Ideoloog Patrick Deneen geldt als een van de prominentste conservatieve denkers over deze nieuwe politieke tijd. Hij pleit voor „aristopopulisme”, waarin een goedwillende elite de zorgen van de „arbeidersklasse” omzet in veranderingen.
De conservatieve politieke denker Patrick Deneen woonde vorig jaar een tijdje in een stad waar regenboogvlaggen aan de huizen wapperden en Black Lives Matters-bordjes achter de ramen stonden. En hij genoot ervan. „Het is er über-progressief, maar het is ook een extreem traditioneel Amerikaans stadje”, zegt hij over Boulder, een universiteitsstad in Colorado. „Zonder die bordjes zou je denken dat je in de jaren vijftig rondloopt. De huizen zijn klein, er zijn voetpaden zodat je door de buurten kunt wandelen, het is er veilig, schoon, welvarend. Maar de huizen kosten wel minstens een miljoen dollar.” Vergelijk het met een plek als Middletown in Ohio, zegt hij, waar vicepresident J.D. Vance opgroeide, of al die andere kleine, vervallen Amerikaanse stadjes waar „gezinnen zijn gebroken en de fabrieken leeg staan”. Een goede heersende klasse, zegt Deneen, „moet inzien dat er iets mis is als een goed leven een luxegoed geworden is.”
Patrick Deneen (1964) is een Amerikaanse politiek denker. Hij doceert politieke theorie aan de katholieke universiteit Notre Dame en werkte eerder onder meer op Princeton en Georgetown. Het boek Why Liberalism Failed uit 2018 betekende zijn doorbraak bij een groter publiek. Zijn ‘post-liberale’ denken is onder meer geïnspireerd op Alexis de Tocqueville. „In Europa zou ik waarschijnlijk een christendemocraat zijn, maar dat is moeilijk op de Amerikaanse politieke kaart te plaatsen.”
Deneen geldt in de Verenigde Staten als één van de voornaamste denkers van de nieuwe tijd. Hij zou, schreven media, de „goeroe” zijn achter de Republikeinse partij, een invloedrijke intellectueel die volgens aanhangers twee van de belangrijkste boeken van deze tijd schreef en volgens critici daarmee de conservatieve beweging op een pad richting autocratie zette. „Maar ik ben gewoon een hoogleraar die wat boeken heeft geschreven die ook door invloedrijke mensen aan beide kanten gelezen worden.” Door vicepresident J.D. Vance, bijvoorbeeld, maar ook Barack Obama en de Democratische senator Chris Murphy prezen zijn eerste boek.
We zitten in de rustige, statige lobby van hotel De L’Europe, aan de Amsterdamse Amstel. Deneen kwam uit de ontbijtzaal lopen met onder zijn arm The New York Times, een notitieboekje en het boek Über wahre Grösse van Rob Riemen. Die Nederlander, de directeur van het Nexus-instituut, haalde Deneen naar Amsterdam voor de jaarlijkse Nexus-conferentie, eind november; daar deelde hij het podium met onder meer Sigrid Kaag. De dag erna vloog Deneen alweer terug naar Indiana, waar hij doceert in de politieke theorie aan de katholieke universiteit van Notre Dame.
Hij is een ‘post-liberaal’ en wordt in de VS gezien als een van de gezichten van ‘nieuw rechts’: denkers die traditionele conservatieve standpunten over abortus, het gezin en religie vaak combineren met pleidooien voor sterkere vakbonden, het inperken van de macht van grootbedrijven en kleine, gemeenschappelijke vormen van democratie. Ze wijzen het politieke, economische en culturele liberalisme af, net als een staat die vooral de vrijheid van het individu wil bevorderen. De staat moest juist ’traditionele’ waarden en het ‘gemeenschappelijke goed’ bevorderen.
Het liberalisme, zegt Deneen, „heeft gefaald juist omdat het succesvol is”. Met liberalisme bedoelt hij de Europese „vierhonderd jaar oude traditie” en niet de Amerikaanse context, „waar het vooral links betekent”. Het wilde „mensen bevrijden van allerlei traditionele en institutionele beperkingen van het individu, zeg maar de beperkingen van small town life.” En hoe meer het erin slaagde de wereld te vormen naar zijn ideeën van individuele vrijheid, hoe meer mensen die vrijheid ook als hoogste goed gingen zien, hoe meer „de instituties werden afgebroken die zowel een rem vormen op het individu als sociale solidariteit organiseren en daarmee menselijk floreren mogelijk maken”.
„De gevolgen daarvan worden door verschillende klassen anders beleefd. Aan de onderkant van de Amerikaanse samenleving ben je meer blootgesteld en onderworpen aan de precariteit van het neoliberalisme en het culturele liberalisme. Maar als je relatief welgesteld bent, kun je makkelijker met de ineenstorting van die instituties omgaan.”
„Dat is vermoedelijk waar, maar ik wil dat ook nuanceren. Het liberalisme pretendeert neutraal te zijn, maar vormt ons op allerlei manieren in een bepaald soort mens. Het idee dat ik kan zijn wat ik wil zijn, wordt steeds meer gezien door de lens van een marktideologie. We hebben de mentaliteit van een consument. Dat uit zich niet alleen economisch, maar ook in hoe we ons tot de wereld verhouden; we creëren een wereld van losse verbindingen. Je kan immers altijd een ander merk tandpasta kiezen. Zo’n consumentenmentaliteit maakt het voor ons steeds moeilijker om relaties en verbintenissen aan te gaan die een groter plichtsbesef, zelfopoffering en een visie op iets wat groter is dan onszelf vereisen. Mensen hebben bijvoorbeeld meer moeite om te trouwen en zich misschien wel de rest van hun leven aan iemand te verbinden, of om kinderen te krijgen. Mensen zijn eenzamer, hebben minder vriendschappen. Dus ja, we hebben meer vrijheid om onszelf te vormen. Maar die vrijheid beperkt ons ook.”
Zowel de Democraten als Republikeinen omarmden het liberalisme, zegt Deneen. „Voor de Democraten werden culturele en sociale vrijheid het belangrijkste. Voor Republikeinen moest de markt zo vrij mogelijk worden. Winstgevendheid en deregulering werden het mantra. De economie werd losgezongen van onze overwegingen wat een gemeenschappelijk goed is. Er ontstond een volledig vrije en vloeibare markt, waarin het enige wat er nog toe doet economische groei is, met mensen als individuele consumenten. Dat ondermijnt het idee van een samenhangende gemeenschap. Je kunt niet én neoliberalisme promoten én traditionele waarden, omdat die traditionele waarden niet kunnen overleven in de economie die er ontstaat. Zowel onder Democratische als Republikeinse regeringen is zo’n economie gestimuleerd.”
„In het slot van het eerste boek bepleitte ik een fundamenteel andere westerse ordening. We hadden een nieuwe epic theory nodig, zoiets als wat Aristoteles en Hobbes schreven: een hele andere manier van denken over politiek. Ik dacht alleen dat het wel een paar generaties zou duren om de schade van het liberalisme te herstellen; dat had er immers ook zo’n vijfhonderd jaar over gedaan om tot dit punt te komen. Dus wat kan je ondertussen doen? Ik dacht: probeer in kleinere gemeenschappen een leven te leiden dat zich níet conformeert aan het liberale idee. Dat zou ook best revolutionair zijn, toch? Maar oké, toen was er Brexit en de eerste verkiezing van Trump en openden zich nieuwe politieke mogelijkheden. Ik realiseerde me dat het misschien geen vierhonderd jaar duurt om iets te veranderen, maar slechts vijfentwintig. Mits we die populistische energie in goede banen weten te leiden. Daarover gaat Regime Change.”
„Ik denk dat de heersende klasse dat altijd bepaalt. In dit geval zou het er eentje moeten zijn die tegemoet komt aan de zorgen en frustraties van normale mensen. De mensen die nu de leiding hebben over elite-instituties als universiteiten en de media, geven steeds minder gehoor aan die frustraties, door hun vrees voor het populisme. Ik wil juist dat er een deugdzame cirkel ontstaat, waarin elites responsiever zijn richting de samenleving, in het bijzonder werkende mensen, en een stad als Boulder voor iedereen beschikbaar maken.”
In Regime Change pleit hij daarom voor „aristopopulisme”, waarin een goedwillende elite de zorgen van de „arbeidersklasse” omzet in veranderingen die die klasse helpen. Franklin Roosevelt, de Democratische president die zelf van goede komaf was en met de New Deal de levens van miljoenen verpauperde Amerikanen verbeterde, was volgens hem zo’n „aristopopulist”; in vicepresident Vance ziet hij er ook een. De staat moet daarvoor aangewend worden: niet alleen om de liberale markteconomie af te remmen en grootbedrijven in te perken, maar ook om bijvoorbeeld publieke zedelijkheid en andere conservatieve waarden op te leggen.
„We moeten de opvattingen van gewone mensen serieus nemen. Maar dat betekent niet simpelweg dat wat de heersende, steeds liberaler wordende visie op dingen is, ook goed is voor die mensen. Er is veel bewijs dat het slecht is voor een samenleving om haar open te stellen voor ondeugden als porno, marihuana en de consumptiementaliteit. De onderkant van de Amerikaanse samenleving lijdt daar door verslavingen het meeste onder. Thomas van Aquino wist in de dertiende eeuw al dat het ingewikkeld zou worden om prostitutie te verbieden. Maar de vraag is wel: word je geleerd om verleidingen te temmen of niet? Als we stellen dat democratie simpelweg het volgen van de keuzes van mensen is, zijn we onverschillig voor die vraag. Het gemeenschappelijke goed is niet simpelweg wat mensen willen, maar wat menselijk floreren mogelijk maakt.”
„Liberalen zeggen vaak een neutrale staat te willen. Maar zoiets bestaat niet. Elke politieke orde is paternalistisch. De liberale óók. Ze legt op allerlei manieren restricties op aan mensen. In Boulder is bijvoorbeeld een suikerbelasting om de aankoop van frisdrank te ontmoedigen. Bovendien is de aanname onder de vraag verkeerd, omdat het een vorm van pure vrijheid veronderstelt die niet bestaat. Ik verwerp echt het idee dat je aan de ene kant een regime hebt gebaseerd op autoriteit en aan de andere kant eentje gebaseerd op vrijheid, alsof de enige manier om vrij te zijn een afwezigheid van autoriteit is. Autoriteit kan ook aangewend worden om het menselijk floreren te bevorderen. Ik baseer me daarvoor op premoderne ideeën die stellen dat hoe je de macht van de staat inperkt, afhankelijk is van of die staat het gemeenschappelijke goed bevordert of niet. Dus laten we discussiëren over wat het goede is, waarvan jij en ik allebei een idee hebben, en laten we die vervolgens afzetten tegen de werkelijkheid, tegen de geschiedenis, tegen empirische data. We moeten echt meer van zulke diepgaand politiek werk doen. Maar nu wordt dat debat vaak omzeild door direct te zeggen dat je voor een autocratie pleit. Oké, maar dan reserveren liberalen autoriteit dus alleen voor hun eigen gewin, maar ze noemen het dan neutraal.”
„Op sommige vlakken wel, bijvoorbeeld in hoe ze proberen onderwijsinstellingen weg te duwen van de extreme progressieve ideologieën die zij de afgelopen jaren omarmden. Had ik dat zelf op dezelfde manier gedaan? Nee, dat niet. Soms vrees ik dat het een grove aanval op universiteiten is. Maar veel instituties zijn de weg kwijt geraakt. Bijvoorbeeld toen media afdekten dat Joe Biden mentaal niet meer functioneerde. Ze worden bovendien bevolkt door mensen die veel progressiever zijn dan de gemiddelde Amerikaan. Ik denk dat het goed is dat er een beetje teruggeduwd wordt, dat die instituties minder ideologisch worden en weer het gemeenschappelijke goed gaan dienen.”
Deneen denkt een seconde of tien rustig na en zegt dan: „Veel van de instellingen worden door deze regering en haar aanhangers gezien als instellingen die hun mandaat hebben verraden. De juiste reactie van die instituties moet niet zijn om te roepen dat het tiranniek is, maar om zich af te vragen waarom de helft, of zelfs meer dan de helft, van de Amerikanen hen niet meer vertrouwt. Ik pauzeerde even omdat ik natuurlijk wel denk dat er de dreiging van tirannie is als politieke macht tegen instituties wordt ingezet. Maar die instituties hebben een rol aangenomen die gecorrigeerd moet worden. Waar ik op hoop is dat de politieke druk een heilzaam effect zal hebben. Ik wil niet dat de overheid Harvard overneemt of vernietigt. Ik wil dat de druk ertoe leidt dat Harvard van Harvard een betere plek maakt.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet
Source: NRC