Kinderboek Bette Westera en Annemarie van Haeringen nemen je in hun nieuwe boek met veel plezier mee naar het rijk van de Noordse goden.
Bette Westera heeft vast regelmatig zitten gniffelen toen ze vanuit het perspectief van de Noordse goden haar inleidend hoofdstuk schreef voor Toen Thor het nog liet donderen. Neem bijvoorbeeld deze zin, waarin Loki oppergod Odin uitlacht als die hem waarschuwt voor de rijzende macht van de god van het christendom: „Een vreemde snuiter die zich god noemt omdat hij water in wijn kan veranderen? […] Wat een grap!” Of deze, „een vader die uit vrije wil zijn zoon opoffert, dat gelooft toch niemand?” Westera observeert hier de Scandinavische mythologie met ironie en zet daarmee de toon voor de „verhalen over de goden van het Hoge Noorden” die zij bewerkte. Daarbij liet ze zich inspireren door de Edda van de IJslandse dichter en geschiedschrijver Snorri Sturluson (1179-1241), door Westera vernuftig voorgesteld als degene die de goden voor hun karretje spanden om hun verhalen levend te houden. Ze konden dat immers niet zelf doen, schrijft ze: „goden die zichzelf de hemel in prijzen zijn ongeloofwaardig.”
Bette Westera en Annemarie van Haeringen: Toen Thor het nog liet donderen; Verhalen over de goden van het Hoge Noorden. Gottmer, 231 blz. €29,99
Die luchtige toon betekent niet dat Westera haar taak als eigentijdse skald lichtzinnig opvat. In tegendeel. De veelbekroonde kinderboekenschrijver en -dichter brengt die wonderlijk woeste wereld van Odin en Frigg, hun zoon Thor de dondergod en Loki de gedaantewisselaar geweldig knap tot leven. In heldere taal vol poëtische zeggingskracht en hier en daar een gedicht, voert ze je van de schepping van de wereld uit de duistere diepte van het ‘Gapende Gat’ via de strijd tussen alle verschillende goden en reuzen, mee naar Ragnarok, „het einde van alles” dat ook een nieuw begin met zich meedraagt: „Eén vonkje leven in het diepe duister./ Dat vonkje vuur blijkt sterker dan de dood./ het steekt de maan weer aan. Een nieuwe loot/ van Yggdrasil (de wereldboom red.) ontluikt, in al haar duister.”
Opvallend aan al die fantastische verhalen die zich afwisselend afspelen in het rijk van de goden (Asgaard), de mensen (Midgaard), de reuzen (Utgaard) en de doden (Nevelrijk), is dat niets menselijks de goden vreemd is. Ze worden voortgedreven door jaloezie, verraad, wrok, doodslag en moord wat niet alleen tot vermakelijke maar ook tot bloedige scènes leidt. Passend bij de orale traditie waarop de verhalen rusten, dramatiseert Westera echter geenszins. Daarentegen vertelt ze met een oprechte vertellersstem, pretentieloos en met veel plezier. Zo schrijft ze in het verhaal waarin Odin vermomd als Bolwerker de reuzendochter Gunlodd verleidt om het gestolen dichtersbloed van Kvasir (god van de poëzie) terug te halen, opgewekt over „een wilde vrijpartij” met reuzinnenkreten „die Bolwerker door merg en been gingen”. En de afloop van de onheilspellende mythe van de negen reuzenboerenknechten die zichzelf met hun vlijmscherpe zeisen het hoofd afmaaien, klinkt ronduit laconiek: „Dieprood reuzenbloed vermengde zich met het heldere water van de beekjes die vredig door de vallei kabbelden.”
Dit soort welluidende vertelzinnen houden de verhalen die door alle onbekende mythische wezens soms wat taai zijn, aangenaam levendig. Ook Westera’s spitsvondige spel met woorden en zegswijzen (de rode draad in haar werk) draagt daaraan bij. Treffend bijvoorbeeld is haar aankondiging van de drie Nornen, de Noordse schikgodinnen die als ‘Toen’, ‘Nu’ en ‘Straks’ ieders lot bepalen. In de werelden die Odin heeft geschapen hangt elk leven aan een zijden draadje en al die draadjes worden door ons gesponnen, legt Westera bij monde van de Nornen uit. Alleen zij kunnen die levensdraden ooit doorknippen: „Wij spinnen de verbinding, wij weven de verbanden./ Wij houden alle touwtjes van de wereld strak in handen.”
Maar eerlijk is eerlijk – zonder Annemarie van Haeringen die recent de Max Velthuijs-prijs ontving, zou Westera’s herschepping van Sturlusons Edda niet geweest zijn wat die nu is. Haar paginagrote kleurenillustraties weerspiegelen treffend het soms grimmige soms grappige karakter van de mythen. Geestig bijvoorbeeld is haar afbeelding van de als bruid vermomde Thor met knokige knieën en behaarde benen, tegen een bloedrode achtergrond. Daarentegen is de duistere slotprent met een diep zwart gat dat zich om al het leven sluit, ronduit verontrustend. Van Haeringen geeft Westera’s godenverhalen nog meer kleur: Toen Thor het nog liet donderen is een prachtig boek.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC