Home

They can’t take that away from me

De grote hal die nu niet zo groot meer was, de trap naar boven waar je tegen de muur het grote mozaïekportret van Vossius ziet, met Vondels uitspraak erbij: ‘Al wat in boeken steekt, is in zijn hoofd gevaren’. Alles nog net zo en natúúrlijk wisten mijn vriendin en ik waar de aula was en we gingen naar binnen en daar zaten ze: leerlingen uit ons jaar. Oude mensen.

Ja, nogal logisch, daar is het een reünie voor. Je ziet wat bekends en je ziet wat veranderingen, zowel in plaatsen als in mensen. Je ziet hoe langzaamaan uit die groep onbekende ouderen een trek opbloeit, een lach die je herkent, hoe iemand haar hoofd houdt. Je vraagt je af of je, als je geblinddoekt deze zaal binnengebracht was, zou weten waar je was en met wie. De muurschildering met de Griekse namen boven het podium, ja, die zou je meteen herkennen. Maar de rest?

De volgende dag hoor ik Ella Fitzgerald en Louis Armstrong ‘They can’t take that away from me’ zingen. Zoals je glimlacht, zoals we tot drie uur ’s nachts dansten, zoals je je thee dronk, nee, dat kunnen ze me niet afnemen. Hoe romantisch. Het is natuurlijk niet bedoeld als een lied voor mensen die elkaar sinds de middelbare school niet meer gezien hebben. Sommigen heb je trouwens nog wel eens gezien, maar nu evenzogoed al veertig jaar niet meer. Toch heeft dat lied gelijk. Niet dat ik al die bijzonderheden bij me heb wíllen houden, maar je herkent inderdaad ‘the way your smile just beams’, een manier van praten, een hoofdbeweging. Het vriendinnetje dat je na je 25ste uit het oog bent verloren heeft die grappig scheve tanden en nog steeds dat onvervreemdbaar originele. De jongen voor wie iedereen bang was, is veranderd in een op het oog grommerige meneer, en nu zie je dat hij die ogen heeft die – nu ja. Dat soort dingen.

Vreemd is het, om elkaar voor de bloei gekend te hebben en nu na de bloei weer terug te zien. Sommigen waren toen briljant en zijn dat gebleven, van anderen heb je geen idee. Degenen die muziek maken heb je af en toe nog wel eens gevolgd, je nog wel eens afgevraagd hoe het met die aardige pianist zou zijn en daar staat hij en het is meteen heel makkelijk om weer met elkaar te praten, leuk ook.

Alles is leuk. Iedereen praat opgewonden met elkaar. Al die oude mensen blijken kinderen eigenlijk, in een bepaald opzicht, al vonden we elkaar geen kinderen: ‘mensen’. Mijn vader plaagde me toen ik dat woord ging gebruiken in de tweede klas, na een schoolreisje naar de Efteling.

Verbazend dat het zó leuk is. Verbazend dat je er nog dagenlang over nadenkt, vol van bent, dat je dromen bevolkt worden met vroegere klasgenoten. Hele interieurs van ouderlijke huizen komen weer tevoorschijn, maar ook de kleine kamer in een steeg bij het Damrak waar de nog jonge pianist woonde toen we 24 waren, het bekertje warme chocolademelk dat je over de toen rode haren van de witgrijze dame gestort hebt, in woede.

Maar het gaat eigenlijk niet om de herinneringen, het gaat over tijd en dat je die niet begrijpt. Het gevoel schuilt nog het meest in de onderdrukte weemoed van Gerrit Krol in zijn gedicht ‘Klassefoto’, waarin hij namen noemt (‘de kleine Vink, de dorre Krol’) en dat hij besluit met: ‘wij waren voor we heengingen/ over de aarde, een tel bijeen’.

En nu weer even een tel, ná die reis.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next