Home

Logisch dat de burger een onbetrouwbare overheid niet vertrouwt

De oorzaak van het lage vertrouwen in de Haagse politiek ligt niet bij de burgers, maar bij die politiek zelf, betoogt Tom van der Meer.

Het vertrouwen van Nederlanders in de nationale politiek is sinds het voorjaar van 2021 fors gedaald. Recent concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat slechts zo’n 40 procent van de Nederlanders vertrouwen had in de regering. Dat lage vertrouwen blijft niet zonder gevolgen. Het maakt het moeilijker om ingewikkeld beleid door te voeren. Kiezers die het vertrouwen hebben verloren, stemmen vaker op nieuwe of radicale partijen. En burgers zullen roepen om meer inspraak.

Wie het vertrouwen wil herstellen, moet allereerst de oorzaken kennen van het gebrek eraan. Vaak is politiek vertrouwen een directe reactie op het functioneren van politiek en overheid. Het vertrouwen is hoog als het overheidsapparaat integer en onpartijdig is, en als het parlement burgers goed (evenredig, inhoudelijk) vertegenwoordigt. Het vertrouwen stijgt wanneer de overheid problemen effectief aanpakt. En het vertrouwen daalt door schandalen die het hart van de democratie raken, zeker als daar de vingerafdrukken op zitten van zowel regeringspartijen als oppositiepartijen – denk aan de toeslagenaffaire.

Het is daarom logisch dat het vertrouwen laag ligt. Ten eerste liet de politiek grote schandalen als de toeslagenaffaire of het dossier over de Groningse aardbevingsschade te lang doorwoekeren. Dat schaadde direct de integriteit van de overheid. Ten tweede schoof Den Haag de aanpak van grote problemen als wonen, stikstof, en migratie jarenlang voor zich uit.

En ten derde kenmerkt de landelijke politiek zich al jaren door onderling geruzie. Dat werd het zichtbaar vanaf de kwestie rond Pieter Omtzigts ‘functie elders’ in het voorjaar van 2021, waarna de toenmalige formatie een half jaar tot stilstand kwam. Daarna bleven politici ruzie maken, getuige de val van Rutte IV, de moeizame formatie van het kabinet-Schoof, en het in meerdere etappes uiteenvallen van dat kabinet.

De eindconclusie: burgers worden al jarenlang inhoudelijk niet goed vertegenwoordigd.

Het gedaalde vertrouwen is dan ook geen teken van een vertrouwenscrisis, maar van een betrouwbaarheidscrisis. Sterker nog, vanuit democratisch oogpunt is het gezond dat het vertrouwen daalt wanneer de politiek en de overheid niet functioneren. We zouden ons pas echt zorgen moeten maken als mensen ondanks alle schandalen, uitstelgedrag en geruzie vertrouwen bleven houden in de politiek.

Wie zoekt naar oplossingen voor die betrouwbaarheidscrisis, komt daarom al snel uit bij politiek gedrag. Daar ligt de bron van het lage vertrouwen, dus daar ligt ook de uitweg. Er zijn geen makkelijke institutionele knoppen die we kunnen indrukken om het vertrouwen te herstellen.

Toch stelde staatsrechtgeleerde Paul Bovend’Eert in NRC enkele institutionele aanpassingen voor (Met alleen een ‘stabiel kabinet’ los je het vertrouwensprobleem niet op, 27/11), waaronder een hogere kiesdrempel.

Dat slaat de plank mis. De vertrouwensdaling sinds 2021 wordt niet veroorzaakt door het kiesstelsel, dat al ruim honderd jaar bestaat. Sterker nog, juist de gemengde kiesstelsels van Bovend’Eert bedrukken het politiek vertrouwen. Evenredigheid stimuleert het vertrouwen, omdat burgers zich beter vertegenwoordigd weten, zelfs als grotere partijen verzanden in waardenloze politiek of onderling geruzie. Sterker nog, het zijn de afgelopen vijftien jaar juist herhaaldelijk kleine partijen geweest die bereid waren over hun schaduw heen te springen, die coalitiebereid waren, en die regeringen in de problemen uit de brand hielpen.

Er is geen reden voor al te verregaand pessimisme over de Nederlandse burger. Nederland is niet opeens veranderd in een laagvertrouwenssamenleving. De daling van het vertrouwen is gericht wat betreft het object (de landelijke politiek), tijd (vanaf het voorjaar van 2021), en oorzaak (de betrouwbaarheid van de Nederlandse politiek).

Nieuws van RTL dat slechts 4 procent van de Nederlanders de politiek nog zou vertrouwen, werd afgelopen zomer weliswaar breed opgepikt, maar blijkt bij nadere inspectie van het onderzoek een groteske karikatuur. Ja, het politiek vertrouwen is voor Nederlandse begrippen laag. Maar zelfs op dit dieptepunt ligt het vertrouwen in onze volksvertegenwoordiging (de Tweede Kamer) op een vergelijkbaar niveau als in Duitsland en België, en aanzienlijk hoger dan in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Bovendien hebben we wel vaker zulke lage vertrouwenscijfers gehad, zoals tijdens Balkenende II (2003-2006).

De burger is dan ook niet degene over wie we ons zorgen moeten maken. Het doel is niet een herstel van het vertrouwen, maar een herstel van de betrouwbaarheid. De politiek moet de grote problemen van onze tijd aanpakken en niet voor zich uit schuiven. Politici moeten de integriteit van de overheid ondersteunen. De gedragscodes in het parlement moeten versterkt worden. En wie de vertegenwoordiging wil verbeteren, moet dat op basis van inhoud doen, en niet op basis van machtsspelletjes.

Deze oplossingen vergen vooral partijpolitieke wil. Het is hoopvol dat de twee formerende partijen op dit moment inzetten op de aanpak van enkele grote problemen, en willen breken met een cultuur van moeizame partijpolitieke verhoudingen. De vraag is of andere partijen die inzet volgen.

Tom van der Meer is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next