De gemeenteraad van Moerdijk beslist maandag samen met het Rijk en de provincie Noord-Brabant definitief over de sloopplannen voor het dorp. Vijftig jaar geleden werden drie Groningse dorpen van de kaart geveegd om plaats te maken voor industrie die nooit kwam.
schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Voorbij Delfzijl, hoog op de Waddendijk, met aan een kant drooggevallen platen van de Dollard en aan de andere kant uitgestrekt polderland, ligt het begraafplaatsje van Oterdum. Het handjevol granieten zerken met sombere zwarte letters is het enige zichtbare overblijfsel van het dorp, dat samen met buurdorpen Heveskes en Weiwerd werd gesloopt om plaats te maken voor de oprukkende industrie van Delfzijl. De bewoners moesten verhuizen, de begraafplaats kreeg een nieuwe plek op de dijk.
De gemeenteraad van het Brabantse Moerdijk besloot eerder deze maand dat het dorpje met ruim 1.100 inwoners wordt gesloopt om ruimte te maken voor havens en industrie. Vandaag praten Rijk, provincie en gemeente over de ontruiming en sloop van het plaatsje.
Het lot van Moerdijk is niet nieuw. Als je weet waar je moet kijken, blijkt de kaart van Nederland bezaaid met verdwenen dorpen. Niet alleen Oterdum, maar bijvoorbeeld ook Ruigoord in het Amsterdamse havengebied, Welplaat en Blankenburg in de Botlek en Krawinkel bij DSM in Limburg. Wie op zoek gaat naar het dorpje Rijk, komt vrij nauwkeurig uit op de C-pier van Schiphol; het Brabantse buurtschap Efteling werd opgeslokt door een recreatiepark.
De Groningse terpdorpjes Oterdum, Heveskes en Weiwerd kwamen in de jaren vijftig van de vorige eeuw voor het eerst in het vizier van plannenmakers. De plaatsjes lagen in het gebied ten zuidoosten van Delfzijl, waar een nieuw haven- en industriegebied moest komen. In het naoorlogse Nederland van wederopbouw en groei was het een eenvoudig besluit: breek de dorpen af, geef de industrie de ruimte. Daar kwam bij dat de economie en werkgelegenheid in Noord-Groningen ook in die tijd al achterliepen bij de rest van Nederland.
Precies 65 jaar geleden, op 1 december 1960, schreef de toenmalige Winschoter Courant over de plannen: ‘Delfzijl moet voor een verdere industrialisatie de beschikking hebben over gronden voor de aanleg van meer bouwrijp industrieterrein.’ Iets verderop schreef de krant wat dat betekende: ‘B. en W. achtten de noodzaak tot industrialisering van dusdanige betekenis, dat het persoonlijk belang hiervoor moet wijken.’ Het bouwplan was net zo goed een sloopplan.
In september 1961 vergaderde de gemeenteraad over het voorgenomen industriegebied. Met elf stemmen voor en drie tegen besloot de raad dat de dorpen moesten wijken. Aanpassing van de plannen kon niet, zei de burgemeester: ‘De belangstelling van de chemische industrie voor Delfzijl is (…) dermate groot dat het uitbreidingsplan onmogelijk ingekrompen kan worden.’
Zeventig bewoners dienden een bezwaarschrift in tegen de plannen. Hun belangrijkste vertegenwoordiger was raadslid én landelijk VVD-bestuurslid Jennie Toxopeus Pott, die zelf in een herenboerderij net buiten Oterdum woonde. ‘Zij zei te begrijpen dat de Groninger bodemschatten als zout en aardgas benut moeten worden, maar zij achtte het uitgesloten dat het opofferen van een paar honderd ha. van de beste Groninger zeeklei een algemeen belang kan zijn’, schreef een journalist destijds.
Toen de gemeenteraad in 1968 besloot om ook háár boerderij te onteigenen, verliet het raadslid volgens landelijke krant Het Vrije Volk ‘zeer geëmotioneerd – bijna wenend’ de vergaderzaal. Toxopeus Pott (die in 1975 in opspraak raakte omdat zij tijdens een VVD-bijeenkomst in Eelde-Paterswolde Surinamers omschreef als ‘onwillige honden die hun plichten niet weten’) procedeerde tot aan de Hoge Raad tegen de sloopplannen. Haar boerderij was uiteindelijk een van de laatste panden in Oterdum die werden gesloopt.
Wat vervolgens gebeurde, is al vaak verteld. In één zin: de industrie kwam niet. Het bedrijventerrein waarvoor volgens het gemeentebestuur ‘grote belangstelling’ was geweest, leidde jarenlang een zieltogend bestaan.
Niet lang na de ontruiming en sloop van de dorpen stak in de gemeente Delfzijl een nieuwe wind op. Het besluit om de plaatsjes op te offeren was toch iets te driest was geweest, reflecteerde de nieuw aangetreden wethouder Jan Beijert in 1975 tegenover Het Vrije Volk. ‘Als we het nu zouden moeten besluiten, zou een dergelijk besluit geen 1 procent haalbaarheid bezitten. Het hele Nederlandse volk zou d’r over struikelen.’
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant