Amerika, met heimwee naar hun thuisland. Hun families doen een poging om ze met een gearrangeerd huwelijk van hun moderne eenzaamheid te verlossen.
‘Wie zegt dat de grote roman dood is?’, jubelden critici over Desai. Hier is het, dat ambitieuze meesterwerk.
Er zijn van die boeken waarin je het zweet van de schrijver nog ruikt. Zie hem – het is meestal een man – zitten, de mouwen opgestroopt, de handen boven het toetsenbord, een vurige blik in de ogen. Want deze roman moet iets bijzonders worden. Een historisch verhaal bijvoorbeeld, dat tegelijkertijd iets zegt over deze tijd. Doorwrocht, zintuigelijk, verpletterend. Minstens vierhonderd pagina’s. Met stilistische brille, uitbundige metaforen, maar ook iets aards.
Modder, sowieso moet er modder in. Oorlog. Geweld. Liefde.
Dit jaar verschenen er drie romans die gekenmerkt worden door een ietwat obsessieve ambitie. In Aan het einde van de oorlog (Thomas Rap, januari) van Bert Natter worden 24 afschuwelijke uren in een concentratiekamp tot in detail naverteld; de lezer bevindt zich afwisselend in de hoofden van de nazi’s en de Joodse gevangenen. Alle registers gaan open in dit doordenderende, dik aangezette proza: van gruwelijk tot absurd, van ontroerend tot sentimenteel. Met de Sonata Pathétique van Beethoven als soundtrack.
In het voorjaar verscheen Tandenjager (Ambo Anthos, mei) van Auke Hulst, die zijn tanden op elkaar zette voor een kloeke, in de vroege 19de-eeuw gesitueerde gothic novel met sociaal-geëngageerde inslag. De slagvelden van Waterloo worden afgewisseld met de rijkelijk gestoffeerde salons van de Engelse adel, rotte tanden vervangen door puntgave gebitten en erotiek door bloedzuigerig geweld.
Tenslotte was daar De wonderen (De Bezige Bij; november) van Jeroen Olyslaegers, ook zo’n schrijver die niet terugdeinst voor pathos met hoofdletter P. Hij vertelt het verhaal van Amandine en Ambrose, een tweeling die opgroeit in een strenge Antwerpse bankiersfamilie. Zij wordt uitgehuwelijkt aan een bankier, hij stort zich in een destructief bohemien bestaan. Samen bezoeken ze mysterieuze seances en ondertussen is het nog oorlog ook.
Zomaar een zinnetje: ‘Mijn zoon zit in de loopgraven om zijn christenziel te vrijwaren in de modderpoelen van de dood.’
De letteren, die sluip je niet stilletjes binnen, nee, bij voorkeur is zo’n entree denderend, oorverdovend. Dat kan ’m al zitten in een titel: Slimste Mens-winnaar en dichter Martin Rombouts viel op met Boek 1 (Das Mag, maart), een titel waarmee hij impliceert dat we nog lang niet van hem af zijn.
Op de achterflap spreekt hij van zijn ‘hemelbestormende debuutroman’, Rombouts schrijft over Rombouts. IJdel misschien, maar onze recensent overwon haar aanvankelijke weerzin en zag ook oprechtheid in Rombouts schrijven – Boek 2 moet er toch maar komen.
Nog zo’n vuige titel: Het gore lef van Sarah Arnolds (Das Mag, juni), zeven verhalen over liegen. Jammer eigenlijk, dat debuteren met een verhalenbundel niet zo gebruikelijk is in Nederland, want Arnolds bewijst dat je in dit genre perfect kunt laten zien wat je als schrijver in huis hebt. Een man laat zich door een vriendin slaan met een vis. Een dochter probeert haar moeder te beschermen tegen de geluiden uit de buitenwereld. Absurdistisch, magisch-realistisch, fijnbesnaard: Het gore lef is het allemaal.
De spiegel is het fragielste toevluchtsoord dat de mens bezit, schrijft dichter Alara Adilow in haar prozadebuut. De Volkskrant riep haar eerder uit tot literair talent van 2024, en in het groteske Kijk es naar al dat licht (De Bezige Bij, september) maakt ze die belofte al crack rokend, gangbangend en gouden kreeftenpoten etend waar. Haar personages sjouwen hun rusteloze spiegelbeelden met zich mee, zijn altijd in transitie.
Ook dichter Yasmin Namavar is in haar indrukwekkende debuutbundel Verblijf (Jurgen Maas, maart) even gejaagd – voor de Iraans-Nederlandse is geen enkele plek een vanzelfsprekendheid, verblijven betekent bewegen, met alleen jezelf als constante.
Nee, hij leefde niet in de veronderstelling dat zijn boek One Day, Everyone Will Have Always Been Against This de ellende in Gaza direct zou verminderen, zei de Amerikaanse Omar El Akkad eerder dit jaar in de Volkskrant. Maar: ‘Ik denk dat het boek eraan heeft bijgedragen dat mensen zich iets minder alleen voelen.’
In Nederland zorgden met name Maurits de Bruijn met Geweten (Das Mag, april) en Sinan Çankaya met Galmende geschiedenissen (De Bezige Bij, april) ervoor dat de honderdduizenden Rode Lijn-demonstranten zich minder alleen voelden.
Twee bestsellers, twee boeken die er niet om logen. Die opriepen voluit het woord ‘genocide’ te gebruiken voor wat het Israëlische leger de Gazaanse bevolking aandeed. Die waarschuwden voor retorische bothsidisme, of zoals de Joodse De Bruijn opmerkte: ‘Ik waak voor het korset van bruggenbouwers, omdat het suggereert dat, waar het Israël en Palestina betreft, je op een gerechtvaardigd midden kunt uitkomen: een beetje genocide is wel goed.’
Çankaya zag in de westerse terughoudendheid om het Israëlische bewind te bekritiseren een diep moreel falen, die voortkwam uit – zei hij in de Volkskrant – ‘een koloniale, verheven, witte blik op de wereld, die bepaalt welke levens waardig zijn en welke minderwaardig.’
In de VS heeft One Day, Everyone Will Have Always Been Against This inmiddels de National Book Award voor non-fictie gewonnen.
Was dit het dikste boek van het jaar? Of in ieder geval het zwaarste? Ga er maar aanstaan. Veertig jaar poëtische vernieuwingsdrift en hooggestemde idealen, te peuren uit honderden dichtbundels, kritieken, brieven, interviews. De uitkomst: een niet weg te leggen, bijna filmische literatuurgeschiedenis over de Nederlandse poëzie tussen 1900 en 1940.
Ruim baan voor de usual suspects, natuurlijk, Kloos met zijn ‘allerindividueelste expressie’, Gorter met zijn Mei, maar ook – juist – voor het werk van zo goed als vergeten geesten (Alice Nahon, ooit van gehoord?).
Dertig jaar werkten oud-hoogleraren Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn aan Een nieuw geluid – De geboorte van de moderne poëzie in Nederland, 1900 - 1940 (Prometheus, april). Ruim 1.200 pagina’s telt hun studie. Dat ze het werk hebben volbracht, is al een prestatie. Dat er zo’n ravissant boek uit is voortgekomen, kun je alleen maar bewonderen.
Weinig zo moeilijk als het schrijven van een guur, op het eerste gezicht onherbergzaam boek. Hoe krijg je een lezer bijvoorbeeld zonder tegensputteren mee naar het grijze, winderige IJmuiden, waar hij de protagonist mishandeld, uitgebuit en beschimpt ziet worden?
Nadia de Vries is in Overgave op commando (Pluim, april) aanstekelijk op hol geslagen: haar held Schelvis krijgt gruwel na gruwel na gruwel te verstouwen. Dat krijg je, als je Iemand wilt worden, dat verdomde dorp aan zee wilt ontgroeien: liters pus en paardenbloed om op te ruimen. Hoe ranzig ook, Schelvis gaat de wereld monter te lijf. Deze held leeft!
Joost, het hoofdpersonage uit Marente de Moors De bandagist (Prometheus, maart), ademt door zijn mond als hij moet werken. Hij is bandagist, compressietherapeut, iemand die met zwachtel en steunkousen afvoerstoornissen van bloed en lymfe bestrijdt. En dat ruikt.
Al zwachtelend ziet Joost, 29 jaar, zich steeds meer verbonden met de welgestelde boomers die het leven leiden dat hem beloofd was, maar waar hij als dakloze millennial niet bij kan. De Moor schrijft met hoofd én hart, wat de De bandagist lekker genrefluïde maakt; dit boek, genomineerd voor de Boekenbon Literatuurprijs, is een maatschappijkritiek, gothic novel en weeïge boomerklucht in één. Verrukkelijk leesvoer (met de neus dicht, dan).
‘Uiteindelijk loopt het altijd goed af, daaraan zijn we gewend geraakt’, schrijft Carlo Masala, hoogleraar internationale politiek in München op de eerste bladzijde van het volkomen fascinerende Als Rusland wint (Prometheus, april). Is het roman? ‘Een Scenario’ is de ondertitel.
Hij schrijft het zo droog op als maar kan: 2028, Rusland valt Estland binnen. De EU en de Navo moeten zich verenigen. Masala volgt stapsgewijs de vergaderingen die moeten volgen, de besluiten die goed moeten uitpakken wil het Westen een vuist tegen Rusland kunnen maken. En hij laat zien: er hoeven maar een paar sleutelfiguren te treuzelen, en we zijn kansloos. Wen maar eens aan dat scenario, lijkt Masala tegen zijn honderdduizenden lezers in Duitsland en Nederland te zeggen.
Het is niet zo dat de lezer niet meer op de slagvelden komt. Nog steeds worden de stranden van Normandië beschreven, en de vervallen fabriekshallen van Stalingrad. Maar steeds meer oog is er voor de kantoortuinen waar de oorlog ook woekerde.
In De tien van Den Haag (Boom, april) beschrijft Stephan Steinmetz slim en inzichtelijk waarom zoveel topambtenaren op hun plek bleven zitten toen de nazi’s in 1940 Den Haag overnamen. ‘Jongeman’, waarschuwde Leo Trip, de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, een jongere collega. ‘Wij hebben een eerste stap op een hellend vlak gezet.’
Die waarschuwing kwam niet hard genoeg aan. Vanuit het idee dat ze zo ‘erger konden voorkomen’ bleven ze aan, totdat de Duitse bezetter hun geklaag over razzia’s en tewerkstellingen saai begon te vinden.
Iets soortgelijks beschrijft Jeroen Kemperman in het tragische Een kwestie van uitvoering (Querido, mei), over de gemeente Amsterdam tijdens bezetting. Veel ambtenaren hoopten met de bezetter te kunnen samenwerken, hem misschien zelfs een beetje te manipuleren. Dat was wensdenken, moge duidelijk zijn. Tachtigduizend Amsterdamse Joden werden afgevoerd. Ambtenaren deden er niks tegen.
En ambtenaren hadden dat kunnen aanvoelen. Kemperman beschrijft een pijnlijke anekdote van een Amsterdamse wethouder, tegen wie een Duitser monter zegt: ‘Het is toch een wonderlijk gevoel als men alles kan. Wanneer wij nu zeggen dat die Beurs (van Berlage, red.) moet worden afgebroken, dan gebeurt dat.’
Geert Mak zocht de oorlog niet in kantoren, maar aan vergadertafels: zijn bestseller Wisselwachter – Amerika-Europa 1933-1945 (Atlas Contact, april) beschrijft bevlogen de onderhandelingen tussen Roosevelt, Stalin en Churchill. Een soldaat kan geen genade hebben, maar zoals wereldleiders een landkaart kunnen verdelen – dat is net zo ijzingwekkend.
En dan was er de oorlog in de archieven. Vrij letterlijk: oorlog om wie een plekje kon krijgen.
In januari openden de deuren van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) in Den Haag en vanaf dat moment liep het storm voor plekken om door het archief te gaan van mensen die veroordeeld waren voor collaboratie of andere oorlogsfeiten.
Mensen zochten hun vaders, hun opa’s. Ze vroegen af of het meeviel of niet.
Voor columnist Sheila Sitalsing viel het niet mee, zoals ze schrijft in haar voor de Boekenbon Literatuurprijs geshortliste Waar ik me voor schaam (De Bezige Bij, april). De bruine archiefdozen openbaarden niet alleen het NSB-verleden van haar opa, maar dwongen haar ook – zoals waarschijnlijk zoveel bezoekers van het CABR – om na te denken waarom haar moeder daarover altijd had gezwegen.
De kinderen van foute ouders konden een conflict in hun hoofd krijgen, schrijft ze: of ‘een leven lang zwijgen, of het boetekleed aantrekken’.
Historicus Chris van der Heijden zweeg in Over de rand laait vuur (Boom, maart) niet over zijn vader. Nee, hem veroordelen kon hij niet, zei hij, toen de Volkskrant hem ernaar vroeg. ‘Ik ben nu te oud om er (de retoriek van het fascisme, red.) nog in te trappen, maar als ik 20 was geweest, weet ik niet wat ík gedaan zou hebben.’
Voelden zijn ouders verderweg of dichterbij, met het schrijven van dit boek? ‘Heel veel dichter’, antwoordde Van der Heijden. ‘Ik ben anders over ze gaan denken. Líéver.’
Probeer nog maar eens een boekhandel te vinden zonder een ‘romance’- dan wel feelgoodkast. En toch komt de beste feelgood uit onverwachte hoek, in dit geval uit een roman uit 1982 die nu pas is vertaald: Barbara Trapido’s De minder bekende broer van Jack (De Geus, april).
Het was het perfecte zomerboek. Eerstejaars student Katherine wordt uitgenodigd door haar nieuwe charismatische hoogleraar filosofie (‘Ik heb je laten komen omdat jouw schoolhoofd zo’n ongunstig verslag over je heeft geschreven dat jij best nog wel eens intelligenter zou kunnen zijn dan het hoofd.’) om de zomer door te brengen met zijn luisterrijke, achteloos chique familie. Waarop Katherine op de ene na de andere zoon verliefd wordt.
Is het raar om Margaret Atwoods memoires Boek vol levens (Prometheus, november) feelgood te noemen? Het is in ieder geval een romantisch liefdesverhaal, dat van Atwood en haar levensgezel Graeme Gibson. Natuurlijk vertelt de schrijver ook over haar fascinerende jeugd (grotendeels in de Canadese bossen), haar literaire werk (baanbrekend en indrukwekkend), maar het hart van haar memoires is toch Gibson, haar in 2019 overleden partner die verliefd op haar werd toen ze de hand las van een gezamenlijke vriendin. En hij overmand werd door het verlangen dat Atwood niet haar, maar zijn hand zou vasthouden. Feelgood op z’n best, en ook nog echt gebeurd.
Terwijl de zeespiegel stijgt en de zesde uitstervingsgolf voortdendert, blijven er boeken verschijnen die ons de ogen willen openen:
In Leeft een rivier? (Athenaeum, mei) geeft de Britse bestsellerauteur Robert Macfarlane een stem aan de rivieren die altijd in dienst hebben gestaan van de mens, en nu bedreigd worden door droogte en vervuiling.
Charlotte van der Broeck won de Boekenbon Literatuurprijs voor haar essay Een vlam Tasmijnse tijgers (De Arbeiderspers, september 2024) , over dat mooie uitgestorven dier dat helemaal geen tijger is, zoals in de horrorverhalen die er de ronde over deden, maar een vleesetende buidelrat. Ze bekritiseert de taal waarin we over uitsterving praten; bijna altijd in de verleden of de toekomende tijd, ‘wat de illusie creëert dat er afstand is, dat er tijd is, maar het gebeurt nu’.
Ook de grote Ian McEwan filosofeert over de rol die taal speelt in onze relatie met de natuur. Maar of hij daarmee nu aan de kant van deze klimaatschrijvers staat? Want ook hij waagde zich met Wat we kunnen weten (De Harmonie, augustus) aan een klimaatroman, al speelt de zijne in de toekomst. Engeland staat grotendeels onder water en we durven ons niet eens af te vragen wat de toestand van Nederland dan zal zijn.
McEwan zou McEwan niet zijn als zijn hoofdpersonages niet eikelig waren; hij bedenkt de grote poëet Francis Blundy, die schitterend over de natuur dicht. Maar god, wat wordt hij pissig wanneer klimaatdemonstranten zijn auto blokkeren.
Niet alleen de natuur heeft grenzen, de hele planeet heeft grenzen. Die zijn sinds haar romandebuut in 2017 altijd een thema geweest voor voormalig Dichter der Nederlanden Lieke Marsman. Maar nu ze ongeneeslijk ziek is, krijgen die planetaire grenzen een nieuwe dimensie.
In haar essaybundel Op een andere planeet kunnen ze me redden (Pluim, januari) beschrijft Marsman hoe ze door haar ziekte tegen de grenzen aanloopt van haar westerse wetenschappelijke wereldbeeld, en zingeving zoekt in mystiekere sferen, onder anderen bij mensen die geloven in buitenaards leven. ‘Er is misschien een bovennatuurlijke kracht. Er is misschien een medicijn tegen mijn ziekte. Het leven is het misschien waard te leven – en vanwege dat misschien is het dat zeker.’
Voor dat misschien kreeg Marsman dit jaar de Constantijn Huygensprijs.
De middeleeuwen eng, duister, rechteloos? Nee, lees wat Janna Coomans schrijft in haar met de Libris Geschiedenis Prijs bekroonde Dievenland – Overleven in de middeleeuwen (De Bezige Bij, mei).
Coomans spitte door honderden veroordelingen van middeleeuwse dieven, bedelaars en landlopers en onthulde daarmee een zelden verteld verhaal van een heel andere leefwereld – nee, criminelen werden niet aan de lopende band gemarteld en geëxecuteerd. ‘Middeleeuwse toestanden’ bestonden niet, schrijft Coomans, althans niet in de middeleeuwen.
Een nog grotere greep vond de lezer bij Josephine Quinn. In Het westen – Een 4000-jarige geschiedenis (Thomas Rap, september) stelt zij dat de Grieken en Romeinen helemaal niet de bakermat van de westerse samenleving vormen. De centrale stelling in Quinns boek? Er heeft nooit een zuiver westerse of Europese cultuur bestaan. Ze schreef het als anti-brexitboek, maar Het westen is ook een prima boekentip voor politici in Den Haag.
Dit is het onvermijdelijk lot van de schrijver die te populair is; bij leven was Joan Didion de ijskoningin van het Amerikaanse essay. Zo terughoudend met wat ze over zichzelf schreef, dat elke persoonlijke mededeling een glimp was die haar lezer op het puntje van zijn stoel zette.
Maar toen bracht, vier jaar na haar dood, haar uitgever Notities voor John uit (Nijgh & Van Ditmar, juni). Aantekeningen die ze voor haar man maakte na bezoeken aan haar therapeut. Nooit bedoeld voor publicatie. Maar ja, postuum heb je daar blijkbaar weinig over te zeggen als je zo nadrukkelijk gecanoniseerd bent als Didion.
En dus treft de lezer de zo ongrijpbare schrijver opeens grijpbaarder dan ooit: we lezen over haar vadercomplex, over haar main character-complex, over hoe onzeker ze is over hoe ze haar dochter opvoedt – haar dochter voelt zich verantwoordelijk voor Didion, in plaats van andersom.
Heerlijk intiem om te lezen, ja, maar tegelijk kom je zo dicht bij Didion dat het bijna voelt alsof het ijskoningin Didion niet kan zijn.
De literatuur was in 2025 nietsontziend tegenover die voormalige apenrotsbewoners: de man is in nood, en die crisis bleek een prima terrein voor fictie.
Tony Tulathimutte schreef met Afwijzing (Nijgh & Van Ditmar, april) de eerste incelroman, die volgens The New York Times ‘zo koud en eenzaam [is] dat je er vlees in kon hangen’.
In zijn boek is mannelijk isolement een katalysator, in het ergste geval zelfs tot moord. ‘In dit boek zit weinig verlossing of troost, want – en dat sluit eigenlijk aan bij waar we het net over hadden – ik denk dat troost soms oneerlijk is’, vertelde hij aan de Volkskrant.
Eikels van personages deden dit jaar flink hun best om ons op de gevaren van het patriarchaat te wijzen. In Ik, de ander (Das Mag, juli) bijvoorbeeld, Jante Wortels gedistingeerde verslag van een toxische relatie. De sterke vrouw die Wortel opvoert had nooit verwacht dat dit háár zou overkomen, maar haar verhaal maakt duidelijk hoe dat toch kan: terechtkomen in een dynamiek van meebewegen, goedpraten, wegduiken.
Met Beste klootzak (De Geus, juni) bood Virginie Despentes een opvallend genuanceerde, vileine en bij vlagen hilarische roman over de verschillende aspecten van grensoverschrijdend gedrag. De schaamte hoort thuis aan de andere kant, vindt Despentes – ter verduidelijking, niet bij hen die misbruikt zijn, maar bij hen die misbruiken.
Voor een lightvariant van klootzakkerigheid konden we terecht bij actrice Annemarie Oster, die in het geestige Mannen (Meulenhoff, augustus) terugblikt op een leven waarin allerhande mannen – Ramses Shaffy, Kees van Kooten – een bij nader inzien veel te grote rol hebben gespeeld. Terloops laat ze in haar mannenautobiografie vallen ‘gemulischd’ te zijn, net als zo’n 1.999 andere vrouwen. Zelf kan ze er gelukkig om lachen als ze over die ene nacht opmerkt ‘zelden een kortere romance’ te hebben beleefd.
Dat je voor zo’n worstelende hork ook compassie kan voelen, blijkt uit Het vlees van David Szalay (Nijgh & Van Ditmar, juni). In deze roman, bekroond met de Booker Prize, volgen we de Irak-veteraan István, de verpersoonlijking van de gemankeerde man: zwijgzaam, gevoelloos, fysiek agressief.
István ondergaat het leven gelaten, is weinig sprankelend, maar juist door die gemankeerdheid zet Szalay een ‘buitengewoon ontroerend’ portret van hem neer, meende de jury van de Booker Prize.
Een ziek verhaal is het, of nou ja, eigenlijk dus ook weer niet: in juli bleek uit een onderzoek van The Observer dat Raynor Winn, bekend van haar ‘waargebeurde’ wandelbijbel Het zoutpad (Balans), waarvan wereldwijd miljoenen exemplaren werden verkocht, toch een loopje had genomen met de waarheid.
Mals was het niet: haar man Moth bleek lang niet zo ongeneeslijk ziek als Winn in haar bestseller beweerde. De schulden die het stel zou hebben, waren niet het gevolg van een verkeerde investering; Winn zou geld van een werkgever hebben verduisterd. Ook de bewering dat het stel dakloos zou zijn, zou niet kloppen, want de twee hadden een onderkomen in Frankrijk op hun naam staan – hun échte namen dan, want de stappers heten eigenlijk Sally en Wim Walker, wat trouwens een heel passende naam is voor een wandelaar.
De Britse Sue Prideaux begint haar formidabele Paul Gauguin-biografie Wildeman (De Arbeiderspers, juni) met goed nieuws. Ja, helaas, toen de post-impressionistische schilder aan het einde van de 19de eeuw naar Tahiti vertrok, nam hij enkele kindbruiden in ontvangst van dorpoudsten.
Maar: recent onderzoek wijst uit dat Gauguin geen syfilis had. En dus (het goede nieuws!) was hij niet persoonlijk verantwoordelijk voor de soa-uitbraak op Tahiti rond die tijd.
In een essay in de Groene Amsterdammer nam Marja Pruis afscheid van de 20ste-eeuwse man. ‘Dat historische wezen. Kwam hij de kamer binnen, dan begon het.’
Hij sprak luid, wist alles van de PvdA en van kampliteratuur, droeg een regenjas, rook naar tabak, had iets ingewikkelds met zijn moeder, ging continu vreemd en was tegelijk hopelijk verloren als zijn echtgenote zijn boterhammen niet smeerde.
Dit jaar verschenen de zwierige, lekker vertelde biografieën van prominente journalisten als Jan Blokker (door zijn zoon, Jan Blokker jr.: Mannetje van de krant, Querido, augustus) en Michael Zeeman (door boezemvriend Willem Otterspeer: In alles ben ik groot, Prometheus, september), terwijl vorig jaar al biografieën verschenen van Theo van Gogh, Ischa Meijer en Hugo Brandt Corstius.
Als je die boeken stapelt, zie je een fenomeen dat achteruit de geschiedenis in beweegt. Veelschrijvers, meningenmachines. Bij leven waren ze onvermijdelijk, maar nu, zoveel jaar na hun dood, is er niet heel veel dat resteert.
Hun autoriteit is vervlogen en lijkt niet zo letterlijk door nieuwere generaties te worden belichaamd.
Zoiets lijkt ook door te schemeren in Thomas Heerma van Voss’ opvallende De prullenmand heeft veel plezier aan mij (Das Mag, augustus): waagt hij zich als schrijver niet in een beroep dat de statuur van weleer verloren heeft?
In dit non-fictieboek gaat hij op bezoek bij schrijvers die in 1977 in een speciaal nummer van literair tijdschrift De revisor als jong en veelbelovend waren bestempeld. Ja, Willem Jan Otten, Judith Herzberg en Cees Nooteboom zijn nog steeds beroemd. Veel anderen waren drifthout in de stroom van de literaire geschiedenis. Talent is geen garantie voor een succesvol bestaan. Of, zoals een van hen zijn schrijfcarrière benoemt: ‘Eigenlijk, beste Thomas, hebben we het nu over de geschiedenis van mijn verdwijning.’
In de categorie doet-ie-het-of-doet-ie-het-niet, deed Peter Buwalda het: dit jaar verscheen zijn De jaknikker (De Bezige Bij, september) het vervolg op de bejubelde bestseller Otmars zonen (2019).
Nog steeds loert Ludwig naar olie-CEO Johan Tromp, die, zonder dat die het weet, Ludwigs biologische vader is. Maar wat een episch verhaal van wraak of verzoening moest worden, brak Buwalda tot verbazing van elke recensent in Nederland ineens open: zijn vertelling werd een roman-in-een-roman, waarbij de lezer zich moest afvragen wie hier het woord voerde, Buwalda of juist een van zijn personages?
Of deze meta-laag een meesterzet is, of dat hij zijn vertelling keihard klemzet, zoals de Volkskrant-recensent oordeelde, zal moeten blijken als deel drie uitkomt.
Typisch Buwalda: altijd een cliffhanger.
Zoals verwacht kwam de nieuwe Dan Brown binnen op 1 in de Bestseller 60 en zakte nauwelijks. In Het ultieme geheim (Luitingh-Sijthoff, september) keert zijn heldhaftige hoogleraar Robert Langdon terug – jongensachtig knap, leeftijdloos fit en geniaal als altijd, maar nu voor de verandering eens niet aseksueel!
Hij reist naar Praag voor een lezing van zijn vlam, ook al een wetenschappelijk genie, die (uiteraard) op het punt staat een baanbrekend boek te publiceren. En dan, en dan: manuscripten verdwijnen, ontvoeringen vinden plaats, schokkende waarheden worden ontdekt in de krochten van de kunstgeschiedenis.
Volgend jaar beginnen de opnamen van de Netflix-verfilming; het is maar de vraag of er een acteur bestaat die zo uitmuntend is als Langdon.
Ook een te verwachten bestseller: de verwarde cavia van Paulien Cornelisse, die in november de NS Publieksprijs won met De verwarde cavia – Terug op kantoor (Uitgeverij Cornelisse, november). In deze sequel keert Caaf terug naar een wereld van kerstborrels, foutmeldingen en wienermelanges wanneer ze aan een nieuwe kantoorbaan begint.
Hier manifesteert zich de ziel van Nederland in de ongemakkelijke gesprekken op een kantoor, waar de mensen het normaal vinden (normaal genoeg) dat hun collegaatje een cavia is. Zagen we daarin ook nog een eco-utopische knipoog – mens en dier, hand in hand! – of was dit gewoon een welkome afleiding van al het leed van 2025?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant