Volgens Maria Vlaars nu al veelbesproken biografie Zwaag was het leven van schrijver Joost Zwagerman vol geruzie en mateloze ambitie. Dat hoorde ook wel een beetje bij zijn generatie, voor wie polemiek voeren een middel was om boven de anderen uit te steken.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
De vete begon in het hoge noorden.
Het was 1987 en in de Leeuwarder Courant oordeelde Michaël Zeeman – domineeszoon, gesjeesd student, boekverkoper en beginnend criticus – over twee poëziedebuten: Anneke Brassinga’s Aurora, en Joost Zwagermans Langs de doofpot.
Brassinga, oordeelde Zeeman, was ‘een heel bescheiden talent’. Maar Zwagerman, die was nog erger.
Zijn bundel stond vol ‘protserige zinnen, die luid stampend binnenkomen, maar die bij een voorzichtige inspectie niet veel meer dan hun eigen gedreun zijn’. Het was het werk van ‘een belegen schooljongen, stoer maar onbeduidend’.’
Voor de volledigheid: Anneke Brassinga won later de P.C. Hooftprijs, Zwagerman werd de bekendste schrijver van zijn generatie, en Michaël Zeeman de meest gewichthebbende criticus. Maar dat was later pas.
Een jaar later besprak Zeeman weer een bundel waarin Zwagerman voorkwam, weer in de Leeuwarder Courant.
Die bundel was een verzamelaar van een los-vaste groep hemelbestormende jonge dichters, die niet konden nalaten te vermelden hoe hemelbestormend ze waren. De Maximalen werden ze genoemd. Zwagerman beschreef hun poëtica als ‘De kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook alles wordt geannexeerd, hoge en lage kunst, de liefdeslyriek en de pornografie, cocaïne en de gezondheidscultus, kortom de Tros en [literair tijdschrift] De held.’
Zeeman oordeelde dat de lezer te maken had met het ‘gejoel van het speelkwartier’: ‘De wil is er wel, maar het talent, meneer, het talent.’
De kop boven de recensie was ‘Een teil vol rotte vis.’
Een paar maanden later, in september 1988, trad Zeeman op met zijn eigen poëzie, in het Delftse Flora Theater. De Maximalen waren er ook. En zodra Zeeman begon met voorlezen, snelde Maximaal-dichter Arthur Lava het podium op en kieperde een teiltje vis over Zeeman heen, eerder die dag gekocht op de Amsterdamse Albert Cuyp-markt.
Paniek, sensatie. Er werd ‘fascisme’ geschreeuwd. Lava werd door de barman gedwongen de vis op te ruimen. ‘Ik nodig iedereen uit om morgen bouillabaisse bij mij te komen eten’, riep hij.
En Zeeman? Willem Otterspeer schrijft in zijn recent verschenen Zeeman-biografie In alles ben ik groot: ‘Michaël was helemaal van de kaart. Donkere ogen, met daarin een witte paniek. Dit was niet de poëzie van het schoolplein, dit was de agressie van het schoolplein. Hier was een boomlange man gekrompen tot het jongetje op Marken, dat op zijn hoede naar school liep en gehavend thuis kon komen.’
Zeeman sloeg terug.
Hoewel Zwagerman niet bij de visteil aanwezig was, zag Zeeman hem als aanstichter. De twee groeven hun loopgraven. Het waren mannen met strak afgestelde antennes, wie was voor ze, wie tegen. En wie dan voor de ander was, moest per definitie tegen hen zijn.
Zeemans uppercut kwam jaren later, in 1997. Zwagermans Chaos en rumoer was verschenen – over een afzakkende schrijver die zich in de mediawereld staande probeert te houden. Wie de sleutelroman goed las, zou in een alcoholistische ‘kobold’ Zeeman herkennen.
Inmiddels zond de VPRO Zeeman met boeken uit, en onvermijdelijk kwam Chaos en rumoer ter sprake.
Je kunt de beelden op YouTube terugzien: Zeeman weet precies wat hij doet. Gretigheid zou hem verraden. Dus hij praat langzaam, alsof hij zoekend is, terwijl hij exact weet waar hij naartoe gaat.
De roman is, zijn stem gaat theatraal omhoog, ‘een ramp. Wat voor drama heeft zich hier voltrokken aan een auteur die je vroeger tenminste nog veelbelovend kon noemen?’
Je ziet panelleden Xandra Schutte en Aleid Truijens opgelaten kijken, al heb je ergens het idee dat ze hun lachen om Zeemans schmierende verzuchtingen moeten inhouden.
Het boek is, zegt Zeeman, ‘erbarmelijk’. Schutte, fideel, beschaafd, zegt tegen Zeeman dat als hij een boek zo negatief introduceert, ze zich wel verplicht voelt het ervoor op te nemen. Dit geeft Zeeman de perfecte vrijbrief: doordat zijn panel Chaos en rumoer verdedigt, kan hij zijn kritiek herhalen en herhalen.
In NRC schreef achterpaginacolumnist Frits Abrahams over een ‘openbare executie’. Biograaf Otterspeer vindt dat grote woorden en zegt: ‘Gewone wederzijdse polemiek. En dat hoefde de vrolijkheid niet in de weg te staan.’
Het was heerlijke tv. Behalve dan, natuurlijk, voor Joost Zwagerman zelf. Want die zat laaiend voor zijn toestel, schrijft Maria Vlaar in haar nu net verschenen biografie Zwaag – De zeven levens van Joost Zwagerman.
Dit was het grote nadeel van zijn ‘polemiekmanie’: Zwagerman reageerde graag en vinnig en bij voorkeur in de krant als hij vond dat iemand het bij het verkeerde eind had. Hij schepte eer in zijn openbare vetes. Maar, en dit ziet Vlaar als een van de vele tegenstrijdigheden in zijn leven: hij was niet opgewassen tegen de tegenaanvallen die hij zelf uitlokte.
Waarom dan die polemieken?
Hier volgt een theorie, dus voel je vrij het ermee oneens te zijn:
Ooit gingen de sluizen open. Na de oorlog. Een hele generatie middenklassekinderen kon gaan studeren, iets wat hun ouders niet hadden gekund.
Er kwamen beurzen, studenten eisten en kregen meer inspraak. Binnensteden kregen een nieuw studentikoos gezicht, nu eens niet corporaal, maar tegencultureel. De nieuwe student had een abonnement op Vrij Nederland, liep mee in demonstraties, had een zwak voor de links-extremistische Baader Meinhoff Groep. Ik chargeer. Dit tijdperk wordt nostalgisch ‘De Gouden Jaren van het Linkse Levensgevoel’ genoemd.
Deze opwaartse sociale mobiliteit kende een culturele component. Want als kennis het middel werd om jezelf te verheffen, dan was smaak – het verfijnde, verinnerlijkte broertje van kennis – het middel om je te onderscheiden.
Kennis en smaak kwamen perfect samen in cultuur, en dan bij uitstek in literatuur. Lezen is een inspanning die je maar moet kunnen opbrengen. Literatuur is iets dat je moet begrijpen, en omdat dit begrijpen altijd een kwestie van interpretatie is, kun je ook vinden dat anderen het niet begrijpen. Literatuur kent genoeg mainstream en niches om je smaakpapillen op uit te testen. Schrijvers kennen poëtica waarmee je je kunt identificeren, of waarop je juist kunt afgeven.
Bovendien stonden schrijvers in de krant en kwamen ze op tv. De drukken van romans groeiden in oplage. In die tijd, vanaf de late jaren zeventig, was Nederlands zo’n beetje de toonaangevende studie, zeker in Amsterdam. In Utrecht kende Nederlands zelfs een numerus fixus.
Kortom, een gouden moment. Maar dus ook een moment waarin literaire smaak een concurrentiepositie werd. Wie ‘begreep’ literatuur het beste, wie koppelde de letteren het slimst aan de maatschappij, wie was echt, wie was nep, wie proefde de hoogste honing?
En zo werd polemiek een vak apart. Natuurlijk kwam ze ook voort uit een ideeënstrijd, uit botsende waarden, uit een noodzaak tot publiek debat. Maar het is moeilijk ze niet te zien als een uiting van ambitie om hoger te klimmen dan anderen.
(Het verklaart ook waarom de polemiek vandaag een zwarte-neushoornesk genre is, met uitsterven bedreigd. Studie is niet exclusief meer, literaire smaak niet langer een breedgedragen verheffingsmiddel.)
In dit systeem kun je Michaël Zeeman (1958-2009) en Joost Zwagerman (1963-2015) plaatsen. De eerste een vereenzaamde, mishandelde domineeszoon die opgroeide in Friesland en Groningen, en wilde laten zien dat hij het een stuk beter begreep dan die populaire jongens en meisjes in de Randstad.
De andere een hyperambitieuze jongen uit Alkmaar die zijn burgerlijke, dominante ouders wilde afschudden, en naar Amsterdam kwam om de bovenste trede van de literaire apenrots te beklimmen.
Vandaar ook dat juist deze twee elkaar zo haatten. Je wordt geen grotere gorilla door kleine chimpansees op de kop te timmeren. Je kunt juist je moed en je spierballen tonen door achter de grootste zilverrug aan te gaan. Vermoedelijk haalden ze, al zullen ze het zelf niet hebben willen toegeven, een bepaalde status uit hun geruzie. Ook in je vijandschappen kan ambitie doorschemeren.
Natuurlijk was Zwagerman veel meer dan slechts een kind van zijn tijd. Zwaag – De zevens levens van Joost Zwagerman is wat dat betreft een imponerend werk: imponerend omdat biograaf Vlaar een ongelooflijke hoeveelheid mensen en materiaal tot een heldere synthese verweeft.
Twee thema’s lijken de sleutel tot Vlaars synthese. De eerste is logischerwijs ambitie. Als Alkmaarse pabo-student was Zwagerman naar Amsterdam gekomen. Het was de tijd van woningnood en grootschalig verval, van do-it-yourself. Je hebt de gevestigde orde niet nodig, leerde zijn generatie, je richt gewoon zelf iets op wat toonaangevend wordt.
Hoewel hij veel in kunstenaarskringen verkeerde, was Zwagermans doel de literatuur. Hij was, schrijft Vlaar, uitgesproken ambitieus. In café Het paleis, waar veel toekomstige neerlandici na hun colleges neerstreken, wees Zwagerman een keer iedereen aan tafel aan: ‘Jij wordt later mijn redacteur, jij wordt mijn recensent, jij wordt mijn fotograaf, jij mijn uitgever.’
Ambitie zoekt ambitie, en zodoende klitte in de Amsterdamse uitgaanswereld een groepje dichters samen – zoals jonge dichters horen te doen – die de luiken van de letteren wilden openslaan. De Maximalen dus. F. Starik, René Huigen, Pieter Boskma, Arthur Lava – en Zwagerman als uithangbord, ‘de Marco van Basten van de Maximalen.’
De hedendaagse poëzie vonden ze ‘zelden of nooit imponerend’; volgens hen werd die bevolkt door epigonen van Vijftigers als Gerrit Kouwenaar, die alleen maar streven naar verstilling, degelijkheid, bloedeloosheid. Zij wilden rumoer, de straat, het volle leven.
De media waren gek op hun bombarie, ze waren overal, schreven krantenkolommen vol over zichzelf. En hieven zichzelf, door onderlinge ruzies en concurrentie, binnen een jaar na het visincindent ook weer op.
Later portretteerde Zwagerman die storm en drang van die generatie in zijn iconische Gimmick! Dat lijkt een stoer boek, waarin Zwagerman een Californische, nihilistische coolheid over zijn kunstenaarshoofdpersonen oproept, in de mode van Amerikaanse tijdgenoten Bret Easton Ellis en Jay McInerney. Maar in feite is het een verhaal van een jongen die niet weet hoe hij met zijn gebroken hart moet omgaan.
Hierin schuilt Zwagermans paradox: hij zag de coolheid van de Maximalen, bewonderde de bravoure in hun afwijzing van de gevestigde orde. Maar diep vanbinnen, schrijft Vlaar, wilde Zwagerman niets liever dan de lof van die gevestigde orde. Hij was er niet rouwig om toen de Maximalen doofden.
Daarmee is het tweede thema genoemd: paradox.
Zwagerman voerde polemieken, maar kon niet tegen kritiek. Hij wilde rebel zijn, maar wilde ook geprezen worden. Hij wilde zichzelf als teruggetrokken dichter zien, aan zijn bureau geketend, tevreden met een paar duizend lezers, maar zat avond aan avond bij De wereld draait door aan tafel over kunst te praten.
Hij wilde autonoom kunstenaar zijn, maar was continu bezig met zijn plek in de literaire pikorde. Hij schreef vrienden, critici en uitgevers vlammende mails als hij iets oneerlijk vond, en was vervolgens in dezelfde mails over de raarste dingen zelf oneerlijk. In de categorie: zeggen dat hij vijf maanden in de VS zat, terwijl het vijf weken waren.
Hij verlangde naar een diepe, alomomvattende loyaliteit van zijn vrienden, maar kon die vriendschappen om de kleinste dingen opblazen. Decennialang was Jessica Durlacher zijn trouwste vriend, maar toen haar echtgenoot Leon de Winter voor zijn roman Het recht op terugkeer hetzelfde schilderij van Edward Hopper op de omslag wilde zetten als Zwagerman ooit op Vals licht, belde hij uitgevers en daarna de redacties van kranten en tijdschriften, in de hoop iedereen te mobiliseren om De Winters omslag tegen te houden. Niemand kon hem duidelijk maken hoe onzinnig zijn strijd was.
Tussen Vals licht (1992) en Het recht op terugkeer (2008) zat zestien jaar. Dat is bijna een generatie. Het ging nergens om, en het gevolg was dat hij Durlacher jaren niet sprak.
De paradoxen gaan verder: hij wilde een familieman zijn, maar ging dwangmatig, continu, vreemd, met blijkbaar iedereen die hij tegen het lijf liep. Echt: de energie. Andere mensen lopen ultramarathons.
Dit is ook het moment waarop je hoofdschuddend Zwaag leest: hij hield lijstjes bij met wie hij naar bed ging. En gaf de vrouwen dan soms cijfers.
In 2020 verscheen De langste adem – Een leven met Joost Zwagerman, sterk geschreven memoires van Arielle Veerman over haar vechtscheiding met Zwagerman. Ze was zijn jeugdliefde, ze kregen drie kinderen.
Wat mooi begon, werd steeds monomaner, zoals zij het beschreef. Zwagerman verlangde van haar niet alleen totale toewijding en loyaliteit, maar een soort identificatie, alsof ze niet zelf iemand mocht zijn. Veerman: ‘Ik moest alles zien zoals hij het zag, ik moest hem zijn en omdat ik hem niet was, deed ik het niet goed.’
Ik las De langste adem toen het uitkwam en dacht: poeh, Maria Vlaar, aan die intensiteit kun je als biograaf weinig meer toevoegen.
Maar Vlaar kan dat wel, al is het maar doordat ze de veelheid van de affaires laat zien, het zichzelf herhalende patroon van verliefd worden, het zich schamen voor zijn eigen bedrog, afhaken, jaloers worden als de minnares een ander krijgt – en weer opnieuw.
Vlaar citeert sommige vrienden die meenden dat zijn ‘kern’ leeg was. Niet voor niets had hij zijn alter ego in Gimmick ‘Raam’ genoemd, iets waar je doorheen kijkt. Door dat gebrek aan kern was er geen eenheid in al zijn kanten, er was niets dat zijn paradoxen bij elkaar hield.
Al, bedacht ik, is de term ‘paradox’ misschien te zacht, te literair, om de gespleten binnenwereld van Zwagerman te beschrijven. Als je Zwaag leest, krijg je het gevoel dat het leven van Joost Zwagerman een veldslag was waarbij hij de generaal-te-paard van beide botsende legers was. Zo’n leven kun je niet volhouden, je kunt niet al die scherven bij elkaar houden.
Abraham Lincoln: ‘A house divided against itself cannot stand.’ De ruimten tussen zijn concurrerende zelven werd steeds groter, als uiteendrijvende ijsschotsen. Uiteindelijk viel Zwagerman ertussen.
Zwaag is geen lineaire vertelling, maar een thematische (al ordent Vlaar die thema’s redelijk chronologisch). Daardoor kent de biografie de nodige herhalingen, maar gek genoeg lijken die herhalingen bij Zwagermans repeterende monomanie te passen. Hij vergat nooit iets. Er waren dagelijks drie, vier, vijf affaires, ruzies en boeken aan de hand in zijn leven. Doordat Vlaar al die dingen van context voorziet, leest het boek als meer dan een biografie – het wordt ook een mentaliteitsgeschiedenis van de literaire mediawereld van de laatste veertig jaar.
Imponerend dus. Wel mist er iets. Misschien heeft Vlaar na haar grondige onderzoekswerk Zwagerman te stevig in haar pincet, heeft ze hem te goed onder haar microscoop bekeken voordat ze hem op een kussentje prikte.
Om deze matige metafoor af te maken: je wilt de vlinder toch zien vliegen.
Ik bedoel: wat je mist is de energie die om hem heen hing. Zijn gulle lach. Zijn ontzettende nieuwsgierigheid. Zijn enthousiasme. Zijn productiviteit. De gretigheid waarmee hij de cultuur van dat moment wilde beetpakken en analyseren. Als hij in een kamer was, was hij niet te missen. Hij had talloze affaires, dus dan moeten die vrouwen toch ergens op zijn gevallen? Waarop dan?
De laatste plaagstoot in de Zee & Zwagerpolemiek was tegelijk een van de raarste, of dubbelzinnigste.
Na talloze ruzies op de redactie van de Volkskrant vertrok Michaël Zeeman naar Rome, om correspondent te worden. In de zomer van 2006 schreef hij een lange brief aan Zwagerman, een goedmaakbrief.
‘Beste Joost (..) zodra het om mij of, liever gezegd, de weerbarstige verstandhouding die jij en ik nu al zo lang met elkaar hebben en wederzijds cultiveren gaat, wil ik je deelgenoot maken van enkele milde en oprecht bedoelde overwegingen. Misschien zijn die het product van de voortschrijdende ouderdom, misschien van mijn in het algemeen nogal veerkrachtige levensgeluk, wie zal het zeggen.’
Er was meer dat hen bond dan scheidde, schreef Zeeman: ‘Beste Joost (...) Ik denk dat er, als gezegd, te veel is dat ons, hoe verschillend ook, verbindt om dat, na achttien jaar van slechte betrekkingen, niet eens achttien jaar te onderzoeken.’
Zelden werd een strijdbijl hoffelijker begraven zou je denken – behalve dan dat beide biografen er niets van geloven. Maria Vlaar schrijft dat er van een antwoord van Zwagerman geen spoor valt te vinden: ‘Het lijkt erop dat hij de verzoeningspoging niet serieus heeft genomen.’
Otterspeer komt tot dezelfde conclusie: ‘De toon van de brief lijkt eerder het spel van one-upmanship dan werkelijke toenadering.’
Het is een verbluffend staaltje, als je erover nadenkt. Zeeman die Zwagerman vanaf een zomers terras in Rome om de oren slaat met een ‘kijk mij eens de grotere persoon zijn’. Zelfs vanuit Rome zag hij die apenrots nog in de verte torenen.
En nog een ding over die apenrots van weleer:
Zwagerman kon akelig stekelig reageren wanneer iemand hem meedeelde dat scholieren hem zo graag voor hun lijst lazen. Dat hoorde ook bij die tijd blijkbaar, eind vorige eeuw: romans moesten hoge literatuur zijn, dus wie op de middelbare school populair was, was suspect. Zwagerman maakte er ruzie over met Giphart, die hij maar een ‘een popi’ vond, alsof zijn boeken slechts ‘leesbevordering waren’.
Tijden veranderen. Vorige week plaatste uitgeverij Pluim trots het bericht op haar socials dat Hanna Bervoets’ roman Alles wat er was het vaakst door docenten Nederlands aan hun leerlingen wordt aanbevolen.
En Hanna Bervoets? Die deelde dat bericht vrolijk. Want waarom zou je daar niet trots op zijn?
Maria Vlaar: Zwaag – De zeven levens van Joost Zwagerman. De Arbeiders; 768 pagina’s; € 45.
Willem Otterspeer: In alles ben ik groot – Leven en lezen van Michaël Zeeman. Prometheus; 352 pagina’s; € 37,50.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant